Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0707

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201202676/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft het college aan de stichting Stichting Landschap Overijssel (hierna: Landschap Overijssel) een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingsweg 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet
Natuurbeschermingswet 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3151
JBO 2013/95 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201202676/1/A4.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], gevestigd te [plaats], (hierna: [appellante sub 1]),

2. [appellante sub 2A] en [appellante sub 2B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te [plaats], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 2]),

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft het college aan de stichting Stichting Landschap Overijssel (hierna: Landschap Overijssel) een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingsweg 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend.

Bij besluit van 1 februari 2012 heeft het college de door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de bij het besluit van 11 augustus 2011 verleende vergunning gehandhaafd.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] beroep ingesteld.

Bij besluit van 17 september 2012 heeft het college de verleende vergunning op aanvraag van Landschap Overijssel gewijzigd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2013, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [appellante sub 1A], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [appellante sub 2B], en het college, vertegenwoordigd door H.G. Bos, R. van Leeuwen, A.M. Rensen en T. de Meij, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Landschap Overijssel, vertegenwoordigd door K.P.M. Hesselink, gehoord.

Overwegingen

1. Het geschil heeft betrekking op het besluit van 11 augustus 2011, zoals gewijzigd bij het besluit van 17 september 2012. Bij deze besluiten is vergunning verleend voor het vellen van bos, het dempen van greppels en sloten, het vereffenen van daartussen gelegen ophogingen en het aanbrengen van leem in een aantal poelen binnen het Natura 2000-gebied Boetelerveld. Voor dit gebied gelden instandhoudingsdoelstellingen voor diverse voor verzuring gevoelige habitattypen en soorten, waaronder vochtige heiden (H4010) de kamsalamander (H1166) en de drijvende waterweegbree (H1831).

Niet in geschil is dat de werkzaamheden waarvoor vergunning is verleend, voor de toepassing van de Nbw 1998 kunnen worden aangemerkt als een project en dat voor dat project op grond van artikel 19d van die wet vergunning is vereist.

2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevolgen van het project voor de in het gebied voorkomende habitatattypen en soorten geen grond bieden voor weigering van de vergunning. Daarbij heeft het zich primair gebaseerd op het door R.J. Koops opgestelde rapport "Verstoring- en verslechteringstoets natuurbeschermingswet 1998 Boetelerveld" van 31 maart 2011 (hierna: het rapport van Koops).

3. [appellante sub 2] betoogt dat het college niet heeft onderkend dat in het gebied verzuring als gevolg van het project kan optreden. Hij wijst in dit verband op de door het Waterschap Groot Salland opgestelde notitie "Notitie realisatie randzones Boetelerveld" van 7 september 2011 (hierna: de notitie van het waterschap).

3.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het project niet kan leiden tot verzuring in het gebied en wijst daartoe op de door M. Knigge in opdracht van Landschap Overijssel opgestelde notitie "Vergroten de interne antiverdrogingswerkzaamheden in het Boetelerveld het risico op verzuring?" van 2 oktober 2011 (hierna: de notitie van Landschap Overijssel). In deze notitie is beschreven dat door het dempen van greppels en het vellen van bossen minder afvoer van het grondwater zal plaatsvinden via de greppels en door verdamping via de bomen. Daardoor wordt meer grondwater geconserveerd en kan de natuurlijke grondwaterstroming beter tot stand komen. Bij stroming van het water door de bodem komt het grondwater in contact met de lemige bodem en wordt het water gebufferd. Het grondwater wordt daardoor minder zuur. Het project zal dan ook geen verzurend effect hebben, maar juist de verzuring in het gebied tegengaan, zo wordt in de notitie van Landschap Overijssel geconcludeerd.

3.2. Het betoog van [appellante sub 2] biedt geen grond voor het oordeel dat het college, mede gezien de notitie van Landschap Overijssel, niet heeft kunnen concluderen dat het project niet leidt tot verzuring van het Natura 2000-gebied. In dit verband merkt de Afdeling op dat de door [appellante sub 2] genoemde notitie van het waterschap geen betrekking heeft op de mogelijke verzuring van het Natura 2000-gebied als gevolg van het project, maar gaat over maatregelen die buiten het gebied kunnen worden getroffen.

De beroepsgrond faalt.

4. [appellante sub 2] betoogt dat het project negatieve gevolgen heeft voor de in het gebied voorkomende vochtige heide, de kamsalamander en drijvende waterweegbree, en dat de vergunning daarom had moeten worden geweigerd.

4.1. In het rapport van Koops is geconcludeerd dat het project aanvankelijk kan leiden tot een geringe aantasting van het areaal van enkele van de genoemde habitattypen, maar dat de omvang en kwaliteit van die habitattypen op langere termijn zullen toenemen. Voorts blijkt uit het rapport dat de kamsalamander en de drijvende waterweegbree door het project tijdelijk in aantal kunnen afnemen, maar dat de populaties van beide soorten niet in gevaar zullen komen. Het project zal op langere termijn geen negatieve gevolgen hebben voor de in het gebied voorkomende habitattypen en soorten, zo wordt in het rapport van Koops geconcludeerd.

[appellante sub 2] heeft deze bevindingen en conclusies niet bestreden, zodat zijn beroep geen aanleiding geeft daaraan te twijfelen. Het college heeft zich daarom op basis van het rapport van Koops op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen van het project voor de in het gebied voorkomende habitattypen en soorten geen grond bieden voor weigering van de vergunning.

De beroepsgrond faalt.

5. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] betogen dat het college onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de belangen van de landbouw in de omgeving van het gebied. Daartoe voeren zij aan dat het project leidt tot vernatting van hun nabij het gebied gelegen gronden, waardoor zij schade zullen lijden. [appellante sub 2] wijst hierbij op het door het waterschap opgestelde rapport "Boetelerveld. Werking van het watersysteem en effecten van hydrologische maatregelen" van 9 juli 2009. Daarin wordt geconcludeerd dat maatregelen om verdroging tegen te gaan zullen leiden tot natschade in het omliggende landbouwgebied.

5.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het project waarvoor vergunning is verleend, niet of nauwelijks zal leiden tot vernatting van om het gebied gelegen gronden. Daaraan heeft het in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat de te dempen greppels te klein zijn en dat de nabij de grens van het gebied gelegen greppels door het goed onderhouden stelsel van sloten en leidingen in de maand december droog komen te liggen. Voorts wijst het college erop dat inmiddels ook het waterschap tot de conclusie is gekomen dat vernatting niet of nauwelijks is te verwachten. In een op verzoek van het college opgestelde nadere onderbouwing van zijn standpunt over mogelijke vernatting van 18 juni 2012 concludeert het waterschap immers dat alleen op ten noordwesten en ten oosten van het gebied gelegen gronden, alleen in het voorjaar, op een afstand van 50 tot 100 m van een gedempte greppel of sloot een verhoging van de grondwaterstand kan optreden van ongeveer 5 cm. Het college heeft naar voren gebracht dat binnen een straal van 100 m van de grens van het gebied geen greppels en sloten zullen worden gedempt.

5.2. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college zich niet op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat vernatting van omliggende gronden als gevolg van het project niet of nauwelijks zal optreden. De Afdeling neemt daarbij mede in aanmerking dat niet is gebleken dat het college ten onrechte stelt dat het waterschap in zijn nadere onderbouwing tot een vergelijkbare conclusie komt.

Er is evenmin grond voor het oordeel dat het college, voor zover enige vernatting zou kunnen optreden, zich het daarmee verbonden belang van gebruikers van gronden in de omgeving van het Natura 2000-gebied onvoldoende heeft aangetrokken.

De beroepsgrond faalt.

6. [appellante sub 1] betoogt dat het college geen objectieve afweging heeft gemaakt, omdat het voor het verlenen van de gevraagde vergunning reeds subsidie voor het uitvoeren van het project heeft verleend.

Uit de omstandigheid dat reeds voordien subsidie was verleend, vloeit niet voort dat de over de Nbw-vergunning gemaakte afweging niet objectief heeft plaatsgevonden.

De beroepsgrond faalt.

7. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] betogen dat de vergunning te vroeg is verleend, nu de zogenoemde Kaderrichtlijn Water (Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van Ministers van de Europese Gemeenschappen van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid; PB 2000 L 327) verplicht eerst in 2015 maatregelen te nemen om verdroging in Natura 2000-gebieden tegen te gaan.

Dit betoog faalt. Ook als het zo is dat de Kaderrichtlijn Water verplicht eerst in 2015 maatregelen te nemen om verdroging tegen te gaan, staat dit er niet aan in de weg dat het college voor 2015 vergunning verleende voor de daartoe te nemen maatregelen.

8. [appellante sub 1] betoogt dat de gevraagde vergunning in strijd is met de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2012 in zaak nr. 201102543/1/R2.

De door [appellante sub 1] genoemde uitspraak heeft betrekking op de vraag of provinciale staten van Flevoland een inpassingsplan mochten vaststellen. Deze uitspraak heeft geen betrekking op de vraag of voor het project in kwestie krachtens de Nbw 1998 vergunning kon worden verleend.

De beroepsgrond faalt.

9. De beroepen zijn ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

262-732.