Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1412

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201112352/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij het college ingevolge de Grondwaterwet, de bij eerder besluit verleende vergunning voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een openbare drinkwatervoorziening gewijzigd en aangevuld. (…) Appellant betoogt onder meer dat de rechtbank heeft miskend dat in het bestreden besluit ten onrechte geen schadevergoedingsregeling voor grondgebruikers is opgenomen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, overweegt de Afdeling dat voor het antwoord op de vraag of het college ten onrechte geen schadevergoedingsregeling in de vergunning heeft opgenomen, niet van belang is dat de hydrologische effecten van de wijziging slechts beperkt zijn en dat de aanvullende voorschriften het toezicht op de naleving van de vergunning ten goede komen. De artikelen 7.18, 7.19 en 7.20 van de Waterwet bieden een specifieke regeling voor de vergoeding van schade aan een onroerende zaak ten gevolge van het onttrekken van grondwater. Zo kan degene die als gevolg van het onttrekken van grondwater schade ondervindt aan een onroerende zaak ingevolge artikel 7.18 van vergunninghouder vorderen dat deze schade wordt ondervangen of vergoed dan wel dat vergunninghouder de onroerende zaak in eigendom overneemt. Reeds hierom ontbreekt voor het college een verplichting om in het kader van de vergunningprocedure een schadevergoedingsregeling te treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/2607
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112352/1/A4.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 oktober 2011 in zaak nr. 10/2241 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2010 heeft het college ingevolge de Grondwaterwet, de bij besluit van 1 mei 1957 aan de gemeente Enschede, de rechtsvoorganger van de naamloze vennootschap Vitens N.V., verleende vergunning voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening op de locatie Losser gewijzigd en aangevuld.

Bij uitspraak van 19 oktober 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 februari 2010 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Vitens heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2013, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Orie en H.M.G. Verresen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Vitens, vertegenwoordigd door S. Meijer en E.N.M. Westhuis-Brouwer, gehoord.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard omdat het besluit van 25 februari 2010 niet op de juiste wettelijke grondslag berustte. Gelet op het in de Invoeringswet Waterwet opgenomen overgangsrecht was op de beoordeling van de aanvraag niet de Grondwaterwet maar de Waterwet van toepassing. Omdat krachtens de Waterwet dezelfde vergunning zou zijn verleend, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vraag of tevens ten behoeve van een derde grondwater wordt onttrokken in het kader van deze procedure niet aan de orde kan komen.

2.1. Bij besluit van 25 februari 2010 is de vergunning van 1 mei 1957 gewijzigd en zijn aan deze vergunning verbonden voorschriften gewijzigd dan wel aangevuld. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de vraag of de vergunning wordt nageleefd en of het college ter zake handhavend had moeten optreden in deze procedure niet aan de orde kan komen. Deze procedure betreft immers slechts de rechtmatigheid van de wijziging en aanvulling van bedoelde vergunning.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat in het besluit van 25 februari 2010 ten onrechte geen schadevergoedingsregeling voor grondgebruikers is opgenomen.

3.1. Ingevolge artikel 7.18, eerste lid, van de Waterwet wordt de schade aan een onroerende zaak, veroorzaakt door het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water krachtens een watervergunning, voor zover dit redelijkerwijze kan worden gevergd, door de vergunninghouder ondervangen.

Ingevolge het tweede lid is, voor zover de schade niet is ondervangen, de vergunninghouder desgevorderd verplicht jegens ieder die enig recht op het gebruik of het genot van de onroerende zaak heeft, die schade te vergoeden.

Ingevolge het derde lid kan een eigenaar van de onroerende zaak niettemin, indien door de aard of de omvang van de schade de eigendom van die zaak voor hem van te geringe betekenis is geworden, vorderen dat de vergunninghouder de onroerende zaak in eigendom overneemt. De vordering kan worden gedaan zowel bij niet-aanvaarding van een als schadevergoeding aangeboden som als na aanvaarding daarvan.

Ingevolge het vierde lid staan vorderingen op grond van dit artikel ter kennisneming van de rechtbank binnen wier rechtsgebied de onroerende zaak of het grootste gedeelte daarvan is gelegen.

Ingevolge artikel 7.19, eerste lid, kan hij, die op grond van artikel 7.18, eerste, tweede of derde lid, een vordering kan doen met betrekking tot schade in verband met een watervergunning voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water als bedoeld in artikel 6.4 of 6.5, onderdeel b, dan wel krachtens een vordering van een waterschap, eerst aan gedeputeerde staten van de provincie waarin de in artikel 7.18 bedoelde onroerende zaak geheel of grotendeels is gelegen verzoeken een onderzoek in te stellen.

Ingevolge artikel 7.20, eerste lid, voor zover hier van belang, veroordeelt de rechtbank, ingeval zij de vordering, bedoeld in artikel 7.18, derde lid, gegrond acht, de vergunninghouder tot overneming en tot betaling van de overnemingssom.

3.2. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is voor het antwoord op de vraag of het college ten onrechte geen schadevergoedingsregeling in de vergunning heeft opgenomen, niet van belang dat de hydrologische effecten van de wijziging slechts beperkt zijn en dat de aanvullende voorschriften het toezicht op de naleving van de vergunning ten goede komen. De artikelen 7.18, 7.19 en 7.20 van de Waterwet bieden een specifieke regeling voor de vergoeding van schade aan een onroerende zaak ten gevolge van het onttrekken van grondwater. Zo kan degene die als gevolg van het onttrekken van grondwater schade ondervindt aan een onroerende zaak ingevolge artikel 7.18 van vergunninghouder vorderen dat deze schade wordt ondervangen of vergoed dan wel dat vergunninghouder de onroerende zaak in eigendom overneemt. Reeds hierom ontbreekt voor het college een verplichting om in het kader van de vergunningprocedure een schadevergoedingsregeling te treffen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

457-684.