Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1365

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201206600/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2012 heeft het college aan de [vergunninghoudster] een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer voor de productie van grondstoffen voor natuurlijke en natuur-identieke smaakstoffen op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206600/1/A4.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2012 heeft het college aan de [vergunninghoudster] een vergunning verleend als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer voor de productie van grondstoffen voor natuurlijke en natuur-identieke smaakstoffen op het perceel [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

[vergunninghoudster] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2013, waar [appellanten], en het college, vertegenwoordigd door mr. I. Noordhoek en ing. A. Willemsen, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster] , vertegenwoordigd door drs. F.J.H. Vossen en J. van Voorst, bijgestaan door mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht Wabo

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

De inrichting

2. De vergunning is verleend voor een inrichting die zich bezighoudt met de productie van grondstoffen voor natuurlijke en natuur-identieke smaakstoffen.

Algemeen toetsingskader

3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Geurhinder

4. [appellanten] twijfelen aan de deugdelijkheid van de beoordeling van de van de inrichting te duchten geur. Hiertoe voeren zij aan dat is uitgegaan van onjuiste afstanden tussen geurgevoelige objecten en de inrichting. Volgens hen is in het bestreden besluit ten onrechte vermeld dat de afstand van de inrichting tot de meest nabij gelegen woning 400 m is, omdat de woningen aan de [locaties] dichterbij zijn gelegen dan 400 m. Voorts kloppen de vermelde afstanden op pagina 20 van het bestreden besluit niet allemaal, aldus [appellanten]. Volgens hen ligt de woning aan de [locatie a] op ongeveer 185 m van de inrichting in plaats van 310 m en de woning aan de [locatie b], die ten onrechte niet is vermeld in het bestreden besluit, op een afstand van ongeveer 260 m. Ook stellen zij dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de aanwezigheid van de Rijksweg A1.

4.1. Het college stelt dat met de dichtstbijzijnde woning op een afstand van 400 m van de inrichting de dichtstbijzijnde woning wordt bedoeld die onder de gebiedscategorie ‘wonen/buitengebied’ van de "Beleidsregels geur in milieuvergunningen Gelderland 2009" (hierna: het provinciaal geurbeleid) valt. De woning aan de [locatie c] is weliswaar dichterbij gelegen, maar ligt op het bedrijventerrein Harselaar-West en valt daarmee onder gebiedscategorie ‘werken’ waarvoor een lager beschermingsniveau geldt. Verder erkent het college dat de afstand van de woning aan de [locatie a] tot de inrichting onjuist is weergegeven. Dat komt omdat de inrichtingsgrens aan de westzijde wordt gevormd door een smalle strook van perceel nr. 2345. Die strook is bij het meten van de afstand over het hoofd gezien. Het feit dat de afstand voor dit adres onjuist is weergegeven heeft geen gevolgen voor de beoordeling of wordt voldaan aan het provinciaal geurbeleid, aldus het college. Die woning is ook gelegen op het bedrijventerrein Harselaar-West, zodat daarvoor een lager beschermingsniveau geldt. Voorts valt de woning buiten de vastgestelde geurcontour. Verder stelt het college dat het perceel [locatie c] een agrarische bestemming heeft en dat de bedrijfswoning daarom moet worden getoetst aan het beschermingsniveau voor de gebiedscategorie ‘werken’. Omdat de woning aan de [locatie e] wordt getoetst aan het strengere beschermingsniveau ‘wonen/buitengebied’ is de dichterbij gelegen woning aan de [locatie c] niet van belang in de toetsing en daarom achterwege gelaten. Tevens is de woning aan de [locatie d] wel meegenomen als geurgevoelig object in de categorie ‘wonen/buitengebied’, aldus het college. Ten aanzien van de woning op het perceel [locatie b] stelt het college dat dat perceel in het nieuwe bestemmingsplan "Harselaar-West" de bestemming "bedrijfswoning" heeft gekregen en daarmee onder gebiedscategorie ‘werken’ valt. Gebruikers van de Rijksweg A1 behoeven geen bescherming volgens het college, omdat de verblijfsduur daar gering is.

In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd bestaat geen grond het standpunt van het college onjuist te achten.

De beroepsgrond faalt.

5. [appellanten] betogen dat de hedonische waarde van de geur ten gevolge van de inrichting te onrechte door [vergunninghoudster] is bepaald. Hiertoe stellen zij dat het college de hedonische waarde zelf had moeten laten bepalen door een onderzoeksbureau en zich niet mocht baseren op het door [vergunninghoudster] overgelegde geuronderzoek van PRA Odournet van

april 2012. Voorts stellen [appellanten] dat de geur ten gevolge van de inrichting ten onrechte als ‘hinderlijk’ in plaats van ‘zeer hinderlijk’ is gekwalificeerd, zoals in het verleden wel het geval was.

5.1. Wat betreft de stelling van [appellanten] dat het college zich niet mocht baseren op het geuronderzoek van PRA Odournet, omdat dat door [vergunninghoudster] is overgelegd, geldt dat de aanvrager van een milieuvergunning inzicht dient te geven in de aangevraagde activiteiten en de ten gevolge daarvan te verwachten milieugevolgen. Het is niet ongebruikelijk dat de aanvrager daartoe rapporten laat opstellen die door het bevoegd gezag worden beoordeeld. Het college is ook niet gehouden zelf de hedonische waarde van de geur vast te laten stellen, maar dient slechts te beoordelen of dit op deugdelijke wijze is gedaan door PRA Odournet.

Het college heeft in hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd terecht geen grond gezien voor het oordeel dat in het geuronderzoek de hedonische waarde op onjuiste wijze is bepaald. Derhalve is voorts terecht in overeenstemming met artikel 8 van het provinciaal geurbeleid aan de te verwachten geur van de inrichting de kwalificatie ‘hinderlijke geur’ toegekend. Dat de geur ten gevolge van de inrichting in het verleden als ‘zeer hinderlijk’ werd gekwalificeerd leidt niet tot een ander oordeel. Het college heeft in dit verband toegelicht dat de hedonische metingen zijn uitgevoerd conform de geldende meetmethode NVN 2818. Daarbij wordt met behulp van een olfactometer de hinderlijkheid van een bepaalde geur vastgesteld. Gesteld noch gebleken is dat die meetmethode ondeugdelijk is. Voorts heeft het college gesteld dat de hedonische waarde in het verleden is bepaald via snuffelploeg- en geurconcentratiemetingen. De hedonische waardebepaling via snuffelploegmetingen leidde tot de kwalificatie ‘zeer hinderlijke geur’. Deze methode is echter niet vergelijkbaar met de huidige voorgeschreven meetmethode NVN 2818. Bij de hedonische waardebepaling via de geurconcentratiemetingen, die wel vergelijkbaar zijn met de meetmethode NVN 2818, werden de geuren ten gevolge van de inrichting veel minder onaangenaam beoordeeld dan via de snuffelploegmeting.

De beroepsgrond faalt.

6. [appellanten] voeren aan dat het geurhinderniveau ten onrechte conform artikel 5 van het provinciaal geurbeleid op de richtwaarde is vastgesteld. Nu het om een nieuwe bron gaat, is artikel 6 van het provinciaal beleid toepasselijk en had het acceptabel geurhinderniveau op de streefwaarde moeten worden vastgesteld. Voor zover het acceptabel geurniveau wel op de richtwaarde had mogen worden vastgesteld, is daarvan volgens [appellanten] ten onrechte afgeweken. Daarmee wordt volgens hen niet voldaan aan de in het Gelders Milieu Plan 4 2010-2012 (hierna: GMP4) vastgestelde doelstelling, dat in 2015 geen enkele burger wordt blootgesteld aan luchtverontreiniging en geurhinder boven de norm.

6.1. Ingevolge artikel 1 van het provinciaal geurbeleid wordt onder bestaande bron verstaan: een bron waarvoor een vergunning geldt.

Onder een nieuwe bron wordt verstaan: een bron die zal worden gerealiseerd na een daarvoor verkregen vergunning.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, stellen gedeputeerde staten het acceptabel geurhinderniveau voor bestaande bronnen op de richtwaarde vast, of zoveel lager als met toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar is.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, kunnen gedeputeerde staten gemotiveerd afwijken naar boven tot ten hoogste de grenswaarde en stellen zij het acceptabel geurhinderniveau in dat geval vast naar gelang de mate waarin de geurbelasting kan worden gereduceerd met toepassing van de beste beschikbare technieken.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, stellen gedeputeerde staten het acceptabel geurhinderniveau voor nieuwe bronnen op de streefwaarde vast, of zoveel lager als met toepassing van de beste beschikbare technieken haalbaar is.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, kunnen gedeputeerde staten gemotiveerd afwijken naar boven tot ten hoogste de richtwaarde en stellen zij het acceptabel geurhinderniveau in dat geval vast naar gelang de mate waarin de geurbelasting kan worden gereduceerd met toepassing van de beste beschikbare technieken.

6.2. De voor het geurhinderniveau bepalende bron is de bestaande 30 m hoge schoorsteen van de inrichting waarvoor reeds eerder een vergunning is verleend. Dit is een bestaande bron als bedoeld in artikel 1 van het provinciaal geurbeleid en derhalve is het acceptabel geurhinderniveau terecht vastgesteld conform artikel 5, eerste lid, van het provinciaal geurbeleid. [appellanten] kunnen verder niet worden gevolgd in hun standpunt dat het college niet mocht afwijken van de in artikel 9 van het provinciaal beleid opgenomen richtwaarde voor hinderlijke geur. Artikel 5, tweede lid, van het provinciaal geurbeleid biedt de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken van de richtwaarde naar boven tot ten hoogste de grenswaarde. Dat heeft het college gedaan bij 20 locaties, waaronder de op pagina 20 van het bestreden besluit vermelde adressen en bij de Stichting Hippisch Centrum Barneveld. Daartoe is in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet dat dit acceptabel is, omdat als gevolg van het beëindigen van de bulkproductie van vloeibare en droge flavours en het toepassen van nieuwe geurreducerende technieken in de inrichting het geurhinderniveau is verlaagd ten opzichte van de vergunde situatie. Voorts betreft het een beperkt aantal woningen en heeft het hippisch centrum een beperkt aantal bezoekers met een korte verblijfsduur. Gegeven deze motivering heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij het vaststellen van het acceptabel geurhinderniveau voor de 20 locaties met toepassing van artikel 5, tweede lid, van het provinciaal geurbeleid kon worden afgeweken van de in artikel 9 van dat beleid vastgestelde richtwaarde tot de grenswaarde. Voor zover [appellanten] in dit verband hebben verwezen naar de in het GMP4 neergelegde doelstelling, geldt dat daarin als normenstelsel voor geurhinder naar het provinciaal geurbeleid wordt verwezen. Derhalve hebben zij tevergeefs naar het GMP4 verwezen.

De beroepsgrond faalt.

7. [appellanten] betogen dat het college ten onrechte niet is ingegaan op zijn zienswijze dat het onduidelijk is of met de nieuwe in de inrichting te hanteren technieken een acceptabel geurhinderniveau kan worden bereikt. [appellanten] voeren voorts aan dat niet is gemotiveerd dat bij een geuremissie van 300*106 OUE/h een acceptabel geurhinderniveau is gewaarborgd en dat niet aannemelijk is dat die norm niet wordt overschreden.

7.1. Het college erkent dat de zienswijze abusievelijk niet is meegenomen in het bestreden besluit. Dit leidt echter, gelet op het hiernavolgende, niet tot een vernietiging van dat besluit. Daarin is vermeld dat in de inrichting hypochlorietscrubbing en ozondosering in combinatie met lozingspuntverhoging als geurimmissiebeperkende techniek wordt toegepast. Volgens het college is dat voor de specifieke afgasstroom van [vergunninghoudster] de beste beschikbare nageschakelde geurverwijderingstechniek. [appellanten] hebben dit niet bestreden.

Wat betreft de stelling van [appellanten] dat niet is gemotiveerd dat 300*106 OUE/h een acceptabel geurhinderniveau is, stelt het college dat het slechts heeft willen duidelijk maken dat een dergelijke geuremissie een acceptabel geurhinderniveau in de zin van het provinciaal geurbeleid is. Verder wijst het college er op dat vergunningvoorschrift 8.1.1 bepaalt dat de geuremissie ten gevolge van de naar de buitenlucht afgevoerde (gereinigde) lucht uit de 30 m hoge schoorsteen niet meer dan 282*106 OUE/h mag zijn.

Voor zover zij stellen dat het niet aannemelijk is dat de in voorschrift 8.1.1. gestelde norm niet zal worden overschreden, geldt dat in vergunningvoorschrift 8.5.1 een controlevoorschrift is opgenomen dat [vergunninghoudster] verplicht om jaarlijks vast te stellen of aan de norm voor geuremissie uit de schoorsteen wordt voldaan. Die controlemeting heeft voor het eerst in oktober 2012 plaatsgevonden. In het door [vergunninghoudster] overgelegde rapport van PRA Odournet van januari 2013 blijkt dat toen aan de norm uit de milieuvergunning werd voldaan. Indien blijkt dat niet langer aan de norm wordt voldaan, dan is dit een kwestie van handhaving.

De beroepsgrond faalt.

8. [appellanten] betogen verder dat uit het bestreden besluit blijkt dat de door de minister gestelde normering van geen ernstige hinder door stank met de verleende vergunning wordt overschreden. Volgens hen heeft het college niet gemotiveerd waarom daarvan kan worden afgeweken.

8.1. De door [appellanten] bedoelde normering is een landelijke doelstelling die is vastgelegd in het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP1) uit 1989 en opnieuw is opgenomen in het NMP2 uit 1993. Het college heeft toegelicht dat om deze doelstelling te bereiken het bevoegd gezag in individuele situaties het acceptabel geurhinderniveau dient vast te stellen volgens de hindersystematiek uit de Nederlandse emissierichtlijn lucht. Het college stelt dat het deze techniek heeft gevolgd en aan de hand van het provinciaal geurbeleid het acceptabel geurhinderniveau heeft bepaald. De aangevraagde geurbelasting voldoet daaraan, aldus het college. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Heijninck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

552.