Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2027

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201210696/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Straatkant" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210696/1/R3.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Haps, gemeente Cuijk,

2. [appellant sub 2], gevestigd te Haps, gemeente Cuijk,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Cuijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Straatkant" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. E.J.M. van Woerkom, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.J. Zwiebel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actualisatie van het planologisch regime voor het bedrijventerrein Straatkant, gelegen ten noordwesten van de kern Haps in de gemeente Cuijk, en heeft voornamelijk een conserverend karakter.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [appellant sub 1] wil een bedrijfswoning oprichten op het perceel [locatie sub 1] op het bedrijventerrein Straatkant. Hij betoogt dat de raad ten onrechte zijn verzoek om de maximale goothoogte van 4,50 m voor bedrijfswoningen te laten vervallen niet bij de besluitvorming heeft betrokken en ten onrechte deze goothoogte heeft gehandhaafd. [appellant sub 1] wijst daartoe op de bestemmingsplannen "Haps" en "Buitengebied 2010" op grond waarvan voor bedrijfswoningen in de omgeving hogere goothoogtes zijn toegestaan.

Voorts wijst hij erop dat de bedrijfswoning op het perceel [locatie sub 2] een goothoogte van 5,30 m heeft. [appellant sub 1] stelt dat er geen ruimtelijk relevante argumenten zijn voor het hanteren van een maximale goothoogte van 4,50 m voor bedrijfswoningen op het bedrijventerrein.

3.1. De raad stelt dat de maximale goot- en bouwhoogtes uit het voorheen geldende planologische regime zijn overgenomen. Hiermee is beoogd een kleinschalige uitstraling te bevorderen, omdat het bedrijventerrein is bedoeld voor kleinere, lokale bedrijven. Volgens de raad is het bedrijventerrein van oudsher een plek om bedrijven uit het dorp en het omliggende buitengebied te vestigen. De overige bedrijventerreinen in de omgeving van Haps bieden ruimte en mogelijkheden voor grootschalige bedrijven, aldus de raad.

Daarnaast wijst de raad erop dat bij besluit van 27 december 2011 aan [appellant sub 1] een omgevingsvergunning is verleend voor het oprichten van een bedrijfshal en een bedrijfswoning met een maximale goothoogte van 4,50 m.

3.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.2, van de planregels is het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken toegestaan, onder de voorwaarde dat:

c. de goothoogte maximaal 4,50 m mag zijn, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding "maximale goothoogte" waar de weergegeven goothoogte maximaal is toegestaan;

d. de bouwhoogte maximaal 8,50 m mag zijn.

Ingevolge artikel 4, lid 4.2, onder 4.2.4, aanhef en onder b, geldt in afwijking van lid 4.2.1 (lees: 4.2.2) ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" dat:

3. de maximale goot- en bouwhoogte voor een aangebouwde en inpandige bedrijfswoning gelijk is aan het bepaalde in lid 4.2.1 (lees: 4.2.2);

4. de bouwhoogte van een vrijstaande bedrijfswoning maximaal 9 m mag zijn;

5. de goothoogte van een vrijstaande bedrijfswoning maximaal 4,50 m mag zijn.

Ingevolge artikel 14, aanhef en onder a, kan het bevoegd gezag, onder voorwaarde dat voldaan is aan artikel 17.1, bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels en de verbeelding en toestaan dat maximaal 10% wordt afgeweken van de gegeven maatvoering en percentages.

3.3. Over het betoog inzake de onvolledige besluitvorming van de raad overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] in de zienswijze op het ontwerpplan heeft verzocht om de maximale goothoogtes van 4,50 m voor bedrijfswoningen en voor bedrijfsgebouwen te laten vervallen. In de zienswijzenota is de raad gemotiveerd ingegaan op de maximale goothoogte van 4,50 m voor bouwwerken op het bedrijventerrein. Naar aanleiding van de door [appellant sub 1] ingediende zienswijze is in het plan de maximale goothoogte voor bedrijfsgebouwen op de percelen [locatie sub 2] tot en met 6 ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte" verhoogd tot 8,50 m. Voorts volgt uit de planregels dat ook de maximale goothoogte voor aangebouwde en inpandige bedrijfswoningen is verhoogd tot 8,50 m. Daarnaast volgt uit de planregels dat de maximale goothoogte voor vrijstaande bedrijfswoningen van 4,50 m is gehandhaafd. Naar het oordeel van de Afdeling is hieruit is af te leiden dat de raad het verzoek van [appellant sub 1] om de maximale goothoogtes van 4,50 m voor bedrijfswoningen en voor bedrijfsgebouwen te laten vervallen bij zijn besluitvorming heeft betrokken en ook deels heeft ingewilligd.

3.4. Over het betoog van [appellant sub 1] inzake de maximaal toegestane goothoogtes in andere bestemmingsplannen heeft de raad toegelicht dat het bestemmingsplan "Haps", waarnaar [appellant sub 1] verwijst, ziet op het dorp Haps. Haps is de grootste van de kleine kernen in de gemeente Cuijk. De planologische systematiek in dat bestemmingsplan "Haps" is gebaseerd op stedelijk gebied. De maximale goothoogte voor woningen in Haps is 6 m. Voorts heeft de raad toegelicht dat het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" ziet op het buitengebied van de gemeente Cuijk met uitzondering van onder meer de bedrijventerreinen. In het buitengebied mag de maximale goothoogte voor vrijstaande bedrijfswoningen niet meer dan 5,50 m en voor inpandige bedrijfswoningen niet meer dan 4,50 m zijn.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat verschillende bestemmingsplannen tot verschillende maatvoeringen kunnen leiden. Hierbij acht de Afdeling mede van belang dat de systematiek in het plan "Bedrijventerrein Straatkant" is gebaseerd op een bedrijventerrein in een buitengebied, terwijl de bestemmingsplannen "Haps" en "Buitengebied 2010" zien op een stedelijk gebied respectievelijk een buitengebied met uitzondering van bedrijventerreinen. Gelet hierop alsmede in aanmerking genomen de in het plan beoogde kleinschalige uitstraling van het bedrijventerrein is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid in de bestemmingsplannen, waarnaar [appellant sub 1] verwijst, geen aanleiding hoefde te zien om in het onderhavige plan de maximale goothoogte voor bedrijfswoningen te verhogen.

Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat er geen ruimtelijke argumenten zijn voor het opnemen van een maximale goothoogte van 4,50 m voor bedrijfswoningen op het bedrijventerrein en dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

3.5. Over de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met de goothoogte van 5,30 m van de bedrijfswoning op het perceel [locatie sub 2] overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de door [appellant sub 1] op zijn perceel gewenste situatie, omdat de bedrijfswoning op het perceel [locatie sub 2] is vergund in 1993 en de bouw daarvan is beoordeeld aan de hand van het op dat moment geldende planologische regime. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situatie op [locatie sub 2] niet overeenkomt met de door [appellant sub 1] gewenste situatie op zijn perceel [locatie sub 1].

4. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2] wil een bedrijfswoning oprichten op het perceel [locatie sub 3] op het bedrijventerrein Straatkant. Zij betoogt dat de raad door in het plan geen nieuwe bedrijfswoningen toe te staan ten onrechte de Verordening ruimte 2012 (hierna: de Verordening 2012) te strikt interpreteert. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat zij hierdoor onevenredig is getroffen, nu het perceel [locatie sub 3] het enige perceel op het bedrijventerrein is waarop geen bedrijfswoning staat en een bedrijfswoning, gelet op het gewijzigde financiƫle klimaat, noodzakelijk is voor het voortbestaan van het bedrijf.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan het niet mogelijk maakt om nieuwe bedrijfswoningen op het bedrijventerrein op te richten en dat dit mede is ingegeven door gemeentelijk beleid. Daarnaast wordt volgens de raad het oprichten van bedrijfswoningen op een bedrijventerrein conform de Verordening 2012 als oneigenlijk gebruik beschouwd. Voorts heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat [appellant sub 2] niet heeft onderbouwd waarom een bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van haar autobedrijf.

5.2. De Afdeling stelt vast dat onder het voorheen geldende planologische regime nieuwbouw van een bedrijfswoning op dit bedrijventerrein was toegestaan. In het voorliggende plan is deze mogelijkheid vervallen. De vergunde en reeds bestaande bedrijfswoningen zijn als zodanig bestemd.

De raad heeft toegelicht dat [appellant sub 2] een van de weinige bedrijven op het bedrijventerrein is zonder een bedrijfswoning. De raad heeft uitgelegd dat het sinds enige jaren gemeentelijk beleid is om in beginsel geen nieuwe bedrijfswoningen op het bedrijventerrein toe te staan. Met dit beleid is volgens de raad, onder meer uit milieuoogpunt, het algemeen belang gediend.

De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. Het aan het plan ten grondslag gelegde en, naar ter zitting is gebleken, sinds 2007 gevoerde gemeentelijk beleid om geen nieuwe bedrijfswoningen op bedrijfsterreinen toe te staan is, mede vanwege milieuredenen, niet onredelijk. Hierbij is van belang dat het beleid een veilige woon- en leefomgeving ten aanzien van bedrijfswoningen voorstaat.

Vaststaat dat [appellant sub 2] voorafgaand aan of ten tijde van de vaststellingsprocedure geen vergunning voor het oprichten van een bedrijfswoning heeft aangevraagd noch dat zij in het bezit was van een vergunning daartoe. Voorts kan uit hetgeen Jansen V.O.F. heeft aangevoerd niet worden afgeleid dat en waarom een bedrijfswoning noodzakelijk is voor haar bedrijfsactiviteiten. Gelet hierop, alsmede in aanmerking genomen dat de Verordening 2012 in beginsel geen ruimte biedt voor nieuwe bedrijfswoningen, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet hoefde te voorzien in de mogelijkheid tot het oprichten van nieuwe bedrijfswoningen op het bedrijventerrein.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

6. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Ramrattansing

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

408.