Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1317

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201210195/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2012 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) voor een chauffeurspas van Air Cargo Netherlands te Schiphol afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210195/1/A3.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2012 in zaak nrs. 12/4030 en 12/2427 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2012 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) voor een chauffeurspas van Air Cargo Netherlands te Schiphol afgewezen.

Bij besluit van 3 mei 2012 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 september 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2013, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. T.J. Sterkenburg, werkzaam bij het ministerie, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een VOG een verklaring van de minister van Veiligheid en Justitie dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan het doel waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van de VOG zijn de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP & IVB 2011 (Stcrt. 2011, nr. 12842).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de minister ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: JDS). Wanneer de aanvrager in het JDS voorkomt, wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd, indien aan het objectieve criterium wordt voldaan.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang van de aanvrager bij de afgifte van de VOG zwaarder weegt dan dat van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico. In dat geval wordt de VOG afgegeven, hoewel aan het objectieve criterium wordt voldaan.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn: de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. In het geval dat de minister na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

2. De staatssecretaris heeft aan de handhaving van de afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd dat in het JDS op naam van [appellant] drie justitiële gegevens zijn geregistreerd. Het betreft allereerst een veroordeling bij vonnis van de politierechter van Amsterdam van 22 april 2009 wegens het rijden onder invloed tot een geldboete van € 850,00 subsidiair zeventien dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zeven maanden met een proeftijd van twee jaren. Het betreft daarnaast een dagvaarding wegens een verdenking van het verlaten van een plaats na een aanrijding, waarvoor [appellant] is veroordeeld tot een geldboete van € 350,00. Voorts is [appellant] bij strafbeschikking van 6 oktober 2011 een geldboete van € 250,00 opgelegd wegens het overschrijden van de maximumsnelheid.

3. [appellant] is in hoger beroep niet opgekomen tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat hij met de staatssecretaris van oordeel is dat aan het objectieve criterium is voldaan.

4. [appellant] bestrijdt het oordeel van de voorzieningenrechter dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het subjectieve criterium geen aanleiding geeft om tot afgifte van een VOG over te gaan. Volgens hem heeft de voorzieningenrechter onvoldoende rekening gehouden met het feit dat hij voor het rijden onder invloed en het overschrijden van de maximumsnelheid relatief lichte straffen heeft gekregen, dat hij een Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer (hierna: EMA) met goed gevolg heeft afgelegd en dat hij zich tot op heden niet meer schuldig heeft gemaakt aan dergelijke delicten, waardoor geen gevaar voor recidive bestaat. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris voorbij mocht gaan aan de omstandigheden waaronder de delicten het verlaten van een plaats na een aanrijding en het overschrijden van de maximumsnelheid zijn begaan, aldus [appellant].

4.1. De voorzieningenrechter heeft met juistheid vastgesteld dat de staatssecretaris de wijze waarop de door [appellant] gepleegde feiten strafrechtelijk zijn afgedaan bij de besluitvorming heeft betrokken. De staatssecretaris heeft het rijden onder invloed door [appellant], gelet op de bij het vonnis van 22 april 2009 opgelegde straffen, niet als licht vergrijp gekwalificeerd. De staatssecretaris heeft de door [appellant] gepleegde snelheidsovertreding evenmin als een licht vergrijp aangemerkt, nu de maximumsnelheid met 30 kilometer per uur of meer is overschreden. De staatssecretaris heeft in ogenschouw genomen dat [appellant] het verlaten van de plaats na aanrijding wel licht is aangerekend, maar heeft onvoldoende grond aanwezig geacht om dit in zijn voordeel mee te wegen. De voorzieningenrechter heeft evenzeer met juistheid vastgesteld dat de staatssecretaris in de besluitvorming heeft betrokken dat [appellant] de EMA-cursus met goed gevolg heeft afgelegd. De staatssecretaris heeft deze omstandigheid evenwel evenmin in het voordeel van [appellant] meegewogen en daartoe het beperkte tijdsverloop sinds het begaan van de delicten van belang geacht.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door [appellant] aangevoerde omstandigheden onvoldoende gewicht in de schaal leggen, nu hij meer relevante justitiële gegevens op zijn naam heeft staan en tussen de datum van het laatste relevante justitiële gegeven en de datum van beoordeling een beperkt tijdsverloop ligt. Hetgeen [appellant] hiertegen in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt vrijwel een herhaling van hetgeen hij reeds in beroep heeft aangevoerd en waarop de voorzieningenrechter gemotiveerd is ingegaan. In het aangevoerde zijn geen gronden gelegen om het oordeel van de voorzieningenrechter onjuist te achten.

De voorzieningenrechter heeft voorts met juistheid overwogen dat de staatssecretaris dient uit te gaan van de justitiële gegevens uit het JDS, dat hij daarbij ervan mag uitgaan dat de strafrechter al rekening heeft gehouden met de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd en dat hij daarin geen zelfstandige afweging behoeft te maken. De omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn begaan, zijn alleen relevant als de staatssecretaris niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel bestaat of de VOG kan worden afgegeven. In het licht van het vorenstaande heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat dit hier niet het geval is.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

434-748.