Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0687

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201107526/1/T1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2010 heeft het college aan de maatschap [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor het oprichten van een veehouderij aan de [locatie] te Luttenberg.

Wetsverwijzingen
Wet op de Raad van State
Wet op de Raad van State 46
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Natuurbeschermingswet 1998 19g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/443
BR 2013/105 met annotatie van H.E. Woldendorp
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/2954
M en R 2013/125 met annotatie van M.M. Kaajan
JOM 2013/394
OGR-Updates.nl 2013-0153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107526/1/T1/A4.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (oud) in het geding tussen:

de maatschap [appellant A] en [appellant B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Luttenberg, gemeente Raalte (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2010 heeft het college aan de maatschap [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor het oprichten van een veehouderij aan de [locatie] te Luttenberg.

Bij besluit van 27 juni 2011 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd ter zitting behandeld op 11 februari 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Orie, K.H. Messelink Msc, H.G. Bos, R. van Leeuwen en A.M. Rensen, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Wingens, advocaat te Nijmegen, en [gemachtigde], gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State (oud) kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven, een vergunning als bedoeld in artikel 19d slechts worden verleend indien het college zich op grond van die passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

3. In de omgeving van de veehouderij bevinden zich de Natura 2000-gebieden Boetelerveld op ongeveer 2.3 km afstand, Sallandse Heuvelrug op ongeveer 3 km afstand en Wiedense Veld op ongeveer 8.7 km afstand. Niet in geschil is dat vanwege de mogelijke gevolgen van de veehouderij voor deze gebieden ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 een vergunning is vereist.

4. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat vergunningverlening mogelijk is omdat in samenhang met de oprichting van de veehouderij de milieuvergunning van een voorheen door [vergunninghouder] geƫxploiteerde veehouderij aan de [locatie] te Haarle is ingetrokken.

5. [appellant] betwist, zo begrijpt de Afdeling het betoog, dat de intrekking van de milieuvergunning kon worden betrokken bij de verlening van de Nbw-vergunning die thans aan de orde is. Volgens hem bestaat tussen de intrekking en de vergunningverlening geen directe samenhang. [appellant] wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 29 juni 2011 in zaak nr. 200908730/1/R2.

5.1. In de uitspraak van 29 juni 2011 heeft de Afdeling intrekking van een milieuvergunning aangemerkt als een mitigerende maatregel die kan worden betrokken bij de beoordeling of het verlenen van een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 mogelijk is, onder de voorwaarde dat tussen de intrekking van de milieuvergunning en de verlening van de Nbw-vergunning een directe samenhang bestaat.

De milieuvergunning van de veehouderij aan de [locatie] is bij besluit van 11 november 2010 ingetrokken. In dit besluit is vermeld dat dit verband houdt met de voorgenomen oprichting van de veehouderij waarvoor thans vergunning is verleend. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat een directe samenhang bestaat tussen de intrekking van de milieuvergunning en de verlening van de Nbw-vergunning. Het college kon daarom de intrekking van de milieuvergunning van de voorheen door [vergunninghouder] geƫxploiteerde veehouderij bij de verlening van de Nbw-vergunning betrekken.

De beroepsgrond faalt.

6. Rekening houdend met de intrekking van de milieuvergunning, zal de verlening van de Nbw-vergunning per saldo enerzijds leiden tot een verlaging van de stikstofdepositie op de gebieden Sallandse Heuvelrug en Wiedense Veld, maar anderzijds tot een geringe toename op het gebied Boetelerveld. Deze toename bedraagt volgens de berekeningen 0,12 mol N/ha/jr.

[appellant] betoogt dat het college gelet op deze toename zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat is verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied Boetelerveld niet zullen worden aangetast als bedoeld in artikel 19g van de Nbw 1998.

6.1. Het college heeft bij het verlenen van de gevraagde vergunning aansluiting gezocht bij het "Beleidskader Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen" (hierna: het Beleidskader) en de aan de hand daarvan vastgestelde "Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen Overijssel" (hierna: de Beleidsregel). Het college staat op het standpunt dat toepassing van de Beleidsregel en het Beleidskader tezamen kan worden aangemerkt als een passende beoordeling en dat het zich op grond van die beoordeling ervan heeft kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van het gebied Boetelerveld niet worden aangetast.

6.2. Het uitgangspunt van het college is gelet op het Beleidskader waarop het college zich beroept, dat het voor het halen van de voor de in Overijssel gelegen Natura 2000-gebieden geldende instandhoudingsdoelstellingen noodzakelijk is de stikstofdepositie op deze gebieden te verlagen. De doelstelling van het Beleidskader is om de stikstofdepositie op de gezamenlijke in Overijssel gelegen Natura 2000-gebieden gemiddeld te doen verminderen van ongeveer 2.240 mol N/ha/jr naar 1.500 mol N/ha/jr. Omdat uit het in 2009 door Alterra Wageningen UR opgestelde rapport "Effectiviteit ammoniakmaatregelen in een 10 km zone rondom de Natura 2000-gebieden in de provincie Overijssel. Deel 2: Aanvulling op Alterra-rapport 1682" (hierna: het Alterra-rapport), waarop het Beleidskader mede is gebaseerd, blijkt dat veehouderijen in de omgeving van de in Overijssel gelegen Natura 2000-gebieden gemiddeld 35% van de totale stikstofdepositie veroorzaken, zouden deze veehouderijen gemiddeld 258 mol N/ha/jr (35% van de gewenste totale reductie van 740 mol N/ha/jr) aan de reductie moeten bijdragen.

Met de Beleidsregel is beoogd deze reductiedoelstelling te bewerkstelligen. Daartoe zijn in de Beleidsregel, al naar gelang de mate waarin de betrokken veehouderij bijdraagt aan stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats, voorwaarden gesteld waaraan bij vergunningverlening moet worden voldaan. Volgens het college zal met deze samenhangende aanpak de gewenste reductie van de stikstofdepositie in 2028, wanneer drie beheerplanperiodes zijn verstreken, zijn gerealiseerd. Het college acht deze reductie voldoende voor het halen van de voor de in Overijssel gelegen Natura 2000-gebieden geldende instandhoudingsdoelstellingen.

6.3. De Afdeling overweegt dat in gevallen waarin het maken van een passende beoordeling is vereist om tot verlening van een vergunning voor een project krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 te kunnen overgaan, de zekerheid dient te worden verkregen dat door dat project de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast.

De Beleidsregel is erop gericht de veehouderijsector in Overijssel voor een evenredig deel te laten bijdragen aan de volgens het college voor het halen van de instandhoudingsdoelstellingen vereiste totale reductie van de stikstofdepositie van gemiddeld 740 mol N/ha/jr op de Natura 2000-gebieden. Echter, ook als wordt aangenomen dat toepassing van de Beleidsregel deze evenredige bijdrage aan de benodigde reductie zou bewerkstelligen, kan het college uit die toepassing nog niet afleiden dat de totale volgens het college noodzakelijke reductie wordt bereikt. De Beleidsregel heeft immers geen betrekking op het behalen van het overige deel van de volgens het college noodzakelijke reductie, die moet worden bereikt via andere bronnen dan veehouderijen.

Reeds gelet hierop heeft het college zich er met slechts verwijzing naar de toepassing van het Beleidskader en de Beleidsregel, in strijd met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998, niet van verzekerd kunnen achten dat het project niet zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied Boetelerveld.

Gelet hierop kan thans in het midden blijven of het college op goede gronden heeft kunnen aannemen dat een reductie van de stikstofdepositie op de in Overijssel gelegen Natura 2000-gebieden van gemiddeld 740 mol N/ha/jr voldoende is voor het behouden van de natuurlijke kenmerken van die gebieden, meer in het bijzonder of het Beleidskader en de Beleidsregel voldoende zijn toegesneden op de specifieke omstandigheden in de afzonderlijke in Overijssel gelegen Natura 2000-gebieden, en hoe de duur van de door het college voorziene termijn voor realisatie van die reductie tot 2028 zich tot het vereiste van behoud van de natuurlijke kenmerken van die gebieden verhoudt.

De beroepsgrond slaagt. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd over de wijze waarop de Beleidsregel en het Beleidskader in dit geval moeten worden toegepast, behoeft geen bespreking.

7. Het beroep is gegrond. Met het oog op een spoedige definitieve beslechting van het geschil zal de Afdeling het college opdragen om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het geconstateerde gebrek te herstellen.

In dit verband overweegt de Afdeling dat [vergunninghouder] er ter zitting op heeft gewezen dat in samenhang met de thans verleende Nbw-vergunning niet alleen de milieuvergunning voor de veehouderij aan de [locatie] te Haarle is ingetrokken, maar tevens een milieuvergunning voor een veehouderij aan de [locatie 2] te Raalte. Indien met beide intrekkingen rekening wordt gehouden, daalt volgens [vergunninghouder] ook op het gebied Boetelerveld per saldo de stikstofdepositie.

Het college dient te beoordelen of dit betoog van [vergunninghouder] voldoende is om de verleende vergunning in stand te laten. Indien dat niet het geval is, dient het college te motiveren of de toename van de depositie op dit gebied leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken daarvan. Indien het college van oordeel is dat die toename leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken, dient het het bestreden besluit te wijzigen door het besluit van 13 december 2010 te herroepen en de gevraagde vergunning alsnog te weigeren.

Het college dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

8. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van gedeputeerde staten van Overijssel op om binnen zes weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van overweging 7 het in overweging 6.3 omschreven gebrek te herstellen en

2. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

262-732.