Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201210429/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Ootmarsum Overige Gebieden" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210429/1/R1.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Ootmarsum, gemeente Dinkelland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Dinkelland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Ootmarsum Overige Gebieden" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2013, waar de raad, vertegenwoordigd door ing. S.C. van der Spek, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Het bestemmingsplan heeft voornamelijk betrekking op de bebouwde kom van Ootmarsum. Het uitgangspunt voor het plan is het behoud en waar mogelijk het versterken van de bestaande ruimtelijke en functionele structuur van Ootmarsum, in combinatie met het behoud van de cultuurhistorische en archeologische waarden.

2. [appellant] kan zich niet verenigen met de grootte van het bouwvlak toegekend aan zijn perceel [locatie]. Een bouwvlak ter grootte van 14 m bij 21 m zou volgens hem redelijk zijn, nu daarvoor vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen beletselen zijn.

2.1. De raad stelt dat het plan conserverend van aard is en dat behoudend wordt omgegaan met ook kleinschalige uitbreidingsmogelijkheden om de gewenste openheid te behouden. Verder is er geen concreet bouwplan van [appellant] bekend dat zou nopen tot het toekennen van een groter bouwvlak dan thans in het plan is voorzien. De raad heeft ter zitting toegelicht dat bij toekenning van het bouwvlak is aangesloten bij de huidige bebouwing, waarbij de breedte van de voorgevel maatgevend is.

Voorts zou volgens de raad een breder bouwvlak geen toegevoegde waarde hebben, nu in artikel 16, lid 16.2.2, onder c, van de planregels is bepaald dat voor een hoofdgebouw een afstand van 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens dient te worden aangehouden. Een breder bouwvlak biedt aldus niet de gewenste uitbreidingsmogelijkheden, nu het bouwvlak reeds op ongeveer 3 m en 4 m afstand van de zijdelingse perceelsgrenzen is gesitueerd.

Voorts stelt de raad dat [appellant] niet wordt weerhouden om uitbreidingen aan zijn woning te realiseren, zolang deze uitbreidingen binnen het bepaalde in artikel 16, lid 16.2.3, van de planregels vallen.

2.2. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie] de bestemming "Wonen" toegekend met een bouwvlak van ongeveer 8 m bij 15 m. Het bouwvlak is gesitueerd op ongeveer 3 m afstand van de westelijke perceelsgrens en op ongeveer 3,5 m van de oostelijke perceelsgrens.

Ingevolge artikel 16, lid 16.2.2, onder a, b en c, van de planregels gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen de volgende regels:

a. een hoofdgebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

b. de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw mag ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte (m)" aangegeven hoogte bedragen;

c. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens moet ten minste 3 m bedragen, tenzij de bestaande afstand tot de perceelsgrens minder is, in welk geval die afstand aangehouden dient te worden.

2.3. De Afdeling overweegt dat de enkele wens van [appellant] voor een groter bouwvlak geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad bij het bepalen van de afmetingen van het bouwvlak niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de grootte van de bestaande woning, temeer nu het plan conserverend van aard is en [appellant] geen concreet bouwvoornemen heeft. De systematiek waarbij de breedte van de voorgevel maatgevend is komt de Afdeling niet onredelijk voor. Voorts heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het waarborgen van de gewenste openheid dan aan het belang van [appellant] om een groter bouwvlak toegekend te krijgen.

Ook wordt in aanmerking genomen dat een breder bouwvlak, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 16, lid 16.2.2, onder c, van de planregels, slechts 0,5 m extra aan bouwmogelijkheden voor het hoofdgebouw aan de oostelijke zijde oplevert. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat het plan, mits wordt voldaan aan artikel 16, lid 16.2.2, nog mogelijkheden biedt om de woning in de diepte uit te breiden.

3. [appellant] kan zich voorts niet verenigen met het bepaalde in artikel 16, lid 16.2.3, onder d, van de planregels, inhoudende dat bij percelen groter dan 400 m² de gezamenlijke bouwoppervlakte van de bijbehorende bouwwerken maximaal 100 m² mag bedragen. In dit verband voert hij aan dat zijn perceel is gelegen aan de rand van een zeer dichtbebouwd gebied. Gelet op zijn kavelgrootte van 785 m² acht [appellant] 196 m² aan bebouwing voor bijgebouwen redelijk, nu dit neerkomt op 25% van het perceeloppervlak. Volgens [appellant] heeft de planwetgever beoogd om in ieder geval 100 m² toe te staan bij elke 400 m² oppervlakte aan woonbestemming.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het geval percelen groter zijn dan 400 m², maximaal 100 m² aan bijbehorende bouwwerken mag worden opgericht. Niet is beoogd dat voor elke 400 m² 100 m² aan bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht. Voorts is sprake van een verruiming van de mogelijkheden om bijbehorende bouwwerken op te richten ten opzichte van het vorige plan.

3.2. Ingevolge artikel 16, lid 16.2.3, onder a, b, d en g, van de planregels gelden voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken de volgende regels:

a. bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;

b. de bijbehorende bouwwerken dienen ten minste 3 m achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan te worden gebouwd;

d. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag, mits het bebouwingspercentage van het perceel maximaal 50 bedraagt, voor zover gelegen buiten het bouwvlak:

1. ten hoogste 85 m² bedragen;

2. bij percelen groter dan 400 m² maximaal 100 m² bedragen;

3. tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt dan onder 1 of 2 is gesteld, dan mag de bestaande oppervlakte ten hoogste 350 m² bedragen; g. bij vrijstaande woningen moet aan één zijde een afstand van ten minste 2 m tot de zijdelingse perceelsgrens in acht worden genomen.

3.3. Ingevolge de plankaart van het vorige bestemmingsplan "Ootmarsum herziening 1978-1" was aan het perceel [locatie] de bestemming "Woningbouw EO" toegekend.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften in samenhang bezien met de plankaart van het bestemmingsplan "Ootmarsum herziening 1978-1" was op gronden met de bestemming "Woningbouw EO" op het aangegeven bebouwingsoppervlak van het perceel per woning uitsluitend één vrijstaand bijgebouw toegestaan met een maximumoppervlakte van 20 m² en een maximumgoothoogte van 3 m.

3.4. De Afdeling stelt vast dat het plan een maximumoppervlakte van 100 m² aan bijbehorende bouwwerken toestaat bij percelen groter dan 400 m². In hetgeen [appellant] heeft betoogd ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de planwetgever heeft beoogd om meer dan 100 m² aan bijbehorende bouwwerken toe te staan bij percelen groter dan 400 m².

De enkele betogen dat de oppervlakte van het perceel bijna twee maal zo groot is als de in de planregels genoemde 400 m², en [appellant] een logische verdeling van bebouwing op zijn perceel wenst, bieden geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een maximumoppervlakte van 100 m² voor bijbehorende bouwwerken mogelijk heeft kunnen maken bij percelen groter dan 400 m². Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan een verruiming aan mogelijkheden biedt om bijbehorende bouwwerken op te richten, zowel ten opzichte van het vorige bestemmingsplan als ten opzichte van de bestaande situatie waarbij ongeveer 90 m² aan bijgebouwen aanwezig is. Voorts is niet gebleken dat [appellant] een concreet bouwvoornemen heeft waarmee de raad rekening had moeten houden.

4. [appellant] verzet zich tegen het bepaalde in artikel 16, lid 16.2.3, onder g, van de planregels inhoudende dat bij vrijstaande woningen wat betreft bijbehorende bouwwerken aan één zijde een afstand van ten minste 2 m tot de zijdelingse perceelsgrens in acht moet worden genomen. Volgens [appellant] gaat de door de raad gewenste openheid niet teniet bij een volledige benutting van zijn perceel.

4.1. De raad betoogt dat artikel 16, lid 16.2.3, onder g, van de planregels reeds de mogelijkheid biedt om bijbehorende bouwwerken aan één zijde tot op de perceelsgrens te bouwen. Voorts acht de raad volledige benutting van het perceel en verdere verstening onwenselijk. Bovendien heeft [appellant] geen concreet bouwplan overgelegd op grond waarvan de raad kan toetsen of de gewenste openheid voldoende aanwezig is.

4.2. De Afdeling overweegt dat de raad aan het behoud van openheid en het voorkomen van verdere verstening van percelen in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen dan aan het belang van [appellant] om aan beide zijden van zijn perceel bijbehorende bouwwerken tot op de perceelsgrens te kunnen bouwen. Voorts is niet gebleken dat [appellant] een concreet bouwvoornemen heeft waarmee de raad rekening had moeten houden.

5. [appellant] heeft zich ten aanzien van zijn beroep voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van zijn zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze.

[appellant] heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

6. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjakovi?, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Bošnjakovi?

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

410-763.