Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0696

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201112198/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 36.000 legkippen op het perceel [locatie] te Schalkwijk.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/584
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112198/1/A4.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante A], gevestigd te Schalkwijk, gemeente Houten, [appellant B], [appellant C] en [appellant D], allen wonend te Schalkwijk, gemeente Houten (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

en

het college van burgemeester en wethouders van Houten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer verleend voor het houden van 36.000 legkippen op het perceel [locatie] te Schalkwijk.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G.L.C.C. van den Waardenburg, advocaat te Nijmegen, en het college, vertegenwoordigd door B. Nauta, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd.

Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wabo blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend

2. [vergunninghouder] heeft op 15 maart 2007 een aanvraag om milieuvergunning ingediend. Bij nadere stukken van 7 april 2011, bij het college binnengekomen op 11 april 2011, heeft hij die aanvraag gewijzigd.

Het bestreden besluit is met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht voorbereid. Het ontwerpbesluit is op 9 juni 2011 ter inzage gelegd.

3. [appellant] betoogt dat het college geen revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer had mogen verlenen, maar dat in dit geval een vergunning ingevolge de Wabo benodigd is. Hiertoe voert hij aan dat 11 april 2011 als datum dat de aanvraag is ingediend moet gelden. In dit verband stelt [appellant] dat het bestreden besluit geheel is gebaseerd op de stukken die op 11 april 2011 bij het college zijn ingekomen. Dit blijkt volgens hem uit het feit dat uitsluitend op die aanvraag en bijbehorende tekening een stempel is geplaatst en niet op de aanvraag van 15 maart 2007. Voorts is die aanvraag niet genoemd op de eerste pagina van het bestreden besluit. Ook stelt [appellant] dat tussen de op 15 maart 2007 en op 11 april 2011 ingediende aanvragen zodanige verschillen bestaan dat niet langer van dezelfde aanvraag kan worden gesproken. Hiertoe voert hij aan dat bij de eerste aanvraag minder scharrelkippen zijn vermeld dan bij de latere aanvraag. Ook wordt pas bij de laatste aanvraag melding gemaakt van de oprichting van een loods voor de opslag van mest en teeltaarde en is de hoogte van de emissiepunten van ammoniak, geur en stof gewijzigd. Voorts is de maximaal opgeslagen hoeveelheid afvalstoffen toegenomen en de wijze van opslag gewijzigd. Tevens is de hoeveelheid kippenmest in de kleine stal toegenomen, aldus [appellant].

3.1. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo – op 15 maart 2007 - is ingediend. Anders dan [appellant] stelt, brengt de omstandigheid dat de aanvraag daarna nog is aangevuld en daarin wijzigingen zijn aangebracht niet mee dat niet langer van 15 maart 2007 als de datum van indiening van de aanvraag kan worden uitgegaan. Uit de stukken blijkt dat het college nadere op 11 april 2011 ingekomen stukken slechts als een aanvulling van de op 15 maart 2007 ingediende aanvraag heeft gezien. Dat die aanvraag geen stempel bevat leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe is van belang dat op het voorblad van de aanvraag van 11 april 2011 een stempel met de datum van het bestreden besluit is geplaatst met de tekst "behoort bij de aanvraag van 15 maart 2007, aangevuld d.d. 11 april 2011". Voorts is op de eerste pagina van het bestreden besluit vermeld dat de aanvraag op 15 maart 2007 is ontvangen. Ook op andere plaatsen in het bestreden besluit komt naar voren dat de op 15 maart 2007 ingediende aanvraag is beoordeeld. Voorts is het volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2010 in zaak nr. 200910164/1/M2) mogelijk om een aanvraag om milieuvergunning voor de terinzagelegging van het ontwerpbesluit te wijzigen of aan te vullen. Derhalve heeft [appellant] tevergeefs gesteld dat er verschillen bestaan tussen de op 15 maart 2007 ingediende en de later aangevulde aanvraag. De wijzigingen hebben immers voor de terinzagelegging van het ontwerpbesluit plaatsgevonden.

Nu de aanvraag om revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend, is die wet niet van toepassing op dit geding en heeft het college de aanvraag terecht beoordeeld op grond van de Wet milieubeheer.

Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Heijninck, ambtenaar van staat.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Heijninck

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

552.