Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1335

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201200494/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2011 heeft het college aan de Stichting Gildehuis omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een bijeenkomstengebouw (clubgebouw) en het veranderen van een bestaande schuilhut op het perceel Broekkant 13 te Lage Mierde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200494/1/A1.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden,

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

gemeente Reusel-De Mierden,

3. de stichting Stichting Gildehuis Lage Mierde, gevestigd te Lage Mierde, gemeente Reusel-De Mierden,

appellanten,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 december 2011 in zaak nrs. 11/3442 en 11/3443 in het geding tussen:

[appellant sub 2],

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2011 heeft het college aan de Stichting Gildehuis omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een bijeenkomstengebouw (clubgebouw) en het veranderen van een bestaande schuilhut op het perceel Broekkant 13 te Lage Mierde.

Bij besluit van 23 september 2011 heeft het college het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 8 april 2011 ingetrokken en opnieuw omgevingsvergunning verleend voor het desbetreffende bouwplan.

Bij uitspraak van 9 december 2011 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 september 2011 vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college, [appellant sub 2] en de Stichting Gildehuis hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2], de Stichting Gildehuis en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nog nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 10 mei 2012 heeft het college het door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 8 april 2011 opnieuw gegrond verklaard, dat besluit ingetrokken en aan de Stichting Gildehuis met verbetering van de motivering omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een bijeenkomstengebouw en het veranderen van een bestaande schuilhut op het perceel.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2012, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.J. IJdema, advocaat te Middelburg, [appellant sub 2], bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, werkzaam bij Milieu-adviesbureau Het Groene Schild, en de Stichting Gildehuis, vertegenwoordigd door [bestuurslid], zijn verschenen.

Na de zitting heeft [appellant sub 2] beroep ingesteld tegen het besluit van 10 mei 2012.

Met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling het vooronderzoek heropend.

[appellant sub 2], het college en de Stichting Gildehuis hebben nog nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met het beroep in zaak nr. 201112201/1/R3 behandeld op 20 februari 2013, waar het college, vertegenwoordigd door M. Verkooijen en N. Ansems, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. A.A.J. van Dijk, advocaat te Middelburg, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door Van Hoof, voornoemd, en de Stichting Gildehuis, vertegenwoordigd door [bestuurslid], zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening) draagt een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebrek.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, houdt het principe van zorgvuldig ruimtegebruik, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval in dat ingeval van vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken toestaat, behoudens ingeval in deze verordening anders is bepaald.

Artikel 11.11 bevat regels voor kleinschalige vrije-tijds-voorzieningen buiten bestaand stedelijk gebied. Ingevolge dit artikel kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de kernrandzone voorzien in de vestiging of uitbreiding van voorzieningen voor veldsporten, volkstuinen en andere kleinschalige vrije-tijdsvoorzieningen mits:

a. de beoogde ontwikkeling slechts beperkte bebouwing met zich brengt waarbij er geen sprake behoeft te zijn van een VAB-vestiging;

b. er sprake is van een beperkte publieksaantrekkende werking.

Ingevolge artikel 1.1, lid 16, wordt onder bestaand stedelijk gebied verstaan het gebied dat het bestaande ruimtebeslag van een kern bevat ten behoeve van een samenhangende ruimtelijke structuur van stedelijke functies.

2.2. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een clubgebouw ten behoeve van gezamenlijk gebruik voor gildeactiviteiten door de gilden Sint Sebastiaan en Sint Ambrosius. Voorts zullen op het perceel een schietbaan en berging worden gerealiseerd en zal de reeds aanwezige schuilhut worden verbouwd ten behoeve van de stichting Zeskamp. Nu [appellant sub 2] eigenaar is van een perceel dat direct grens aan het kadastraal perceel waarop het bouwplan zal worden gerealiseerd, is [appellant sub 2] belanghebbende bij het besluit.

2.3. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Lage Mierde '93". Het college heeft met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3º van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend.

2.4. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat afwijking van het bestemmingsplan in strijd is met artikel 11.11 van de Verordening en dat derhalve sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat het bouwplan niet gelegen is in een kernrandzone en dat het bouwplan niet slechts beperkte bebouwing als bedoeld in artikel 11.11 van de Verordening met zich brengt.

2.5. Het college betoogt dat de voorzieningenrechter, door te overwegen dat verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met de Verordening, heeft miskend dat het bouwplan geheel wordt verwezenlijkt binnen bestaand stedelijk gebied en artikel 11.11 van de Verordening derhalve niet van toepassing is.

2.5.1. Dit betoog faalt. Het college heeft zich, blijkens de daaraan ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing, in het besluit op bezwaar van 23 september 2011 op het standpunt gesteld dat de projectlocatie is gelegen buiten bestaand stedelijk gebied in de zin van de Verordening. Nu het college zich in beroep bij de rechtbank voorts uitdrukkelijk op het standpunt heeft gesteld dat artikel 11.11 van de Verordening van toepassing is en dit standpunt in beroep niet is betwist, mocht de rechtbank terecht in aanmerking nemen dat het bouwplan is gelegen buiten bestaand stedelijk gebied.

Het betoog van het college dat het bouwplan is gelegen in bestaand stedelijk gebied in de zin van de Verordening getuigt van een thans tegengestelde opvatting van het college. Nu het college zijn in het besluit van 23 september 2011 ingenomen standpunt heeft verlaten, is dat besluit onvoldoende gemotiveerd. Reeds hierom wordt geoordeeld dat de voorzieningenrechter het besluit van 23 september 2011 terecht, zij het op andere gronden, heeft vernietigd.

2.5.2. Bij besluit van 3 juli 2012 heeft de raad van de gemeente Reusel-De Mierden het bestemmingsplan "Uitbreiding sportpark Lage Mierde 2012" vastgesteld. Bij uitspraak van heden in zaak nr. 201112201/1/R3, heeft de Afdeling het door [appellant sub 2] tegen dat vaststellingsbesluit ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard, en het besluit vernietigd voor zover het betreft artikel 3, lid 3.3, onder b, eerste volzin van de planregels. De Afdeling heeft zelf in de zaak voorzien door een nieuw artikel 3, lid 3.3, onder b, eerste volzin vast te stellen en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit, voor zover dat is vernietigd. Het bestemmingsplan is daarmee in rechte onaantastbaar geworden. Niet in geschil is dat dit bestemmingsplan het bouwplan, waarop de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft, mogelijk maakt en het bouwplan thans zonder toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3º, van de Wabo kan worden gerealiseerd.

De Afdeling heeft in voormelde uitspraak van heden onder meer overwogen dat de raad zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het clubgebouw in het verlengde van de bestaande schuilhut in het plan is voorzien in bestaand stedelijk gebied als omschreven in de Verordening. Daartoe overweegt de Afdeling dat de strook grond waarop de bebouwing staat, op de kaart "Stedelijke ontwikkeling" van de Verordening als "bestaand stedelijk gebied; kernen in landelijk gebied" is aangegeven. Geen aanleiding wordt gezien om dienaangaande thans anders te oordelen. Nu, anders dan waarvan het college in zijn besluit van 23 september 2011 is uitgegaan, vast staat dat het bouwplan is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, is artikel 11.11, van de Verordening, dat ziet op niet-agrarische ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied, in dit geval niet van toepassing.

2.6. Gelet hierop wordt niet meer toegekomen aan de door het college en de Stichting Gildehuis aangevoerde betogen, dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan is gelegen binnen een kernrandzone en het bouwplan slechts beperkte bebouwing in de zin van artikel 11.11 van de Verordening meebrengt. De betogen falen derhalve.

2.7. Nu vaststaat dat het bouwplan is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, faalt eveneens het betoog van [appellant sub 2] dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.1, tweede lid, onder a, van de Verordening op grond waarvan is vereist dat, in geval van een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwblok waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken toestaat.

2.8. [appellant sub 2] betoogt voorts tevergeefs dat de voorzieningenrechter ten onrechte het gehele besluit op bezwaar van 23 september 2011 heeft vernietigd, ten gevolge waarvan de daarbij ingetrokken omgevingsvergunning van 8 april 2011 weer is herleefd. Nu de intrekking van het besluit van 8 april 2011 en de daarvoor in de plaats gestelde nieuwe omgevingsvergunning niet los van elkaar zijn te zien, bestaat geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter het besluit van 23 september 2011 slechts mocht vernietigen voor zover daarbij opnieuw omgevingsvergunning was verleend.

2.9. [appellant sub 2] betoogt verder dat de voorzieningenrechter het verzoek om vergoeding van de gemaakte proceskosten en betaalde griffierechten ten onrechte niet volledig heeft gehonoreerd. Hiertoe voert hij aan dat de voorzieningenrechter in verband met de gemaakte proceskosten ten onrechte geen punt heeft toegekend voor het indienen van een beroepschrift en dat het college ten onrechte niet is gelast het voor het instellen van beroep betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

2.9.1. De voorzieningenrechter heeft een proceskostenveroordeling ten laste van het college uitgesproken, waarbij hij één punt heeft toegekend voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift. Het verzoek om voorlopige voorziening is in het beroepschrift van 12 oktober 2011 vervat en is gebaseerd op dezelfde gronden, zonder dat het verzoek afzonderlijk is toegelicht. De voorzieningenrechter heeft gelet hierop in redelijkheid kunnen oordelen dat het indienen van het verzoek- en beroepschrift niet als twee afzonderlijke proceshandelingen kunnen worden aangemerkt. Geen grond bestaat derhalve voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft volstaan met toekenning van één punt voor het indienen van het verzoek- en het beroepschrift.

De voorzieningenrechter heeft voorts bepaald dat het college het door [appellant sub 2] betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 dient te vergoeden. De Afdeling gaat er vanuit dat dit bedrag het in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht betreft. Nu de voorzieningenrechter het door [appellant sub 2] ingestelde beroep gegrond heeft verklaard, had de voorzieningenrechter ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb aanleiding moeten zien te gelasten dat het door [appellant sub 2] betaalde griffierecht in verband met de behandeling van het beroep door het college wordt vergoed. Dat heeft de voorzieningenrechter niet onderkend.

Het betoog slaagt.

2.10. De hoger beroepen van het college en de Stichting Gildehuis zijn ongegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient wegens strijd met artikel 8:74, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd, voor zover deze niet inhoudt dat het betaalde griffierecht in verband met de behandeling van het beroep wordt vergoed door het college en voor zover daarbij is bepaald dat het college bij het nieuw te nemen besluit de overwegingen van de aangevallen uitspraak in acht dient te nemen. Doende hetgeen de voorzieningenrechter zou behoren te doen, zal de Afdeling gelasten dat het college aan [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt.

2.11. Bij besluit van 10 mei 2012 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24, van die wet, zoals die artikelen luidden ten tijde van belang, geacht eveneens onderwerp te zijn van het geding.

2.12. [appellant sub 2] betoogt tevergeefs dat het college ten onrechte het ontwerp van het besluit van 10 mei 2012 niet ter inzage heeft gelegd. In geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter staat het aan het college in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag. Nu geen nieuwe aanvraag is ingediend en in het bouwplan geen veranderingen zijn aangebracht, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college het ontwerpbesluit opnieuw ter inzage diende te leggen.

2.13. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.5.2. faalt het betoog van [appellant sub 2] dat het college ten onrechte aan het besluit van 10 mei 2012 ten grondslag heeft gelegd dat het bouwplan zal worden gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Nu de Afdeling in voormelde uitspraak van heden in de bestemmingsplanzaak heeft overwogen dat de raad op goede gronden uitsluitend het ten noorden van de sloot gelegen gedeelte van het terrein als behorend tot de groenblauwe mantel heeft aangemerkt, heeft [appellant sub 2] eveneens tevergeefs betoogd dat het bouwplan in de groenblauwe mantel is gesitueerd en de omgevingsvergunning op grond van artikel 6.3 van de Verordening regels moet stellen ter bescherming van de ecologische, landschappelijke en hydrologische waarden en kenmerken.

2.14. [appellant sub 2] betoogt voorts dat het college bij de verlening van de omgevingsvergunning ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het in de Verordening neergelegde principe van de zogeheten SER-ladder en dat het college gelet op de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten omgevingsvergunning voor het bouwplan te verlenen.

2.14.1. De door [appellant sub 2] tegen het bestemmingsplan aangevoerde gronden komen overeen met de tegen het besluit tot verlening van omgevingsvergunning aangevoerde gronden. Geen aanleiding wordt gezien over deze gronden thans anders te oordelen. Het betoog faalt.

2.15. Gelet op vorenstaande is het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 10 mei 2012 ongegrond.

2.16. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 december 2011 in zaak nrs. 11/3442 en 11/3443, voor zover de voorzieningenrechter daarbij niet heeft bepaald dat het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep aan [appellant sub 2] wordt vergoed en heeft bepaald dat het college bij het nieuw te nemen besluit de overwegingen van de aangevallen uitspraak in acht dient te nemen;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden aan [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 379,00 (zegge: driehonderdnegenenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep vergoedt;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 10 mei 2012, zonder kenmerk, ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Deen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

604.