Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1334

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201208428/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Hoven" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208428/1/R4.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Leiderdorp,

appellant,

en

de raad van de gemeente Leiderdorp,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Hoven" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2013, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door J.C. Borst en M. Vroonhof, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het beroep richt zich tegen een onderdeel van het plan dat gewijzigd is vastgesteld. Dit betreft het ten opzichte van het ontwerpplan laten vervallen van de aanduiding "onderdoorgang" voor een deel van de gronden ter plaatse van de hoofdentrees tot het appartementengebouw [locatie] te Leiderdorp. Deze aanpassing maakt een uitbreiding van de entrees van het gebouw mogelijk. Op gronden ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" is ingevolge artikel 11, lid 11.2.1, onder d, van de planregels tot een hoogte van 3 m geen gebouw mogelijk. [appellant] woont direct naast één van deze onderdoorgangen en zijn tuin grenst hier aan.

Procedureel

2. [appellant] voert aan dat de raad over de wijziging van het plan noch over het bouwplan van de VvE overleg met hem heeft gevoerd of ruimte voor inspraak heeft geboden, hetgeen in strijd is met de noodzakelijke weging van belangen.

2.1. De raad stelt zich op het standpunt dat ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op de voorbereiding van een bestemmingsplan van toepassing is en dat deze procedure op een juiste wijze is doorlopen.

2.2. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing en kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerpplan bij de raad naar voren brengen. Het voeren van overleg met mogelijke belanghebbenden maakt geen deel uit van de bestemmingsplanprocedure.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals dit luidde ten tijde van belang, en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die over het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht en door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Gelet op deze bepalingen kan [appellant] tegen de voor hem nadelige wijziging van het plan ten opzichte van het ontwerp beroep instellen, maar geen zienswijze naar voren brengen bij de raad.

2.3. Voor zover [appellant] betoogt dat de wijziging ten opzichte van het ontwerpplan te ingrijpend is en opnieuw de gelegenheid geboden had moeten worden over het ontwerp een zienswijze bij de raad naar voren te brengen, overweegt de Afdeling als volgt. De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vast staat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de wijziging waartegen het beroep is gericht er niet toe leidt dat het plan wezenlijk is veranderd en derhalve opnieuw als ontwerp ter inzage had moeten worden gelegd. Het betoog faalt.

3. Verder betoogt [appellant] dat hem ten onrechte geen informatie is verstrekt over de voorgenomen wijziging van het plan en hij doet daarbij een beroep op artikel 8 van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Door toeval kwam [appellant] er achter dat de VvE een zienswijze naar voren had gebracht en dat de raad het plan naar aanleiding daarvan zou gaan wijzigen, zo stelt hij.

3.1. Uit de Wro noch uit enig ander wettelijk voorschrift volgt volgens de raad een informatieplicht die noopt tot het afzonderlijk informeren van [appellant] over het plan. De raad merkt verder op dat [appellant] bekend was met het ontwerpplan, de daarover naar voren gebrachte zienswijzen en de Nota zienswijzen, nu hij tijdens de vergadering van de Commissie Ruimte van 19 juni 2012 over een ander onderdeel van het plan heeft ingesproken.

3.2. Ingevolge artikel 8 van de Wob verschaft het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, uit eigen beweging informatie over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering.

3.3. Ingevolge artikel 3.8, derde lid, van de Wro plaatsen burgemeester en wethouders de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg.

Ingevolge artikel 3:42, tweede lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten van een niet tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze.

3.4. Vast staat dat is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging van het plan. In de Wro, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan de raad in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van een voornemen om bij de vaststelling van het plan wijzigingen aan te brengen ten opzichte van het ontwerpplan, of dit ter inzage te leggen alvorens tot vaststelling van het plan over te gaan. Artikel 8 van de Wob doet hier niet aan af. Het betoog faalt.

4. De zienswijze van de VvE die heeft geleid tot wijziging van het plan is voorts volgens [appellant] mede ondertekend door [partij], terwijl hij geen lid is van het VvE-bestuur. Daardoor is de zienswijze niet rechtmatig naar voren gebracht en had de raad deze niet-ontvankelijk moeten verklaren, aldus [appellant]. Bovendien was het bestuur van de VvE volgens [appellant] niet bevoegd om een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen, omdat een besluit van de VvE over de uitbreiding van het gebouw ingevolge het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 1983 een gekwalificeerde meerderheid van stemmen vereist die er in dit geval niet is, aldus [appellant].

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ondertekening van de zienswijze door één bestuurslid van de VvE maakt dat deze rechtsgeldig is. De raad acht de bevoegdheid van het bestuur van de VvE tot het naar voren brengen van een zienswijze niet van belang voor de vraag of de aangebrachte wijziging planologisch aanvaardbaar is, nog afgezien van de vraag of het aan de raad is om te controleren of de VvE handelt op basis van een door de algemene ledenvergadering genomen besluit.

4.2. Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wro kan een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de raad naar voren brengen. De zienswijze van de VvE is ondertekend door een lid van het bestuur van de VvE, waardoor de raad ervan is uitgegaan dat hierin het standpunt van de VvE is verwoord. De raad is niet nagegaan of aan het naar voren brengen van de zienswijze geldige interne besluitvorming van de VvE ten grondslag lag en heeft de VvE evenmin in de gelegenheid gesteld een eventueel aan de zienswijze klevend gebrek te herstellen. Daargelaten de vraag of de raad bij de VvE navraag had moeten doen naar de interne besluitvorming alvorens de zienswijze bij de besluitvorming te betrekken, is de Afdeling van oordeel dat aan de door de raad aangenomen bevoegdheid van het bestuurslid van de VvE tot het naar voren brengen van de zienswijze in beroep niet kan worden afgedaan, nu de raad van de VvE geen verdere stukken heeft verlangd waaruit de bevoegdheid tot het naar voren brengen van een zienswijze namens de VvE zou blijken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2009 in zaak nr. 200900293/1/H2). Het betoog faalt.

Inhoudelijk

5. Door uitbreiding van de uitbouw zal volgens [appellant] het daglicht in zijn toch al slecht met licht toebedeelde voortuin verder worden beperkt. [appellant] stelt verder dat de uitbouw een ingesloten gevoel zal geven en consequenties heeft voor zijn woonbeleving.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de beperking van daglichttoetreding tot de woning door het uitbreiden van de entree verwaarloosbaar is, omdat de overkapping de daglichttoetreding al beperkt.

5.2. De woning en de voortuin van [appellant] grenzen direct aan de overkapping en de gronden waarop de uitbouw voor de nieuwe entree is voorzien. Volgens het schetsontwerp van Groenewegen Architecten- en Bouwadviesburo van 9 maart 2012 zal ter plaatse van de woning van [appellant] sprake zijn van een geringe lichtafname. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene uitbouw niettemin leidt tot een zodanige afname van daglicht ter plaatse van zijn woning en tuin dat de raad deze niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake zal zijn van een onevenredige afname van daglicht ter plaatse van de woning van [appellant]. Het betoog faalt.

6. Verder heeft de uitbreiding van de uitbouw volgens [appellant] tot gevolg dat hij een deel van zijn tuin niet zal kunnen beplanten, omdat hij een strook vrij moet laten om de ramen van de uitbouw te kunnen laten reinigen. Beplanting biedt volgens [appellant] juist bescherming tegen inkijk en waarborgt op die manier zijn privacy. Het plan beperkt de gebruiksmogelijkheden van de tuin in te grote mate, aldus [appellant].

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan nauwelijks invloed heeft op de mogelijkheden voor de inrichting van de tuin, omdat volledige beplanting daarvan mogelijk blijft.

6.2. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor tuinen. In het betoog van [appellant] dat volledige beplanting van de tuin feitelijk onmogelijk is na realisatie van de door het plan mogelijk gemaakte uitbouw, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze uitbouw niet leidt tot onaanvaardbare beperkingen voor het gebruik van de tuin.

7. De uitbreiding van de entree is volgens [appellant] deels voorzien op een deel van zijn tuin, waardoor zijn eigendomsrechten niet worden gerespecteerd. De VvE kan de uitbreiding dan ook niet realiseren, aldus [appellant].

7.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 31 oktober 2012 in zaak nr. 201103853/1/R2 (www.raadvanstate.nl) overweegt de Afdeling dat in het kader van een bestemmingsplanprocedure ter beoordeling staat of een plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en niet in strijd is met het recht. Voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling en de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in de weg staat, is slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. De aanwezigheid van zakelijke rechten is in beginsel niet doorslaggevend. Dit is slechts anders indien op voorhand in redelijkheid moet worden aangenomen dat een evidente belemmering aan de verwezenlijking van het plan binnen de planperiode in de weg staat en tevens vaststaat dat niet binnen de planperiode tot opheffing van het zakelijk recht kan worden overgegaan.

7.2. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het deel van de gronden met de bestemming "Wonen" die hij gebruikt als tuin en waarop de uitbouw voor de entree is voorzien, moet worden gerekend tot het privégedeelte van het hem toebehorende appartementsrecht. Naar het oordeel van de Afdeling geeft het aangevoerde over het appartementsrecht dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, waarvan op voorhand in redelijkheid moet worden aangenomen dat die in de weg staat aan de verwezenlijking van het bestreden plandeel binnen de planperiode. Dit betoog faalt.

8. [appellant] voert voorts aan dat de ramen in de beoogde nieuwe entreeruimte direct grenzen aan zijn tuin of zelfs in zijn tuin komen als hij zou moeten toestaan dat de uitbouw de erfgrens overschrijdt, hetgeen in strijd is met het burenrecht. Het leidt tot meer directe inkijk en daarmee tot aantasting van zijn privacy en woongenot.

8.1. Naar de mening van de raad brengt het plan nauwelijks verandering in de mate van inkijk in de woning. De raad wijst er op dat in het kader van de te verlenen omgevingsvergunning kan worden beoordeeld of er aanleiding is om nadere eisen te stellen, waarbij gedacht kan worden aan het gebruik van ondoorzichtig glas in de zijwanden.

8.2. Ingevolge artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is het, tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.

Ingevolge artikel 5:51 van het BW mogen in muren, staande binnen de in het vorige artikel aangegeven afstand, steeds lichtopeningen worden gemaakt, mits zij van vaststaande en ondoorzichtige vensters worden voorzien.

8.3. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 7.1. is overwogen, ziet de Afdeling zich ook in dit kader gesteld voor de vraag of sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, waarvan op voorhand in redelijkheid moet worden aangenomen dat die aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode in de weg staat. Vast staat dat de zijramen van de uitbouw die het plan mogelijk maakt zich binnen twee meter van de tuin van [appellant] bevinden en rechtstreeks uitzicht geven op die tuin en in het appartement van [appellant]. In het schetsontwerp van 9 maart 2012 zijn deze ramen voorzien van ondoorzichtig glas. Hieruit blijkt dat een uitvoering van het plan mogelijk is waarbij zich geen strijd met artikel 5:50 van het BW voordoet, en gelet hierop is van een evidente belemmering waarvan op voorhand in redelijkheid moet worden aangenomen dat die aan de verwezenlijking van het plan binnen de planperiode in de weg staat in zoverre dan ook geen sprake. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de voorziene uitbouw leidt tot een zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat op het perceel van [appellant] dat de raad deze niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten.

9. Verder wijst [appellant] er op dat er een recht van overpad ten gunste van de gemeente geldt voor een openbaar voetpad onder de onderdoorgang, waardoor bebouwing van de onderdoorgang privaatrechtelijk niet mogelijk is.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het openbare voetpad door de uitbreiding van de entree niet smaller wordt. De aanduiding "onderdoorgang" op de verbeelding dient er toe om de vrije doorgang ter plaatse te garanderen en na de beperkte uitbreiding van de entree blijft er nog voldoende ruimte over voor het voetpad. De uitbreidingsmogelijkheid leidt volgens de raad niet tot het teniet gaan van de erfdienstbaarheid van voetpad.

9.2. Het bedoelde openbare voetpad is ter plaatse van de onderdoorgang bij het appartementencomplex Zomerkade bestemd als "onderdoorgang" bij de bestemming "Wonen". Ingevolge artikel 11, lid 11.2.1, onder d, van de planregels mogen ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" tot een hoogte van 3 m geen gebouwen worden gebouwd. Mede gelet op deze bepaling is de Afdeling van oordeel dat de raad er in redelijkheid van heeft kunnen uitgaan dat de mogelijke uitbouw er niet toe leidt dat de vrije doorgang ter plaatse niet langer is gewaarborgd. Het betoog faalt.

10. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Oudenaarden

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

528-780.