Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA1307

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
201208567/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2011 heeft de staatssecretaris aan [appellant] een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgegeven voor de functie van buschauffeur bij HTM Specials te Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208567/1/A3.

Datum uitspraak: 29 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 juli 2012 in zaak nr. 12/763 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2011 heeft de staatssecretaris aan [appellant] een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgegeven voor de functie van buschauffeur bij HTM Specials te Den Haag.

Bij besluit van 14 september 2011 heeft de staatssecretaris het besluit van 27 juni 2011 ingetrokken en alsnog geweigerd aan [appellant] een VOG af te geven.

Bij besluit van 23 december 2011 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door F.E.I.H. Muijtjens LLM, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, zoals deze luidde ten tijde van belang, is een VOG een verklaring van de minister van Veiligheid en Justitie dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel, waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

2. Bij de beoordeling van de aanvraag om afgifte van een VOG werden ten tijde van het besluit van 23 december 2011 de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels 2011 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen en de integriteitsverklaring beroepsvervoer (Beleidsregels VOG NP-RP & IVB 2011, Stcrt. 2011, 12842; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de minister ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem (hierna: JDS). Wanneer de aanvrager voorkomt in de justitiële documentatie wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.2 wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd, indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.3 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen op grond van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.2 bestaat bij misdrijven tegen de zeden, als bedoeld in de Beleidsregels, slechts zeer beperkte ruimte om op basis van het subjectieve criterium alsnog over te gaan tot de afgifte van een VOG, wanneer sprake is van een functie met een gezags- of afhankelijkheidsrelatie. De VOG kan dan uitsluitend worden afgegeven, indien de weigering van de VOG evident disproportioneel is. Of de weigering evident disproportioneel is, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

3. De staatssecretaris heeft aan de, in bezwaar gehandhaafde, weigering om een VOG af te geven ten grondslag gelegd dat in het JDS is vermeld dat [appellant] in 1999 is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaar wegens overtreding van artikel 248ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, het verleiden van een minderjarige tot ontucht, en van artikel 239, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht, schennis van de eerbaarheid. Volgens de staatssecretaris is voldaan aan het objectieve criterium en is de weigering niet evident disproportioneel, zodat het subjectieve criterium geen aanleiding geeft om tot afgifte van de VOG over te gaan.

4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering om aan [appellant] een VOG af te geven niet evident disproportioneel is. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de voorzitter van de Afdeling in een eerdere procedure (uitspraak van 16 september 2011 in zaak nrs. 201109400/1/H3 en 201109400/2/H3) heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op voormelde strafrechtelijke veroordeling uit 1999, zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering om een VOG af te geven niet kennelijk disproportioneel is. Dat de aanvraag van [appellant] in die zaak betrekking had op een chauffeurspas voor de taxibranche, noopt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel. Daartoe acht zij van belang dat de Afdeling in voormelde uitspraak beslissend heeft geacht dat [appellant] kinderen vervoert en heeft zij daarbij de risico’s van één op één situaties niet afzonderlijk betrokken. Het moet er naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor worden gehouden dat de onderhavige zaak niet in relevant opzicht verschilt van de vorige.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de onderhavige zaak wel degelijk verschilt van de vorige zaak. Hij voert daartoe aan dat zijn aanvraag thans betrekking heeft op een buschauffeurspas en dat daarbij geen één op één relatie kan ontstaan, nu hij groepen vervoert en er altijd begeleiding aanwezig is. Hij betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris de belangenafweging op basis van het subjectieve criterium in zijn voordeel had moeten laten uitvallen. De weigering om aan hem een VOG af te geven is wel degelijk evident disproportioneel, nu in het JDS slechts één registratie is opgenomen, de veroordeling dateert van 1999, hij een stabiel leven heeft opgebouwd en hij bij weigering van de VOG zijn baan zal verliezen. Bovendien is in 2000 en 2005 wel een VOG afgegeven, aldus [appellant].

5.1. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat wegens de enkele omstandigheid dat de onderhavige aanvraag betrekking heeft op een buschauffeurspas, deze zaak niet zodanig verschilt van de vorige dat dit tot een ander oordeel noopt. Daartoe is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 augustus 2008 in zaak nr. 200801551/1), de één op één relatie bij de functie van buschauffeur weliswaar minder evident aanwezig zal zijn dan bij de functie van taxichauffeur, maar dat dit niet weg neemt dat de één op één relatie wel aanwezig kan zijn, en in die situatie sprake kan zijn van een tijdelijke afhankelijkheidssituatie. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] is veroordeeld ter zake van zedendelicten, waarbij een minderjarige was betrokken en de verzochte VOG bedoeld is voor het verrichten van werkzaamheden, waarbij hij tevens kinderen vervoert.

Er bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigering om aan [appellant] een VOG af te geven niet evident disproportioneel is. Aan het feit dat aan [appellant] in 2000 en 2005 wel een VOG is afgegeven, kan - gelet op hetgeen hierover in voormelde uitspraak van 16 september 2011 is overwogen - niet de door hem gewenste betekenis worden toegekend, nu de staatssecretaris nadien het door hem gevoerde beleid voor de afgifte van een VOG heeft aangescherpt. Ten aanzien van de andere door [appellant] aangevoerde omstandigheden dient er van uit te worden gegaan dat deze bij de totstandkoming van de Beleidsregels zijn voorzien, zodat deze om die reden geen bijzondere omstandigheden zijn.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Vreken-Westra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2013

434-782.