Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201208869/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208869/1/V6.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 31 juli 2012 in zaak nr. 12/336 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 11 januari 2012 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 31 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2013, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, is verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.

De Handleiding vermeldt voorts dat een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument dient over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit dient niet alleen te geschieden in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is), dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de gemeentelijke basisadministratie is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de hier bedoelde verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument.

Van het vereiste van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) is vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. In bewijsnood is een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

Verder is in de Handleiding vermeld dat van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

3. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat de identiteit en nationaliteit van [appellante] niet kunnen worden vastgesteld. Niet in geschil is dat [appellante] bij het verzoek geen gelegaliseerde geboorteakte en geen geldig buitenlands paspoort heeft overgelegd.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij niet in bewijsnood verkeert. [appellante] voert hiertoe aan dat zij er alles aan heeft gedaan om de gevraagde documenten te verkrijgen. Zo heeft zij meermalen een daartoe strekkend verzoek gedaan bij de Chinese autoriteiten, zonder resultaat. Daar komt bij dat, aldus [appellante], zij tevergeefs telefonisch contact heeft opgenomen met de Chinese ambassade te Den Haag en deze heeft bezocht ter verkrijging van een visum waarmee zij naar China kan afreizen. [appellante] voert voorts aan dat zij een Chinese advocaat heeft ingeschakeld die namens haar tevergeefs de Chinese autoriteiten heeft verzocht om afgifte van de gevraagde documenten. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat, aldus [appellante], de Chinese autoriteiten geen schriftelijke verklaringen afgeven waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit kan worden gesteld van de gevraagde documenten. [appellante] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het door haar overgelegde verslag van M. Collet over de hukou-registratie in China (hierna: het verslag) niet afdoet aan hetgeen daarover is vermeld in het algemeen ambtsbericht inzake China van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2010 (hierna: het ambtsbericht).

4.1. [appellante] heeft niet aangetoond dat zij van de Chinese autoriteiten geen paspoort en gelegaliseerde geboorteakte kan verkrijgen. Dat zij de Chinese ambassade te Den Haag en de autoriteiten in China schriftelijk heeft verzocht om afgifte van de gevraagde documenten zonder een antwoord te hebben ontvangen, is daartoe onvoldoende. Dit geldt evenzeer voor de door [appellante] overgelegde identiteitsverklaring van de Chinese ambassade van 9 juli 2010 en de door haar Chinese advocaat verkregen verklaring van de Chinese autoriteiten in de provincie Zhejiang, prefectuur Yongjia, van 11 juli 2011, waarin staat dat in het geraadpleegde register geen informatie beschikbaar is ten aanzien van de door [appellante] opgegeven personalia. Dit zijn immers geen verklaringen waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom [appellante] niet in het bezit kan worden gesteld van de gevraagde documenten. [appellante] heeft weliswaar gesteld dat de Chinese autoriteiten dergelijke verklaringen niet afgeven, maar zij heeft dat niet gestaafd. Omdat [appellante] evenmin heeft gestaafd dat zij de Chinese ambassade te Den Haag telefonisch heeft benaderd en heeft bezocht, treft het betoog ook in zoverre geen doel.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] niet al het mogelijke heeft gedaan ter verkrijging van de gevraagde documenten en dat de staatssecretaris zich derhalve in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] niet in bewijsnood verkeert. Wat betreft het betoog van [appellante] dat de rechtbank het verslag ten onrechte niet heeft aangemerkt als een deskundig tegenonderzoek, wordt overwogen dat, zelfs indien [appellante] daarin zou moeten worden gevolgd, dat niet tot een ander oordeel kan leiden. Daartoe is redengevend dat de in het verslag beschreven situatie ziet op de hukou-registratie in een niet nader genoemd dorp in China en [appellante] daarmee derhalve niet heeft aangetoond dat haar hukou-registratie is vernietigd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in het ambtsbericht staat dat alle persoonsgegevens in de hukou-registratie traceerbaar blijven, ook als een persoon naar het buitenland is vertrokken.

Het betoog faalt.

5. Hetgeen [appellante] overigens aanvoert richt zich tegen de door de rechtbank louter ten overvloede gegeven overweging dat de door de staatssecretaris ter zitting gegeven toelichting op de toepassing van het beleid inzake bewijsnood haar niet onredelijk voorkomt. Reeds omdat deze overweging niet dragend is voor de beslissing van de aangevallen uitspraak, kan het aangevoerde niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Oei

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

164-670.