Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1373

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201210624/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Benneveld-Bennevelderstraat-Almaatsweg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2014/7 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210624/1/R4.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Benneveld, gemeente Coevorden,

en

de raad van de gemeente Coevorden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Benneveld-Bennevelderstraat-Almaatsweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 april 2013, waar de raad, vertegenwoordigd door drs. J. Hennessy-Jager, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [partij] gehoord.

Overwegingen

1. Het plan omvat een voormalig agrarisch bedrijfsperceel aan de [locatie A] en een perceel ten zuiden van het perceel [locatie B]. Het plan voorziet in de bouw van een woonhuis op de gronden ten zuiden van het perceel [locatie B] te Benneveld.

2. De raad voert aan dat [appellant] in zijn beroepschrift ten aanzien van een aantal beroepsgronden heeft volstaan met een verwijzing naar de inhoud van de zienswijze.

2.1. [appellant] heeft zich in het beroepschrift ten aanzien van de bedoelde beroepsgronden niet beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze en heeft in het beroepschrift redenen aangevoerd waarom de reactie op de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat bedoelde beroepsgronden in zoverre falen.

3. [appellant] kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Wonen" voor de gronden ten zuiden van het perceel [locatie B]. [appellant] betoogt dat de raad het plan heeft vastgesteld in strijd met artikel 3.25 van de Provinciale omgevingsverordening Drenthe (hierna: de omgevingsverordening) alsmede het "Woonplan II" (hierna: het woonplan) van de gemeente Coevorden. Hij voert hiertoe aan dat in het woonplan is opgenomen dat voor de kern Benneveld geen inbreidings- of uitbreidingsmogelijkheden gelden ten aanzien van woningen. Volgens [appellant] heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd dat onvoorziene omstandigheden een beroep op het in het woonplan opgenomen reservedepot rechtvaardigen.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ontwikkeling niet in strijd is met de omgevingsverordening, aangezien een kwalitatieve bijdrage wordt geleverd aan het gebied met grote landschappelijke en cultuurhistorische waarde. De raad wijst hierbij op het rapport "Woningbouwstrategie voor de grote en kleine kernen van de gemeente Coevorden tot 2020" (hierna: de woningbouwstrategie), dat het gemeentelijke beleid ten aanzien van woningbouw ten tijde van de vaststelling van het plan bevat. De betrokken woning is opgenomen in de lijst met woningen die in aanmerking komen voor de reservepot, aldus de raad.

3.2. Ingevolge artikel 3.25, eerste lid, van de omgevingsverordening laat een ruimtelijk plan geen nieuwe woningbouw toe die buiten de afspraken valt die de woonregio en de provincie hebben gemaakt over de woningbouwprogrammering en het gestelde in de woonvisie.

3.3. De Afdeling vat het betoog van [appellant], voor zover hij aanvoert dat het plan in strijd is met het woonplan, aldus op dat het plan in strijd moet worden geacht met de woningbouwstrategie, nu hierin het gemeentelijke beleid ten aanzien van woningbouw is vervat zoals dat gold ten tijde van het vaststellen van het plan. Volgens de woningbouwstrategie zullen de kleinere kernen in beginsel geen uitbreidingsplannen krijgen, maar zijn vanuit de reservepot 30 woningen beschikbaar voor incidentele knelpunten en maatwerkoplossingen. De bij het plan voorziene woning is opgenomen in de lijst van het "Overzicht reservepot en open plekken per 16 maart 2012".

3.4. Blijkens de plantoelichting vormt het toestaan van de woning een compensatie voor de afbraak van agrarische bedrijfsbebouwing die is gesitueerd op het achterliggende perceel [locatie A]. Uit de opname van de woning in de lijst van het "Overzicht reservepot en open plekken per 16 maart 2012" blijkt dat voor het plan een woning is gereserveerd uit de reservepot. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich een incidenteel knelpunt dan wel maatwerkoplossing voordoet, op grond waarvan gebruik kan worden gemaakt van de reservepot. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.25 van de omgevingsverordening.

Voor zover [appellant] betoogt dat het plan niet voorziet in een aanvaardbare ruimtelijke inpassing door de woning te voorzien op de gronden ten zuiden van het perceel [locatie B], in plaats van op gronden aan de overzijde van de Almaatsweg, overweegt de Afdeling dat, hoewel de voorziene woning wordt toegestaan op een open plek, zij aansluit op het bestaande bebouwingslint aan de Almaatsweg. Indien de woning was toegestaan op de locatie aan de overzijde van de Almaatsweg zou het uitzicht van [appellant] aan de voorzijde worden aangetast, terwijl zijn uitzicht door het plan enkel afneemt aan de zijkant van zijn woning. Nu het uitzicht van [appellant] door het plan niet op onevenredige wijze wordt aangetast, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in een aanvaardbare ruimtelijke inpassing. Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt dat het plan conflicteert met de ter plaatse aanwezige aardkundige waarden. Hij wijst op een brief van het college van gedeputeerde staten van Drenthe van 20 januari 2012 die is gehecht aan het ontwerp van het plan. In deze brief is opgenomen dat een deel van het plangebied is aangeduid als aardkundig waardevol.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van het plangebied geen aardkundige waarden gelden. De brief van het college van 20 januari 2012 is per abuis gehecht aan het ontwerpplan en heeft betrekking op een bestemmingsplan voor een ander gebied.

4.2. De Afdeling stelt vast dat het plangebied niet ligt in een gebied dat is aangeduid als aardkundig waardevol, blijkens de kernkwaliteitenkaart van de Omgevingsvisie Drenthe 2010. De brief van het college heeft betrekking op het voorontwerp van het bestemmingsplan "Buitengebied Dalen - Hooya’s Oord 2" en is voor het onderhavige plan niet relevant. Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de sloop van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing als voorwaarde voor het realiseren van de nieuwe woning ten onrechte niet is verankerd in het plan.

5.1. De raad acht het opnemen van een voorwaardelijke verplichting tot het afbreken van de bedrijfsgebouwen in het plan niet noodzakelijk voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, en stelt zich op het standpunt dat de afbraak door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de initiatiefnemer van het plan en de gemeente in voldoende mate is geborgd.

5.2. De af te breken bedrijfsbebouwing is in het plan niet langer rechtstreeks toegestaan en valt onder het bouwovergangsrecht. Bouwovergangsrecht in een bestemmingsplan is naar de aard gericht op afbraak van bebouwing binnen de planperiode. De afbraak van de bebouwing is door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst tussen de initiatiefnemer van het plan en de gemeente vastgelegd. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad het opnemen van een voorwaardelijke verplichting tot afbraak van de bedrijfsbebouwing in redelijkheid niet noodzakelijk heeft behoeven te achten met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. Het betoog faalt.

6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Kuipers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

271-783.