Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1372

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201210489/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan

"Nederhemert, de Ormeling 2011" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/2608
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210489/1/R2.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Nederhemert, gemeente Zaltbommel,

en

de raad van de gemeente Zaltbommel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan

"Nederhemert, de Ormeling 2011" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2013, waar

[appellant], vertegenwoordigd door ing. H.W. Ebbers, en de raad, vertegenwoordigd door P.L.F. Bassa, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een planologisch regime voor het gebied gelegen nabij de Nijverheidstraat, Molenstraat en Nieuwstraat te Nederhemert. Volgens het plan bevinden zich binnen het plangebied diverse functies waaronder agrarische bedrijvigheid, bedrijvigheid en wonen.

2. Het beroep van [appellant] richt zich tegen de in het plan voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein ten zuiden van zijn perceel aan de [locatie A] en de opgenomen wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de vestiging van twee bedrijfswoningen in de nabijheid van zijn perceel. Volgens [appellant] heeft de raad miskend dat er een geurhindercirkel van 100 meter rondom zijn agrarisch bedrijf aan de Nieuwstaat ligt vanwege de aldaar aanwezige schuur en opslag voor drijfmest. Voorts heeft de raad volgens [appellant] onvoldoende rekening gehouden met zijn wens om het agrarisch bedrijf aan de [locatie B] op termijn te verplaatsen naar de [locatie A]. Een daarmee verband houdend verzoek is enige tijd voor de vaststelling van het plan gedaan.

2.1. Volgens de raad is van een onevenredige beperking van bestaande rechten en agrarische ontwikkelingsmogelijkheden geen sprake.

De raad betoogt daartoe dat de uitbreiding van het bedrijventerrein en de wijzigingsbevoegdheid voor het toevoegen van bedrijfswoningen reeds in het vorige bestemmingsplan "Nederhemert, de Ormeling" vastgesteld op 2 juli 2009 waren opgenomen. Wel is ten opzichte van het vorige plan, het nabij het perceel aan de [locatie A] gelegen bouwvlak binnen de bestemming "Bedrijventerrein" met de aanduiding "bedrijf tot en met categorie 3.1" 6,5 meter in de richting van het perceel van [appellant] opgeschoven. Het voorliggende plan maakt het evenwel niet mogelijk dat binnen 50 meter van de ter plaatse van de [locatie A] aanwezige schuur en opslag voor drijfmest geurgevoelige objecten kunnen worden gerealiseerd. In dit verband wijst de raad erop dat de opslag voor drijfmest niet groter is dan 350m2 en vanwege deze grootte en genoemde afstand het plan geen wijziging brengt in de toepasselijkheid van het Besluit mestbassins milieubeheer, zoals dat gold ten tijde van de vaststelling van het plan. Volgens de raad kan, zoals reeds aan [appellant] is medegedeeld, aan een verzoek voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid, zoals opgenomen in het ter plaatse van het perceel aan de [locatie A] geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1991" ten behoeve van de verplaatsing van het agrarisch bedrijf van [appellant] niet worden meegewerkt wegens strijd met de op 15 maart 2012 vastgestelde Structuurvisie Buitengebied.

2.2. [appellant] heeft ter zitting toegelicht dat de op het perceel aan de [locatie A] aanwezige schuur niet geschikt is om dieren te houden doch wordt gebruikt als melk- en schuilgelegenheid voor vee dat hij in de zomerperiode op het weidegebied van zijn perceel laat lopen. [appellant] heeft voorts ter zitting erkend dat op het perceel thans geen mogelijkheden bestaan om de bestaande bedrijfsvoering op het perceel in zoverre uit te breiden. Gelet op het vorenstaande is op het perceel aan de [locatie A] geen sprake van een dierenverblijf in de zin van artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij, zodat uit deze wet geen geurcirkel voortvloeit waarmee rekening moet worden gehouden. Het door [appellant] aangevoerde geeft aldus geen aanleiding voor het oordeel dat deze wet in de weg staat aan de vaststelling van het plan.

De Afdeling stelt vast dat het op het perceel aan de [locatie A] aanwezige mestbassin een oppervlakte heeft van minder dan 350 m2. Het Besluit mestbassins milieubeheer schrijft voor de toepasselijkheid ervan voor een mestbassin met een oppervlakte van minder dan 350 m2 een afstand van ten minste 50 meter tot een geurgevoelig object voor. De Afdeling is van oordeel dat ten aanzien van de in het kader van de ruimtelijke ordening aan te houden afstand tot de geurgevoelige objecten in het plangebied kan worden aangesloten bij de in het Besluit genoemde afstandscriteria. De afstand van dit mestbassin tot het dichtstbijgelegen door het plan mogelijk gemaakte geurgevoelig object is ongeveer 95 meter. Voor zover [appellant] wijst op de strook met de bestemming "Bedrijventerrein" en waarop geen bouwvlak is gelegen, overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat deze strook als zodanig niet als een gevoelig object in de zin van artikel 1, aanhef en onder f, van het Besluit mestbassins milieubeheer kan worden aangemerkt, de afstand vanaf het mestbassin tot deze strook ten minste 75 meter is. Aan de in het kader van het Besluit mestbassins milieubeheer minimaal aan te houden afstand van 50 meter is derhalve voldaan. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de in het plan voorziene uitbreiding van het bedrijventerrein en de opgenomen wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de vestiging van twee bedrijfswoningen ten zuiden van het perceel aan de [locatie A] niet tot gevolg heeft dat het bedrijf van [appellant] niet langer onder de werkingssfeer van het Besluit mestbassins milieubeheer valt en dat de bedrijfsvoering van [appellant] gelet op de in het plan opgenomen afstanden in zoverre niet wordt belemmerd.

Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat het plan leidt tot een beperking van zijn uitbreidingsmogelijkheden overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid geen doorslaggevende betekenis heeft hoeven toekennen aan de wens van [appellant] om zijn inrichting aan de [locatie B] te verplaatsen naar de [locatie A]. Daarbij heeft de raad van belang kunnen achten dat volgens het in zijn Structuurvisie Buitengebied neergelegde uitgangspunt in en rondom kernen geen ruimte is voor nieuwvestiging.

Het betoog faalt.

3. Voor het overige heeft [appellant] zich in het beroepschrift beperkt tot een herhaling van de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover bestreden strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.A.A. Mondt-Schouten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van staat.

w.g. Mondt-Schouten w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

343-779.