Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1370

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201209529/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 oktober 2011 heeft het college ZHE Maasdam onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om uiterlijk 1 december 2011 het strijdige gebruik van het perceel G 750, recentelijk ontstaan uit G 707 (hierna: het perceel), te staken door de landbouwwerktuigen en de aangebrachte verharding te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209529/1/A1.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ZHE Maasdam Holding B.V., gevestigd te Maasdam, gemeente Binnenmaas (hierna: ZHE Maasdam),

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 23 augustus 2012 in zaken nrs. 12/896 en 12/895 in het geding tussen:

ZHE Maasdam

en

het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2011 heeft het college ZHE Maasdam onder oplegging van een last onder dwangsom gelast om uiterlijk 1 december 2011 het strijdige gebruik van het perceel G 750, recentelijk ontstaan uit G 707 (hierna: het perceel), te staken door de landbouwwerktuigen en de aangebrachte verharding te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 1 december 2011 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de beslissing op het door ZHE Maasdam ingediende bezwaarschrift.

Bij besluit van 18 juli 2012 heeft het college het door ZHE Maasdam tegen het besluit van 20 oktober 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 augustus 2012 heeft de voorzieningenrechter het door ZHE Maasdam daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft ZHE Maasdam hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Met instemming van het college heeft ZHE Maasdam ter zitting nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 maart 2013, waar ZHE Maasdam, vertegenwoordigd door J. Schenk, bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Hoogwerf en N.J. Havelaar-Kleijwegt, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het perceel, waar zich een boomgaard bevindt, is gelegen naast het perceel aan de Oud Bonaventurasedijk 99b te Maasdam, waar het landbouwmechanisatiebedrijf ZHE Maasdam is gevestigd. ZHE Maasdam heeft ongeveer 600 m2 van het perceel verhard ten behoeve van de stalling en opslag van nieuw en gebruikt landbouwmaterieel.

Wanneer ZHE Maasdam na afloop van de begunstigingstermijn niet aan de last heeft voldaan, verbeurt zij een dwangsom van € 500,00 per week met een maximum van € 26.000,00 (52 maal € 500,00).

2. Het aanbrengen van de verharding en het stallen van het landbouwmaterieel zijn in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied, correctieve herziening 2007", zodat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden.

3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4. ZHE Maasdam betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat ten tijde van het nemen van het besluit van 18 juli 2012 concreet zicht op legalisering bestond van de met het bestemmingsplan strijdige situatie. Hiertoe voert zij aan dat de commissie Ruimtelijke Zaken van de gemeente Binnenmaas (hierna: de raadscommissie) inmiddels heeft ingestemd met een uitbreiding van de inhoud van haar bedrijf met 30% als bedoeld in artikel 2, derde lid, aanhef en onder b, van de door provinciale staten van Zuid-Holland bij besluit van 2 juli 2010, laatstelijk gewijzigd op 29 maart 2012, vastgestelde Verordening Ruimte (hierna: de verordening), en dat de commissie daaraan niet de in die bepaling opgenomen voorwaarden verbindt. Voorts stelt zij dat zij mogelijkheden ziet het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland ervan te overtuigen om krachtens artikel 3 van de verordening, ontheffing van artikel 2 van de verordening te verlenen.

4.1. ZHE Maasdam heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het besluit van 18 juli 2012 concreet zicht op legalisering bestond. Op dat moment bestonden geen aanwijzingen dat planologische medewerking aan de uitbreiding op korte termijn was te verwachten. Hierbij wordt van belang geacht dat, naar het college ter zitting heeft verklaard, ZHE Maasdam wel degelijk aan de bedoelde voorwaarden zal moeten voldoen en dat ten tijde van het voormelde besluit niet bekend was of zij daartoe in staat zou zijn.

De stelling van ZHE Maasdam dat zij gedeputeerde staten ervan zal kunnen overtuigen ontheffing krachtens artikel 3 van de verordening te verlenen, leidt evenmin tot de conclusie dat ten tijde van het besluit van 18 juli 2012 concreet zicht op legalisering bestond, reeds omdat er op dat moment geen aanwijzingen waren dat zodanige ontheffing op korte termijn zou worden verleend.

Het betoog faalt.

5. Het betoog van ZHE Maasdam dat het college van handhavend optreden had behoren af te zien, omdat de opslagruimte voor haar nog steeds noodzakelijk is, faalt evenzeer. Het college heeft aan het algemeen belang dat met handhaving is gediend groter gewicht mogen toekennen dan aan het belang dat ZHE Maasdam heeft bij voorzetting van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik. De voorzieningenrechter is terecht van hetzelfde uitgegaan.

ZHE Maasdam betoogt voorts tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het terstond moeten beëindigen van de overtredingen de continuïteit van het bedrijf in gevaar brengt en dat het college om die reden van handhaving had behoren af te zien. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 14 augustus 2012 in zaak nrs. 201206572/1/A1 en 201206572/2/A1), biedt de omstandigheid dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene ten laste van wie wordt gehandhaafd, geen grond voor het oordeel dat dit optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college daarvan om die reden behoort af te zien. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat de keuze van ZHE Maasdam om de boomgaard in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken en daarin te investeren, voor haar rekening en risico komt.

Het betoog faalt.

6. ZHE Maasdam betoogt verder dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door alsnog tot handhaving over te gaan. Het college heeft het handhavingstraject dat het in 2007 in gang had gezet, in dat jaar ook weer afgebroken, omdat klachten van omwonenden niet meer aan de orde waren. Omdat derden thans niet om handhaving hebben verzocht, bestond voor het college geen reden om opnieuw tot handhavend optreden over te gaan, aldus ZHE Maasdam.

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 16 januari 2013 in zaak nr. 201203484/1/A1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Het college heeft ter zitting onweersproken verklaard dat ZHE Maasdam niet is toegezegd dat niet handhavend zou worden opgetreden indien het strijdige gebruik van de boomgaard niet tot klachten zou leiden. De enkele omstandigheid dat een eerder ingezet handhavingstraject niet is doorgezet, betekent niet dat van een toezegging als hiervoor bedoeld, sprake is. De voorzieningenrechter is daarom terecht tot het oordeel gekomen dat het college niet in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Dorst

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

407-619.