Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1330

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201300390/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:6946, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 maart 2011 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/276 met annotatie van P.J. Stolk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300390/1/A3.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Schiedam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 november 2012 in zaak nr. 11/4369 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam.

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2011 heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van documenten afgewezen.

Bij besluit van 1 september 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2013, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.M. Stevens, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

2. Bij brief van 8 december 2010 heeft de gemeente Schiedam [appellant] meegedeeld dat hij is opgenomen in het bestand van beschikbare stembureauleden en hem verzocht mee te delen of hij bereid is bij de aanstaande verkiezing van de leden van de provinciale staten van Zuid-Holland op 2 maart 2011 te fungeren als voorzitter, lid of reservelid van een stembureau. [appellant] heeft de gemeente bericht daartoe bereid te zijn. Bij brief van 27 januari 2011 heeft de gemeente [appellant] meegedeeld dat hij voor voormelde verkiezingen niet voor een stembureau is ingedeeld.

Bij brief van 31 januari 2011 heeft [appellant] het college verzocht om openbaarmaking van de voorletterinitialen, geslachtsnamen en woonadressen van de in het bestand van de gemeente opgenomen personen, die op een met de brief van 8 december 2010 vergelijkbare wijze zijn verzocht te berichten of zij beschikbaar zijn voor een functie bij een stembureau binnen de gemeente voor voormelde verkiezingen.

3. Bij het besluit van 10 maart 2011 heeft het college het verzoek afgewezen krachtens artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Daartoe heeft het zich op het standpunt gesteld dat de in het bestand opgenomen personen niet hebben ingestemd met openbaarmaking van hun gegevens en de openbaarmaking ervan vooraf evenmin konden veronderstellen. In het besluit van 1 september 2011 heeft het college zich daarnaast op het standpunt gesteld dat verstrekking van de gevraagde gegevens niet bijdraagt aan een effectieve publieke controle, nu de Kieswet geen eisen stelt aan stembureauleden dan wel aan personen die zich voor een functie bij een stembureau beschikbaar hebben gesteld.

4. De rechtbank heeft overwogen dat het college terecht heeft geweigerd de door [appellant] gevraagde gegevens openbaar te maken, omdat verstrekking daarvan een directe inbreuk betekent op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de enkele omstandigheid dat de in het bestand opgenomen personen door het zich beschikbaar stellen als lid van een stembureau bij verkiezingen zich in de openbaarheid hebben begeven, niet met zich brengt dat zij daarbij tevens hun persoonsgegevens die zij in het kader van die beschikbaarstelling hebben verstrekt, aan de openbaarheid prijsgeven. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond en overweegt zij dat de overige gronden geen bespreking behoeven.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank haar oordeel niet deugdelijk heeft gemotiveerd en ten onrechte niet is ingegaan op de overige door hem aangevoerde gronden. Die gronden zijn gericht tegen het standpunt van het college dat verstrekking van de gevraagde gegevens niet bijdraagt aan een effectieve publieke controle. Volgens [appellant] biedt de Wob geen grondslag om openbaarmaking van stukken om die reden te weigeren. Voor zover dat wel het geval is, meent hij dat verstrekking van de gevraagde gegevens wel degelijk kan bijdragen aan publieke controle nu leden van een stembureau een openbaar ambt vervullen.

5.1. Niet in geschil is dat het verzoek van [appellant] een verzoek in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Wob is. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 16 februari 2005 in zaak nr. 200403569/1), dient het recht op openbaarmaking ingevolge de Wob uitsluitend het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, welk belang de Wob vooronderstelt. In het licht hiervan betoogt [appellant] niet zonder grond dat het college dit niet heeft onderkend voor zover het zich op het standpunt heeft gesteld dat openbaarmaking van de gevraagde gegevens reeds geweigerd mocht worden, omdat dit niet bijdraagt aan een effectieve publieke controle. Dit is evenwel geen reden om de aangevallen uitspraak te vernietigen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat niet valt in te zien dat de in het bestand opgenomen personen door zich beschikbaar te stellen ter benoeming als lid van een stembureau hun persoonsgegevens die zij in het kader daarvan hebben verstrekt, aan de openbaarheid hebben prijsgegeven. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de in het bestand opgenomen personen zwaarder weegt dan het openbaarheidsbelang en derhalve verstrekking van de voorletterinitialen, geslachtsnamen en woonadressen van evenbedoelde personen krachtens artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob mocht weigeren. Anders dan [appellant] betoogt, is het oordeel van de rechtbank op dit punt niet ondeugdelijk gemotiveerd.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

434-748.