Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2023

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201206994/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft het college aan [appellant] een revisievergunning krachtens artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan [locatie] te Landhorst, maar geweigerd vergunning te verlenen voor de uitbreiding van het aantal fokteven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206994/1/A4.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Landhorst, gemeente Sint Anthonis,

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint Anthonis,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2012 heeft het college aan [appellant] een revisievergunning krachtens artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een nertsenhouderij aan [locatie] te Landhorst, maar geweigerd vergunning te verlenen voor de uitbreiding van het aantal fokteven.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 april 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, en E.P.G.M. Peeters-Claassen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij de invoering van de Wabo werden gewijzigd.

Wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wet geurhinder) bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object:

a. ten minste 100 m indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en

b. ten minste 50 m indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge het tweede lid wordt de afstand of de geuremissiefactor voor pelsdieren in afwijking van het eerste lid vastgesteld bij ministeriële regeling.

In artikel 3 van de Regeling geurhinder en veehouderij (hierna: Regeling geurhinder) is bepaald dat de afstand, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet is opgenomen in bijlage 2.

Ingevolge bijlage 2 bij de Regeling geurhinder bedraagt de afstand tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom 175 m indien tussen 3.001 en 6.000 fokteven worden gehouden.

Ingevolge die bijlage, onder 3, wordt die afstand met 25 m verkleind indien de pelsdieren in emissiearme huisvesting worden gehouden, waarbij de ammoniakemissie kleiner dan of gelijk is aan 0,25 kg per dierplaats per jaar.

Ingevolge die bijlage, onder 4, sub b, bedraagt de afstand tot een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij, ten minste 50 m indien het geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Het geschil

3. Bij het bestreden besluit heeft het college geweigerd aan [appellant] revisievergunning te verlenen voor de uitbreiding van het aantal te houden fokteven van 2.636 tot 4.200. Volgens het college wordt niet voldaan aan de afstandsnorm van 150 m als bedoeld in bijlage 2 bij de Regeling geurhinder tussen de nertsenhouderij en de woning aan [locatie] te Landhorst.

4. [appellant] betoogt dat het college heeft miskend dat de woning aan [locatie] onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, zodat ingevolge bijlage 2 bij de Regeling geurhinder, onder 4, sub b, een afstandsnorm van 50 m geldt. Daartoe voert hij aan dat op 11 juni 2009 melding is gedaan op grond van het Besluit landbouw milieubeheer voor het houden van acht volwassen paarden, één paard jonger dan 1 jaar en tien schapen en dat het bestaande stallencomplex aan [locatie] ruimte biedt en geschikt is voor het houden van deze dieren. [appellant] verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2010 in zaak nr. 200902657/1/R2.

4.1. Onder een veehouderij als bedoeld in bijlage 2 bij de Regeling geurhinder, onder 4, sub b, wordt ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder verstaan een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

Onder inrichting dient ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer te worden verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

4.2. Daargelaten of het houden van het aantal dieren waarvoor de melding is gedaan kan worden aangemerkt als een inrichting, bestaat geen grond voor het oordeel dat de woning aan [locatie] onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij als bedoeld in bijlage 2 bij de Regeling geurhinder, onder 4, sub b. Daarbij is van belang dat het aantal dieren waarvoor de melding is gedaan nooit is gehouden. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de woning op het perceel al langere tijd op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ van 3 maart 2001 bestemd als burgerwoning en werden de aanwezige schapenstal, de stal voor het houden van een paard en een veulen en drie paardenboxen al langere tijd niet meer gebruikt voor het houden van dieren, maar voor opslagdoeleinden. Op dat moment werden slechts vier pony’s, een ponyveulen en een paard gehouden, hetgeen in dit geval niet kan worden aangemerkt als een bedrijfsmatige of als een in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is ondernomen bedrijvigheid. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat ter plaatse een veehouderij aanwezig is. Dat, zoals [appellant] stelt, aan [locatie] altijd dieren zijn gehouden en dat in het verleden een vergunning is verleend voor een veehouderij aan [locatie], doet aan voormelde omstandigheden niet af en leidt derhalve niet tot een ander oordeel, te minder nu die vergunning reeds op 26 november 1996 is ingetrokken.

De verwijzing door [appellant] naar de uitspraak van 10 maart 2010 leidt evenmin tot een ander oordeel, nu in die zaak, anders dan in deze zaak, vaststond dat het houden van de dieren waarvoor melding was gedaan op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer kon worden aangemerkt als een inrichting, dat de stallen intact waren en dat de dierplaatsen niet buiten gebruik waren gebracht.

Ook de door [appellant] ter zitting getoonde foto’s waarop volgens hem te zien is dat aan [locatie] een aantal schapen wordt gehouden, kunnen niet leiden tot een ander oordeel, reeds omdat deze foto’s medio april 2013 en derhalve na het bestreden besluit zijn genomen.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Sorgdrager w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

457-784.