Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1323

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201211099/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:5786, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 11 januari 2012 hebben [appellant A] en [appellant B] de hoofdofficier van justitie verzocht om een afschrift van de stukken die het openbaar ministerie naar de reclassering heeft verzonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211099/1/A3.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Maarssen,

gemeente Stichtse Vecht,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 oktober 2012 in zaak nr. 12/1992 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Alkmaar.

Procesverloop

Bij brief van 11 januari 2012 hebben [appellant A] en [appellant B] de hoofdofficier van justitie verzocht om een afschrift van de stukken die het openbaar ministerie naar de reclassering heeft verzonden.

Bij brief van 8 februari 2012 heeft de officier van justitie van het arrondissementsparket Alkmaar aan [appellant A] en [appellant B] afschriften van twee ‘aanvraagformulieren reclasseringsadvies’ verstrekt.

Bij brief van 16 februari 2012 hebben [appellant A] en [appellant B] bij de hoofdofficier van justitie bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op hun verzoek van 11 januari 2012.

Bij brief van 23 maart 2012 hebben [appellant A] en [appellant B] de hoofdofficier van justitie in gebreke gesteld.

Bij brief van 7 mei 2012 hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het gemaakte bezwaar.

Bij uitspraak van 11 oktober 2012 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

De minister van Veiligheid en Justitie heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en [appellant B] hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2013, waar [appellant A] en [appellant B] zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

Ingevolge artikel 4:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, kan het beroepschrift, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e, dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij het beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft overwogen dat zij het beroep, gelet op het verhandelde ter zitting, opvat als gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het door [appellant A] en [appellant B] gedane verzoek. Naar haar oordeel is met de brief van 8 februari 2012 op dat verzoek beslist. Dat met die beslissing niet geheel tegemoet is gekomen aan het verzoek van [appellant A] en [appellant B] en deze beslissing bij brief van 6 juli 2012 voorzien is van een nadere motivering, doet daar volgens de rechtbank niet aan af. Nu het bestuursorgaan derhalve niet in gebreke was tijdig een besluit te nemen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb, kon geen beroep worden ingesteld. Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk, aldus de rechtbank.

3. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat met de brief van 8 februari 2012 een besluit op hun verzoek is genomen. Daartoe voeren zij aan dat de brief niet door of namens de hoofdofficier van justitie is verzonden, niet is ondertekend, de genoemde aanvraagformulieren niet waren bijgevoegd en ook niet duidelijk is gemaakt dat deze deel uitmaken van de aan de reclassering toegezonden stukken.

3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat met de brief van 8 februari 2012 een beslissing op het verzoek is genomen. Hiertoe is van belang dat in de brief duidelijk wordt gerefereerd aan het verzoek van 11 januari 2012 en de naar aanleiding daarvan gevoerde correspondentie per e-mail tussen [appellant A] en een medewerker bij het openbaar ministerie over de strekking van het verzoek. In de omstandigheid dat met de brief, naar [appellant A] en [appellant B] betogen, een gebrekkige reactie op het verzoek is gegeven, heeft de rechtbank terecht geen reden voor een andersluidend oordeel gezien. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 april 2013 in zaak nr. 201200753/1/A3; www.raadvanstate.nl), eist artikel 4:13 van de Awb uitsluitend dat binnen de in het eerste lid van die bepaling bedoelde termijn een besluit wordt genomen. De beoordeling of een besluit is genomen, staat los van de beoordeling van de juistheid van het genomen besluit. Het betoog dat de in de brief van 8 februari 2012 vervatte beslissing - zowel in formeel als in materieel opzicht - gebrekkig is, hadden [appellant A] en [appellant B] kunnen aanvoeren in een daartegen te maken inhoudelijk bezwaar.

Nu het besluit van 8 februari 2012 tijdig binnen de wettelijke beslistermijn is genomen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestuursorgaan niet in gebreke was tijdig een besluit te nemen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb.

Het betoog faalt.

4. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte hun beroep uitsluitend heeft opgevat als gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek. Daartoe voeren zij aan dat zij ter zitting bij de rechtbank geenszins hun standpunt dat het beroep primair is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het gemaakte bezwaar, hebben prijsgegeven.

4.1. Het door [appellant A] en [appellant B] op 16 februari 2012 bij de hoofdofficier van justitie gemaakte bezwaar is gericht tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek van 11 januari 2012. Sinds de inwerkingtreding van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen op 1 oktober 2009 volgt uit artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Awb dat tegen het niet tijdig beslissen alleen rechtstreeks beroep bij de rechtbank mogelijk is. Het bestuursorgaan kon derhalve niet in gebreke zijn tijdig een beslissing op het gemaakte bezwaar te nemen. Het betoog kan reeds daarom niet leiden tot het beoogde doel. Voor zover [appellant A] en [appellant B] ter zitting van de Afdeling hebben aangevoerd dat de rechtbank in dat geval had moeten oordelen dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift naar haar ter behandeling als beroepschrift had moeten doorzenden, geldt dat zij in dat betoog evenmin worden gevolgd. Zoals hiervoor onder 3.1. is overwogen, was ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift immers reeds op het verzoek beslist.

5. Hetgeen [appellant A] en [appellant B] overigens in hun hogerberoepschrift hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking. Het aangevoerde kan reeds niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden, omdat het is gericht tegen een door de rechtbank ten overvloede gegeven overweging die niet aan de beslissing van die uitspraak ten grondslag is gelegd.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

434-748.