Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201205525/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 16 september 2010 heeft de Belastingdienst de aan [wederpartij] over de jaren 2008 en 2009 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien op nihil vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205525/1/A2.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 26 april 2012 in zaak nr. 11/284 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij]), beiden wonend te [woonplaats],

en

de Belastingdienst.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 16 september 2010 heeft de Belastingdienst de aan [wederpartij] over de jaren 2008 en 2009 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien op nihil vastgesteld.

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft de Belastingdienst het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 22 december 2011 heeft de Belastingdienst dat besluit herzien, doch het door [wederpartij] tegen de besluiten van 16 september 2010 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 april 2012 heeft de rechtbank het daartegen van rechtswege ontstane beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, die van 16 september 2010 herroepen en bepaald dat de voorschotten over de jaren 2008 en 2009 worden herzien tot de hoogte van de maandelijks verschuldigde bijdragen in de periode van maart 2008 tot en met november 2009, € 1.213,00 wordt teruggevorderd en haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door haar vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van behandeling van de zaak ter zitting en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de ouder en de houder.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: Regeling) bevat de administratie van een gastouderbureau afschriften van alle met de vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2. Aan het besluit van 22 december 2011 heeft de Belastingdienst ten grondslag gelegd dat [wederpartij] geen overeenkomst, als bedoeld in artikel 52, van de Wko, heeft overgelegd en voorts niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij kosten van kinderopvang heeft gehad.

3. De Belastingdienst betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, hoewel de door [wederpartij] overgelegde akte van een overeenkomst niet voldoet aan de wettelijke eisen, haar dit niet kan worden verweten en de gebreken gedurende de procedure bovendien genoegzaam zijn geheeld. Dat de dienst in de loop van de procedure bekend is geraakt met de elementen die de overeenkomst ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling moest bevatten, leidt er niet toe dat die gebreken zijn geheeld, aldus de Belastingdienst.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 18 juli 2012 in zaak nr. 201112861/1/A2), bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag en dus evenmin op een voorschot daarop, indien geen overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, de basis voor de geboden kinderopvang vormt. Uit artikel 18, eerste lid, van de Awir volgt dat degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag, dan wel een voorschot daarop, maakt, aan de Belastingdienst een akte van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, dient over te leggen.

Weliswaar bevat de door [wederpartij] aan de Belastingdienst overgelegde akte de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur, het aantal uren gastouderopvang per jaar en de bemiddelingskosten, maar de akte voldoet niet aan de eisen, gesteld in artikel 52 van de Wko, nu deze niet ziet op een bepaalde periode, niet is gedagtekend en niet is voorzien van een handtekening van de gastouder. Dat bepaalde gegevens, als gesteld, langs andere weg bij de Belastingdienst bekend zijn geworden, betekent niet dat in 2008 en 2009 kinderopvang krachtens een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, heeft plaatsgevonden. De Belastingdienst heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat [wederpartij] voor de jaren 2008 en 2009 geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag.

Het betoog slaagt.

4. Hetgeen verder door de Belastingdienst is aangevoerd behoeft geen bespreking.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] tegen het besluit van 22 december 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 26 april 2012 in zaak nr. 11/284;

III. verklaart het van rechtswege in die zaak ontstane beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. R.W.L. Loeb en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Wieland, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Wieland

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

502-735.