Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2002

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201201429/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 januari 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en hem ongewenst verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201429/1/V1.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 12 januari 2012 in zaak nr. 11/25517 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister; thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie).

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en hem ongewenst verklaard.

Bij besluit van 28 juli 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel het daartegen door de vreemdeling gemaakt bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 12 januari 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep, voor zover gericht tegen de handhaving van de intrekking van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, niet-ontvankelijk verklaard en het beroep, voor zover gericht tegen de handhaving van de ongewenstverklaring, gegrond verklaard, dat besluit in zoverre vernietigd en bepaald dat de minister in zoverre een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Bij besluit van 13 april 2012 heeft de minister het door de vreemdeling gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen de ongewenstverklaring, gegrond verklaard, de ongewenstverklaring ongedaan gemaakt (lees: herroepen) en een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.

De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld. Het beroepschrift, dat door de rechtbank is doorgezonden naar de Afdeling, is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

3. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Het besluit van 13 april 2012 is een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb, zodat het hoger beroep, gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, geacht wordt mede een beroep tegen dat besluit te bevatten. De aanvullende beroepen van 3 mei 2012 en van 7 mei 2012 bevatten de gronden van dat beroep.

6. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris in het besluit van 13 april 2012 niet is ingegaan op hetgeen hij eerder in de procedure heeft aangevoerd en ten onrechte heeft verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 12 januari 2012.

Anders dan de vreemdeling stelt, is de staatssecretaris in het besluit van 13 april 2012 deugdelijk gemotiveerd ingegaan op de feiten en omstandigheden die de vreemdeling eerder in de procedure naar voren heeft gebracht. Het hoger beroep dat de vreemdeling tegen de overwegingen van de rechtbank dienaangaand heeft ingesteld is onder 4 kennelijk ongegrond verklaard.

De beroepsgrond faalt.

7. De vreemdeling voert aan dat hij, anders dan is vermeld in het besluit van 13 april 2012, niet in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven op het voornemen van 5 maart 2012 (hierna: het voornemen) en dat zijn gemachtigde het voornemen niet heeft ontvangen.

7.1. In het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, dient het bestuursorgaan aannemelijk te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 augustus 2010 in zaak nr. 201000189/1/H3, www.raadvanstate.nl). Uit de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2008 in zaak nr. 200707984/1 volgt dat daadwerkelijke verzending aannemelijk is gemaakt indien op de brief of het desbetreffende stuk een datumstempel is geplaatst en duidelijk is dat dit stempel de datum van de verzending betreft.

Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

7.2. Het voornemen is niet aangetekend verzonden. Op het voornemen is met een stempel de tekst "verzonden 05 mrt 2012" geplaatst. Voorts is in de aanhef van het voornemen het op dat moment correcte adres van de gemachtigde van de vreemdeling vermeld. Aldus heeft de staatssecretaris aannemelijk gemaakt dat het voornemen op 5 maart 2012 naar de gemachtigde van de vreemdeling is verzonden.

Met de enkele ontkenning dat zijn gemachtigde het voornemen heeft ontvangen, heeft de vreemdeling geen feiten gesteld op grond waarvan de ontvangst ervan redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de gemachtigde van de vreemdeling het voornemen kort na 5 maart 2012 heeft ontvangen.

De beroepsgrond faalt.

8. De beroepsgrond betreffende het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 27 oktober 1977, C30/77, Bouchereau (www.curia.europa.eu) faalt reeds omdat de vreemdeling deze grond niet heeft toegelicht.

9. De vreemdeling voert aan dat de staatssecretaris in strijd met artikel 11, tweede lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn), bij het bepalen van de duur van het inreisverbod heeft nagelaten alle omstandigheden van het geval te betrekken en ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij een inreisverbod van tien jaar heeft opgelegd.

9.1. Uit de uitspraken van de Afdeling van 15 juni 2012 in zaken nrs. 201201202/1/V4 en 201202257/1/V3 volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de benadering van de staatssecretaris, waarin hij in het geval dat zich de omstandigheid als bedoeld in het vijfde lid van artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000 voordoet - behoudens het geval dat zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen - een inreisverbod voor tien jaar oplegt in strijd is met de tekst of strekking van de Terugkeerrichtlijn.

Dit laat onverlet dat, zoals in deze uitspraken is overwogen, uit artikel 4:8, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, voortvloeit dat de staatssecretaris de desbetreffende vreemdeling in de gelegenheid moet stellen om individuele omstandigheden aan te voeren, in verband waarmee volgens die vreemdeling aanleiding zou bestaan voor een verkorting van de duur van het inreisverbod. Indien een vreemdeling zodanige omstandigheden heeft aangevoerd, zal de staatssecretaris, indien hij daarin geen aanleiding ziet om de duur van het inreisverbod verder te verkorten, ingevolge artikel 3:46 van de Awb dit standpunt dienen te motiveren.

9.2. De staatssecretaris heeft in het voornemen kenbaar gemaakt dat humanitaire of andere redenen aanleiding kunnen geven tot verkorting van de duur van het op te leggen inreisverbod en dat het aan de vreemdeling is om dergelijke omstandigheden naar voren te brengen. De vreemdeling is in het voornemen in de gelegenheid gesteld om dit binnen twee weken na dagtekening daarvan te doen. Nu de vreemdeling geen individuele omstandigheden als hiervoor bedoeld heeft ingebracht, heeft de staatssecretaris, mede gezien het onder 6 overwogene, terecht geen aanleiding gezien om een inreisverbod voor een kortere duur dan tien jaar uit te vaardigen.

De beroepsgrond faalt.

10. De vreemdeling betoogt dat, nu het besluit van 13 april 2012 een besluit op bezwaar is, hij in strijd met artikel 7:2 van de Awb niet opnieuw is gehoord naar aanleiding van zijn tegen het besluit van 26 januari 2011 gemaakte bezwaar.

10.1. Bij het besluit van 13 april 2012 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 26 januari 2011 gemaakte bezwaar, voor zover gericht tegen de ongewenstverklaring, gegrond verklaard en de ongewenstverklaring herroepen. Gelet op het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb heeft de staatssecretaris derhalve in zoverre in redelijkheid kunnen afzien van het opnieuw horen van de vreemdeling.

Wat het bij het besluit van 13 april 2012 uitgevaardigde inreisverbod betreft, volgt uit de uitspraak van 28 januari 2013 in zaak nr. 201209061/1/V3, waarbij de Afdeling blijft en waaraan de beroepsgrond niet afdoet, dat tegen het inreisverbod rechtstreeks beroep openstond. Gelet hierop was, anders dan de vreemdeling aanvoert, op het besluit in zoverre artikel 4:8 van de Awb van toepassing.

De beroepsgrond faalt.

11. De beroepsgrond van de vreemdeling dat hij in strijd met het bepaalde in artikel 4:8, eerste lid, en artikel 4:9 van de Awb niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze opnieuw mondeling kenbaar te maken, faalt, nu hij, zoals volgt uit het onder 9.2 overwogene, in de gelegenheid is gesteld vorenbedoelde individuele omstandigheden aan te voeren (onder meer uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2012 in zaak nr. 201203243/1/V3).

12. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris zich in het besluit van 13 april 2012 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat tot vergoeding van de aan de behandeling van het bezwaar verbonden kosten, nu de gegrondverklaring daarvan alleen is ingegeven doordat op 31 december 2011 de wet van 15 december 2011 tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de Terugkeerrichtlijn (Stb. 2011, 663, 30 december 2011; hierna: de implementatiewet) in werking is getreden. De vreemdeling wijst er hiertoe op dat het besluit van 26 januari 2011, voor zover dat ziet op de ongewenstverklaring, niet in overeenstemming was met de Terugkeerrichtlijn, die uiterlijk op 24 december 2010 in het nationale recht geïmplementeerd had moeten zijn.

12.1. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 13 april 2012 terecht op het standpunt gesteld dat hij ten tijde van het nemen van het besluit van 26 januari 2011 bevoegd was de vreemdeling ongewenst te verklaren. De herroeping van de ongewenstverklaring op de enkele grond dat de implementatiewet in werking is getreden, valt niet aan te merken als een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

De beroepsgrond faalt.

13. Het beroep tegen het besluit van 13 april 2012 is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van 13 april 2012 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. De Vink

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

154.