Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1358

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201209974/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 10 september 2012 en 8 oktober 2012 heeft de staatssecretaris beslist op de verzoeken van [appellanten] om ieder van hen afzonderlijk een schadevergoeding toe te kennen. De staatssecretaris heeft drie verzoekers elk een schadevergoeding van € 4.500,00 toegekend en heeft de overige verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/201
JB 2013/148
JOM 2013/612
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209974/1/A2.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten],

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 10 september 2012 en 8 oktober 2012 heeft de staatssecretaris beslist op de verzoeken van [appellanten] om ieder van hen afzonderlijk een schadevergoeding toe te kennen. De staatssecretaris heeft drie verzoekers elk een schadevergoeding van € 4.500,00 toegekend en heeft de overige verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze besluiten hebben [appellanten] bezwaar gemaakt. Zij hebben in het bezwaarschrift de staatssecretaris verzocht in te stemmen met een rechtstreeks beroep bij de Afdeling als bedoeld in artikel 7:1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

De staatssecretaris heeft ingestemd met dat verzoek en het bezwaarschrift met toepassing van artikel 7:1a, vijfde lid, van de Awb doorgezonden naar de Afdeling ter behandeling als beroepschrift.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2013, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. A.Q.C. Tak, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D.B.G. van Duren, werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 27 december 2004 heeft de minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de aanwijzing voor het luchtvaartterrein Maastricht vastgesteld (hierna: het A-besluit).

Bij besluit van dezelfde datum heeft de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, in overeenstemming met de minister van Verkeer en Waterstaat, toepassing gegeven aan artikel 26, eerste lid, van de Luchtvaartwet in samenhang met artikel 37 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het luchtvaartterrein Maastricht.

Bij besluit van 24 augustus 2006 hebben de minister van Verkeer en Waterstaat en de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 februari 2008 in zaak nr. 200606822/1 heeft de Afdeling de daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, het besluit van 24 augustus 2006 geheel vernietigd en het A-besluit gedeeltelijk herroepen.

Bij besluit van 27 oktober 2011 hebben de minister en de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu opnieuw beslist op de bezwaren. Daarbij is het A-besluit gedeeltelijk gewijzigd.

Bij uitspraak van 27 juni 2012 in zaak nr. 201113128/1/R1 heeft de Afdeling beslist op de daartegen ingestelde beroepen. Daarbij zijn de minister dan wel de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu veroordeeld tot betaling van € 4.500,00 aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Camping Oriëntal B.V., als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade ten gevolge van de overschrijding van de redelijke termijn met vier jaar en ruim vijf maanden.

2. [appellanten] hebben bij 132 afzonderlijke brieven van 16 juli 2012 de staatssecretaris verzocht om ieder van hen afzonderlijk een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn in de onder 1. beschreven procedure.

De staatssecretaris heeft aan de afwijzing van 92 verzoeken ten grondslag gelegd dat de desbetreffende verzoekers geen procespartij in die procedure zijn geweest, omdat zij geen bezwaar hebben gemaakt tegen de aanwijzingsbesluiten van 27 december 2004. Voorts heeft de staatssecretaris 36 verzoeken afgewezen, omdat de desbetreffende verzoekers wel bezwaar hebben gemaakt tegen de aanwijzingsbesluiten, maar geen beroep hebben ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 24 augustus 2006. De staatssecretaris heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat uit artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) volgt dat geen aanspraak op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat als verzoeker geen procespartij is geweest en het geschil niet is voorgelegd aan de rechter. Tot slot heeft de staatssecretaris ten aanzien van vier verzoekers vastgesteld dat zij wel procespartij zijn geweest en het geschil hebben voorgelegd aan de rechter. Aangezien ter uitvoering van de onder 1. vermelde uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2012 verzoeker [Camping] al een schadevergoeding is betaald wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft de staatssecretaris haar verzoek afgewezen. De staatssecretaris heeft aan de andere drie verzoekers elk een schadevergoeding toegekend van € 4.500,00.

3. [appellanten] betogen - samengevat - dat de staatssecretaris zich bij afwijzing van de verzoeken om schadevergoeding ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verzoekers om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn procespartij moeten zijn geweest in de procedure over de aanwijzingsbesluiten en in die procedure hun geschil aan de rechter moeten hebben voorgelegd. Volgens [appellanten] kan dit niet uit het EVRM of jurisprudentie worden afgeleid. Zij voeren aan dat degenen die niet aan de procedure hebben deelgenomen, maar door de uitkomst daarvan wel worden geraakt, als slachtoffers als bedoeld in artikel 34 van het EVRM ook voor een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in aanmerking komen.

3.1. Artikel 34 van het EVRM bepaalt wie bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Hof) kan klagen over schending van EVRM-rechten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 november 2012 in zaak nr. 201200810/1/A2) bevat deze bepaling de afbakening van de kring van potentieel rechthebbenden ter zake van EVRM-rechten. Alleen partijen als bedoeld in deze bepaling kunnen EVRM-rechten hebben. Of zij die rechten hebben, dient aan de hand van de desbetreffende verdragsbepalingen te worden bepaald. De vraag of [appellanten] zich kunnen beroepen op het in artikel 6, eerste lid, opgenomen recht, dient derhalve aan de hand van die bepaling dient te worden vastgesteld. Uit de bewoordingen van artikel 6, eerste lid, volgt dat uitsluitend degene die ten behoeve van het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen zijn zaak aan een rechter heeft voorgelegd, recht heeft op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een rechter. Gelet hierop heeft de staatssecretaris terecht geconcludeerd dat voor zover verzoekers van de groep [appellanten] in de gevoerde procedure hun zaak niet aan een rechter hebben voorgelegd, zij reeds daarom geen recht hebben op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dat zij partij kunnen zijn als bedoeld in artikel 34 van het EVRM en door de uitkomst van de procedure worden geraakt, zoals [appellanten] stellen, maakt hen geen procespartij in die procedure en daarmee geen rechthebbende ter zake van artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

Het betoog faalt.

4. [appellanten] betogen voorts - samengevat - dat de staatssecretaris bij de toekenning van schadevergoeding aan een drietal verzoekers ten onrechte is uitgegaan van de in de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2012 vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn met vier jaar en ruim vijf maanden en van een vergoeding van € 500,00 per half jaar overschrijding. Zij voeren aan dat de door de staatssecretaris gehanteerde maatstaf van vier jaar en vijf maanden in strijd is met de jurisprudentie van het Hof. Volgens [appellanten] vangt de termijn aan met de aanvang van het geschil. In dit geval is volgens [appellanten] de termijn aangevangen met het ontbreken van een aanwijzingsbesluit voor de exploitatie van het luchtvaartterrein in de jaren zeventig. Zij stellen dat het geschil zeker twintig jaar heeft geduurd en voor hen al die tijd stress, ongemak en onzekerheid tot gevolg heeft gehad. [appellanten] voeren voorts aan dat de staatssecretaris bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding ten onrechte is uitgegaan van een gestandaardiseerd tarief van € 500,00 per half jaar termijnoverschrijding. Tot slot stellen zij dat in dit geval wegens de op het spel staande belangen de vergoeding moet worden verhoogd met € 2.000,00.

4.1. De Afdeling heeft in de uitspraak van 27 juni 2012 vastgesteld dat ten aanzien van [Camping] en de drie verzoekers aan wie in de thans voorliggende zaak schadevergoeding is toegekend, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden met vier jaar en ruim vijf maanden. Gelet hierop heeft de staatssecretaris bij de beoordeling van de verzoeken om schadevergoeding van die drie verzoekers terecht aansluiting gezocht bij de in die uitspraak vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn. De enkele stelling van [appellanten] dat deze termijn met het ontbreken van een aanwijzingsbesluit al is aangevangen in de jaren zeventig, geeft de Afdeling geen aanleiding hierover thans anders te oordelen. Daarbij is tevens betrokken dat [appellanten] hun verzoeken om schadevergoeding hebben gebaseerd op de onder 1. beschreven procedure over de aanwijzingsbesluiten van 27 december 2004.

Anders dan [appellanten] betogen, is de staatssecretaris bij de berekening van de hoogte van de schadevergoeding terecht, in overeenstemming met vaste rechtspraak, uitgegaan van het tarief van € 500,00 per half jaar. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit tarief onjuist is. Verder hebben [appellanten] geen gronden aangevoerd die leiden tot het oordeel dat de staatssecretaris de vergoeding had moeten verhogen met € 2.000,00.

Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

609.