Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1992

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201300229/4/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu op grond van artikel 9, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding het wegaanpassingsbesluit A28 Utrecht - Amersfoort (hierna: het wegaanpassingsbesluit) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300229/4/R6.

Datum uitspraak: 28 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

de stichting Stichting Hoevelaken Bereikbaar en Leefbaar, gevestigd te Hoevelaken, gemeente Nijkerk,

verzoekster,

en

de minister van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu op grond van artikel 9, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding het wegaanpassingsbesluit A28 Utrecht - Amersfoort (hierna: het wegaanpassingsbesluit) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer de stichting beroep ingesteld.

De stichting heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2013, waar de stichting, vertegenwoordigd door R.T. Wesselingh, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M. de Hoop, mr. M.J. Monninkhof, drs. P.A.J. Hol, ing. F. de Kock, ing. R.B. Blokland en H.V. Topper MSc, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het wegaanpassingsbesluit voorziet in de uitbreiding van de autosnelweg A28 van 2x2 naar 2x3 rijstroken op het traject Utrecht - Leusden-Zuid, het realiseren van plusstroken en weefstroken op het traject Leusden-Zuid - Hoevelaken in beide richtingen en een verbreding van de verbindingsboog van de A28 Zuid naar de A1 Oost van 1 naar 2 rijstroken. De overige maatregelen betreffen in hoofdzaak het aanpassen van viaducten en overige kunstwerken.

3. Op 12 april 2013 heeft de Afdeling de bodemprocedure op zitting behandeld in afwachting van de uitspraak in deze procedure heeft de stichting de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

4. Het verzoek van de stichting strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de minister, hangende het beroep, geen uitvoering geeft aan het wegaanpassingsbesluit, voor zover artikel 1, derde lid, aanhef onder b, van dat besluit voorziet tot opheffing van de bestaande parallelrijbaan tussen 44,94 km en 44,99 km op het wegvak A1 knooppunt Hoevelaken - Apeldoorn. Dit betekent dat door die opheffing verkeer komende vanuit de richting Amsterdam (A1) en Zwolle (A28) geen gebruik meer kan maken van de afrit Hoevelaken.

5. De werkzaamheden die resulteren in de opheffing van de bestaande parallelrijbaan, namelijk het verwijderen van het asfalt van het wegdek, vinden plaats van 31 mei tot en met 2 juni 2013.

6. Ter zitting is gebleken dat de desbetreffende werkzaamheden onderdeel zijn van de ingeplande en al lopende werkzaamheden aan het rijkswegennet. Opschorting van die werkzaamheden leidt ertoe dat deze opnieuw in de planning moeten worden opgenomen. Een en ander heeft dusdanige vertraging tot gevolg dat de werkzaamheden aan de A28 in zijn geheel volgens de minister waarschijnlijk niet binnen de projectperiode kunnen worden afgerond, waardoor de minister jegens de aannemer schadeplichtig is. Tevens zijn ten behoeve van de opheffing van de bestaande parallelrijbaan reeds voorbereidende werkzaamheden verricht en is het publiek geïnformeerd over de ophanden zijnde wegwerkzaamheden en de in verband daarmee gewijzigde verkeerssituatie.

7. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de extra reistijd die optreedt na opheffing van de bestaande parallelbaan van een zodanige omvang is dat dit belang zwaarder weegt dan het belang van de minister bij voortzetting van de werkzaamheden om te komen tot die opheffing. Daarbij betrekt de voorzitter dat de opheffing van de parallelbaan door middel van het verwijderen van het asfalt van het wegdek niet leidt tot een situatie die bij een eventuele vernietiging van het wegaanpassingsbesluit in de bodemprocedure in de praktijk onomkeerbaar is.

8. De voorzitter ziet dan ook, na weging van de belangen, aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Drouen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2013

375.