Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1356

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201206718/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 april 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Gasselternijveenschemond" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206718/1/R4.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A] en [appellant B], wonend te Gasselternijveenschemond, gemeente Aa en Hunze,

en

de raad van de gemeente Aa en Hunze,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 april 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Gasselternijveenschemond" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2013, waar [appellanten], en de raad, vertegenwoordigd door J. ten Cate-Pekel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbenden], bijgestaan door mr. E. van Kampen, gehoord.

Overwegingen

1. Het beroep van [appellanten] richt zich tegen een ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd vastgesteld plandeel dat betrekking heeft op gronden ten westen van hun woning aan het [locatie] te Gasselternijveenschemond. Aan dit plandeel is de bestemming "Wonen -1" zonder bouwvlak toegekend.

Procedureel

2. [appellanten] voeren aan dat één van de eigenaren van het perceel aan het Vrijdomstreekje ongenummerd, Schrik, tijdens de behandeling van het plan door de raad ten onrechte de gelegenheid is geboden om in te spreken, nu de termijn voor aanmelding verstreken was.

2.1. Over de toelating van Schrik als inspreker bij de raadsvergadering van 11 april 2012 merkt de raad op dat hier in de praktijk welwillend mee wordt omgegaan, ook als insprekende burgers zich te laat hebben aangemeld. Ingevolge het ten tijde van de raadsvergadering geldende Reglement van Orde van 14 maart 2002 kunnen insprekers zich melden tot 12:00 uur op de dag voorafgaande aan de raadsvergadering. De manier waarop hier in de praktijk mee wordt omgegaan, is inmiddels vertaald in het op 11 juli 2012 vastgestelde Reglement van Orde, stelt de raad. Volgens de raad bestaat er geen wettelijke verplichting op basis waarvan de inspreker niet toegelaten mocht worden.

2.2. Ingevolge artikel 14, derde lid, van het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van 14 maart 2002 (hierna: het Reglement) meldt degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, dit aan de griffier uiterlijk voor 12:00 uur op de dag voorafgaande aan de raadsvergadering.

Ingevolge artikel 22, tweede lid, van het Reglement kan de voorzitter een spreker het woord ontzeggen, indien een spreker zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort.

De Afdeling overweegt dat uit deze bepalingen niet volgt, dat hetgeen een spreker die zich niet voor 12:00 uur op de dag voor de betreffende raadsvergadering heeft gemeld in die raadsvergadering naar voren brengt, door de raad niet bij de besluitvorming betrokken mag worden. Het betoog faalt.

3. Verder stellen [appellanten] dat het gewijzigd vastgestelde plan opnieuw ter inzage gelegd had moeten worden, zodat belanghebbenden bij de gemeente een reactie daarop kenbaar hadden kunnen maken.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gewijzigd vastgestelde plan overeenkomstig artikel 3.8 van de Wro op de juiste wijze is gepubliceerd en ter inzage gelegd. Belanghebbenden kunnen volgens de raad ingevolge artikel 8.2 van de Wro beroep instellen tegen een besluit omtrent het gewijzigd vaststellen van een bestemmingsplan.

3.2. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing en kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerpplan bij de raad naar voren brengen.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die over het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht en door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Gelet op deze bepalingen konden [appellanten] tegen de door hen als nadelig opgevatte wijziging van het vastgestelde plan ten opzichte van het ontwerp beroep instellen, maar geen zienswijze naar voren brengen bij de raad.

3.3. De Afdeling vat het betoog van [appellanten] aldus op dat de wijziging ten opzichte van het ontwerpplan te ingrijpend is en dat om die reden opnieuw een ontwerpplan ter inzage gelegd had moeten worden met de mogelijkheid om over de wijziging een zienswijze naar voren te brengen. De Afdeling overweegt daarover als volgt. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vast staat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met onder meer de bestreden wijziging. Gelet op de beperkte omvang van de gronden waaraan de bestemming "Wonen -1", zonder de aanduiding "bouwvlak", in plaats van "Agrarisch-Cultuurgrond" is toegekend ten opzichte van het plan als geheel, is de afwijking van het ontwerpplan naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. De wettelijke procedure, met inbegrip van de terinzagelegging van het ontwerpplan en de mogelijkheid hierover een zienswijze naar voren te brengen, behoefde niet opnieuw te worden doorlopen. Het betoog faalt.

Inhoudelijk

4. De gronden met de bestreden woonbestemming worden volgens [appellanten] sinds jaar en dag voor agrarische doeleinden gebruikt en waren dan ook terecht als zodanig bestemd in het ontwerpplan, omdat uitgangspunt voor het nieuwe plan het vastleggen van de feitelijke situatie is. Ongeveer acht jaar geleden constateerden [appellanten] echter dat op het perceel een woonbestemming zonder bouwmogelijkheid rustte. Uit navraag bij de gemeente bleek volgens [appellanten] dat de wijziging niet op enig besluit gebaseerd was en dat het waarschijnlijk om een tekenfout ging die in een nieuw plan gecorrigeerd zou worden. Schrik heeft volgens [appellanten] tijdens de raadsvergadering waarbij het plan uiteindelijk gewijzigd is vastgesteld voor verwarring gezorgd door te stellen dat hij de grond in 2007 heeft gekocht met een woonbestemming. Uit de kadastrale gegevens blijkt volgens [appellanten] dat de grond ingeschreven staat als "terrein (akkerbouw)". [appellanten] voeren aan dat de raad het betoog van Schrik ten onrechte voor waar heeft aangenomen en aan het perceel een woonbestemming zonder bouwvlak heeft toegekend, omdat de raad in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat op deze manier bestaande rechten van Schrik gerespecteerd werden.

4.1. De raad voert aan dat in het kader van de voorbereiding van het plan een algehele inventarisatie is uitgevoerd, waarbij is gebleken dat voor het gebruik van het onderhavige perceel een agrarische bestemming de meest geschikte bestemming is. Volgens de raad is er geen sprake van een gebruik voor wonen, overwegend omdat er geen bouwmogelijkheden zijn op het perceel. De raad stelt kennis te hebben genomen van de inspraakreactie en naar aanleiding daarvan te hebben besloten tot gewijzigde vaststelling van het plan overeenkomstig de bestemming voor het perceel in het voorgaande bestemmingsplan. Volgens de raad ligt dit het meest in de rede, omdat daarmee de rechten van Schrik niet worden beperkt.

4.2. Aan de gronden ten westen van [locatie] is de bestemming "Wonen -1" zonder bouwvlak toegekend. Het plan voorziet niet in de mogelijkheid hoofdgebouwen, aan- en uitbouwen of bijgebouwen te realiseren op de gronden gelegen ten westen van [locatie], nu aan die gronden geen bouwvlak is toegekend.

4.3. In het voorheen geldende plan, bestemmingsplan Gasselternijveenschemond 1996, hadden de gronden gelegen ten westen van [locatie] de bestemming "Woondoeleinden".

4.4. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het vorige plan bij wijze van vergissing een woonbestemming is toegekend aan de betreffende gronden. Voor zover [appellanten] betogen dat het vertrouwensbeginsel is geschonden omdat door een ambtenaar is toegezegd dat de woonbestemming in een nieuw plan zou komen te vervallen, wordt overwogen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat een zodanige toezegging is gedaan, nog daargelaten of een dergelijke ambtelijke toezegging zou kunnen worden toegerekend aan de raad. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft besloten het plan gewijzigd vast te stellen. Voor zover [appellanten] voorts betogen dat de raad bij het vaststellen van het plan de kadastrale omschrijving van het perceel van Schrik tot uitgangspunt had moeten nemen, oordeelt de Afdeling dat de raad hieraan terecht niet die betekenis heeft gehecht, nu in het kadaster uitsluitend eigendomsverhoudingen worden geregeld.

4.5. De raad heeft aan de gronden van Schrik een met het bestemmingsplan Gasselternijveenschemond 1996 vergelijkbare bestemming toegekend. De raad heeft dit besluit niet genomen op basis van onjuiste informatie over de op grond van dit vorige plan geldende bestemming, nu de stelling van Schrik dat hij de gronden in 2007 heeft aangekocht met een woonbestemming, juist is. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gronden agrarisch worden gebruikt. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij het bepalen van de meest geschikte bestemming aansluiting wordt gezocht bij de bestemming onder het vorige plan nu het plan conserverend van aard is. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellanten] niet aannemelijk hebben gemaakt dat hetgeen het plan ter plaatse mogelijk maakt hun woon- en leefklimaat ernstig aantast.

5. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Oudenaarden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

528-780.