Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0682

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201109010/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te Erp.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.9
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.12
Wet ammoniak en veehouderij
Wet ammoniak en veehouderij 3
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij
Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij 1
Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2013/117 met annotatie van P.B. Bokelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201109010/1/A4.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Erp, gemeente Veghel,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Erp, gemeente Veghel,

en

het college van burgemeester en wethouders van Veghel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te Erp.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desgevraagd een deskundigenbericht uitgebracht.

Bij besluit van 29 november 2011 heeft het college de bij het besluit van 5 juli 2011 verleende revisievergunning gewijzigd.

[appellant sub 2] en anderen hebben naar aanleiding van het besluit van 29 november 2011 de gronden van hun beroep aangevuld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2013, waar [appellant sub 1A], bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein, [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door A.L. van Heertum-van Hoof en E.G.J. Reintjes, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en door ing. P.S.J. van Lier, deskundige, als partij gehoord.

Overwegingen

Toepasselijk recht

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag van een revisievergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

Omvang geding

2. Bij het besluit van 29 november 2011 heeft het college, naar aanleiding van de ingestelde beroepen, voorschrift 3.1.1 van de bij het besluit van 5 juli 2011 verleende revisievergunning gewijzigd en de voorschriften 1.4.1, 1.4.2 en 1.4.3 van die vergunning ingetrokken. Ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden de beroepen geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 29 november 2011.

Ontvankelijkheid

3. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat mr. V. Wösten zijn bevoegdheid om namens hen beroep in te stellen niet heeft aangetoond.

Uit bij het beroepschrift van 20 augustus 2011 overgelegde machtigingen blijkt de bevoegdheid van mr. V. Wösten om namens [appellant sub 2] en anderen beroep in te stellen. Er bestaat geen aanleiding om het beroep van [appellant sub 2] en anderen niet-ontvankelijk te verklaren.

Ammoniak

4. [appellant sub 1] betoogt dat wat betreft de bestaande stallen 1, 2 en 3 van de inrichting niet wordt voldaan aan het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (hierna: het Besluit huisvesting). Volgens hem wordt met het in deze stallen toegepaste huisvestingssysteem (mestbandbatterij voor droge mest met geforceerde mestdroging, voormalig Groen Label BB 93.06.008) de toepasselijke maximale emissiewaarde in bijlage 1 bij het Besluit huisvesting overschreden. Het college stelt zich volgens [appellant sub 1] ten onrechte op het standpunt dat deze maximale emissiewaarde op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit huisvesting niet van toepassing is. Volgens hem is geen sprake van een bestaand Groen-Labelstalsysteem als bedoeld in die bepaling.

4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij betrekt het bevoegd gezag bij beslissingen inzake de vergunning voor de oprichting of verandering van een veehouderij de gevolgen van de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven uitsluitend op de wijze die is aangegeven bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 7.

Ingevolge het derde lid geldt het eerste lid niet voor het weigeren van de vergunning met toepassing van artikel 8.10, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

Ingevolge artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer wordt een vergunning geweigerd indien door verlening daarvan strijd zou ontstaan met regels als bedoeld in artikel 8.9.

Het Besluit huisvesting bevat regels als bedoeld in artikel 8.9 van de Wet milieubeheer.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit huisvesting wordt in dit besluit onder Groen-Labelstalsysteem verstaan: huisvestingssysteem dat voldoet aan de omschrijving van een stalsysteem waarvoor een Groen Label als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het Convenant Groen Label (Stcrt. 1993, 21) is verleend.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, worden, indien in een veehouderij dieren worden gehuisvest van een diercategorie waarvoor in bijlage 1 een maximale emissiewaarde is aangegeven, voor die dieren geen huisvestingssystemen toegepast met een emissiefactor die hoger is dan deze maximale emissiewaarde.

Ingevolge het derde lid geldt, in afwijking van het eerste lid, ten aanzien van een bestaand Groen-Labelstalsysteem waarvan de emissiefactor hoger is dan de maximale emissiewaarde bedoeld in het eerste lid en waarvoor een vergunning of, indien geen vergunning vereist was, een bouwvergunning is verleend voor 8 mei 2002, die emissiefactor als maximale emissiewaarde.

4.2. In de toelichting bij artikel 1, eerste lid, van het Besluit huisvesting is ten aanzien van het begrip Groen-Labelstalsysteem het volgende vermeld (nota van toelichting, blz. 42; Stb. 2005, 675):

"Een huisvestingssysteem dat is gebouwd overeenkomstig het ontwerp van een stalsysteem waarvoor een Groen Label is afgegeven, wordt in dit besluit aangemerkt als een Groen-Labelstalsysteem.

In dit verband wordt erop gewezen dat het daarbij moet gaan om een Groen Label dat op het moment van vergunningverlening nog geldig was. Van een aantal stalsystemen is het Groen Label namelijk ingetrokken naar aanleiding van de verlaging van de grenswaarden voor kraamzeugen, opfokhennen en leghennen (Stcrt. 1999, 60). Indien een milieuvergunning dan wel bouwvergunning is verleend voor een huisvestingssysteem dat overeenkomt met een stalsysteem waarvan op het moment van vergunningverlening het Groen Label was ingetrokken, kan dat systeem niet als een Groen-Labelstalsysteem worden aangemerkt."

4.3. Zoals blijkt uit eindnoot 4 van de bijlage bij de Regeling ammoniak en veehouderij is het Groen Label voor een mestbandbatterij voor droge mest met geforceerde mestdroging per 1 juli 1999 ingetrokken. Blijkens de stukken is in december 2001 een revisievergunning verleend voor toepassing van dit huisvestingssysteem in de stallen 1, 2 en 3 van de inrichting. Nu het Groen Label op dat moment reeds was ingetrokken, kan - in aanmerking genomen de hiervoor weergegeven toelichting bij artikel 1, eerste lid, van het Besluit huisvesting - het in de stallen 1, 2 en 3 toegepaste huisvestingssysteem niet worden aangemerkt als Groen-Labelstalsysteem als bedoeld in het Besluit huisvesting. Artikel 2, derde lid, van het Besluit huisvesting is derhalve niet van toepassing. Niet in geschil is dat met het in de stallen 1, 2 en 3 toegepaste huisvestingssysteem niet wordt voldaan aan de toepasselijke maximale emissiewaarde in bijlage 1 bij het Besluit huisvesting. Het college heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat wat deze stallen betreft wordt voldaan aan het Besluit huisvesting. Gelet hierop, is het besluit van 5 juli 2011 in zoverre genomen in strijd met artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond slaagt.

Controlevoorschrift

5. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat met betrekking tot de in de vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarden een controlevoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer aan de vergunning had moeten worden verbonden.

5.1. Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken.

Ingevolge het vierde lid worden, voor zover aan een vergunning voor een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort, voor zover het die gpbv-installatie betreft, voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften verbonden inhoudende dat:

a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen;

b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag.

5.2. Vaststaat dat tot de inrichting een gpbv-installatie behoort. De vergunningvoorschriften waarin geluidgrenswaarden zijn gesteld, moeten worden aangemerkt als doelvoorschriften als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zodat ten aanzien van die voorschriften een controlevoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, aan de vergunning moest worden verbonden.

Het college stelt zich op het standpunt dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.8 een controlevoorschrift is als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Ingevolge dit voorschrift kan door het college te allen tijde worden geëist dat een akoestisch rapport wordt overgelegd door de inrichtinghouder, opgesteld door een door het college geaccepteerde ter zake deskundige, waarin wordt aangetoond dat aan de geluidvoorschriften kan worden voldaan. Dit rapport dient te worden opgesteld conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van april 1999.

5.3. Artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer eist een voorschrift dat inhoudt dat moet worden bepaald of aan de desbetreffende doelvoorschriften wordt voldaan. Een voorschrift als voorschrift 3.1.8, waarbij het aan het bevoegd gezag wordt overgelaten of een controlerapport zal worden geëist, voldoet hier niet aan. Het besluit van 5 juli 2011 is in zoverre in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer.

De beroepsgrond slaagt.

Slotoverwegingen

6. De beroepen zijn gegrond. Het besluit van 5 juli 2011 dient te worden vernietigd. Ook het besluit van 29 november 2011 tot wijziging van het besluit van 5 juli 2011 komt voor vernietiging in aanmerking. Hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen voor het overige in beroep hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Veghel van 5 juli 2011, kenmerk 4770, en 29 november 2011, kenmerk 4.770;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veghel tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veghel tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.180,00 (zegge: elfhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Veghel aan [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Veghel aan [appellant sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

462-738.