Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201209804/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2012:BX8581, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2012 heeft het college aan Sportclub Almere Huizen '78 (hierna: de voetbalclub) een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van negen lichtmasten op het perceel 't Merk 10 te Huizen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209804/1/A1.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en anderen, allen wonend te Huizen,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2012 in zaken nrs. 12/4157 en 12/4149 in het geding tussen:

[appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Huizen.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2012 heeft het college aan Sportclub Almere Huizen '78 (hierna: de voetbalclub) een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van negen lichtmasten op het perceel 't Merk 10 te Huizen.

Bij uitspraak van 27 september 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover hier van belang, het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A], [appellant B] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A], [appellant B] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2013, waar [appellant A], [appellant B] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant A] en [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door mr. T.M.H. van Zundert, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de voetbalclub, vertegenwoordigd door J. Pesiwarissa, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) moet het bezwaar- of beroepschrift worden ondertekend en tenminste de naam en het adres van de indiener bevatten.

In artikel 6:6 van deze wet is bepaald dat het bezwaar of beroep, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen daarvan, niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een door hem daartoe gestelde termijn.

Ingevolge artikel 6:13 kan geen beroep bij de administratieve rechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

2. Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Door [appellant A] is beroep ingesteld namens zichzelf en vele anderen. Van deze personen zijn geen personalia en nadere gegevens vermeld. Deze gegevens zijn vermeld op een lijst die [appellant A] ter zitting van de voorzieningenrechter heeft aangeboden, derhalve na afloop van de beroepstermijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 26 september 2012 in zaak nr. 201201787/1/A1), kan de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn immers in het geheel nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn.

Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat de andere personen alleen als "vele anderen" zijn aangeduid, heeft de voorzieningenrechter hen terecht niet als partij aangemerkt.

[appellant A] heeft hoger beroep ingesteld namens zichzelf, [appellant B] en vele anderen. Nu vast staat dat [appellant B] en anderen geen beroep hebben ingesteld tegen het besluit van 13 juni 2012, is het hoger beroep voor zover dat namens hen is ingesteld, niet-ontvankelijk gelet op het bepaalde in artikel 6:13 van de Awb.

3. Het perceel is gelegen in een stadspark. Het grootste deel van het perceel ligt in de gemeente Huizen en het overige deel in de gemeente Blaricum. De voetbalclub maakt gebruik van een voetbalveld en een trainingsveld op het perceel. Rondom het voetbalveld stonden ten tijde van het besluit van 13 juni 2012 negen lichtmasten met een hoogte van 12 m. Het bouwplan heeft betrekking op het vervangen van de bestaande lichtmasten door negen lichtmasten rondom het voetbalveld en het trainingsveld met een hoogte van 15 m. Het is in strijd met het bestemmingsplan.

4. Op het deel van het perceel in de gemeente Huizen geldt volgens het bestemmingsplan "Oostermeent" het uitwerkingsplan "Stadspark" en volgens het uitwerkingsplan rust op dit deel van het perceel de bestemming "Recreatieve voorzieningen".

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder c, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Recreatieve voorzieningen" aangewezen gronden bestemd voor voorzieningen ten behoeve van zowel de passieve als de actieve recreatie en daarbij nodige gebouwen, andere bouwwerken en andere werken, met dien verstande dat de goothoogte van een ander bouwwerk niet meer dan 3 m mag bedragen.

5. [appellant A] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Daartoe voert hij aan dat het college in het verleden een negatief standpunt heeft ingenomen over uitbreiding van de voetbalclub en in strijd handelt met diverse beginselen van behoorlijk bestuur door op dit standpunt terug te komen. Voorts voert [appellant A] aan dat het niet noodzakelijk is om de bestaande lichtmasten te vervangen en dat deze ook verplaatst en gedeeltelijk verwijderd kunnen worden. Volgens [appellant A] zal de lichtintensiteit door realisering van het bouwplan substantieel toenemen.

5.1. De beslissing al dan niet af te wijken van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheden van in dit geval het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter zich, bij de toetsing daarvan, moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot zijn besluit om af te wijken van het bestemmingsplan heeft kunnen komen.

5.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan naar zijn aard in het bestemmingsplan past. De stelling van [appellant A] dat door het plaatsen van hogere lichtmasten verder wordt afgeweken van de groene bestemming van het stadspark, heeft de voorzieningenrechter terecht niet gevolgd. In dat verband heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat ingevolge de bestemming "Recreatieve voorzieningen" op het perceel actieve en passieve recreatie is toegestaan en de planwetgever blijkens artikel 4 van de planregels bijbehorende voorzieningen heeft willen toestaan. Dat ingevolge de planregels op het perceel geen bouwwerken hoger dan 3 m zijn toegestaan, betekent niet dat het bouwplan reeds daarom afbreuk doet aan de recreatieve functie en het parklandschap van het stadspark.

5.3. Over de stelling dat het college door een omgevingsvergunning te verlenen ten onrechte terugkomt op een in 2008 ingenomen afwijzend standpunt, wordt overwogen dat het college gehouden is iedere aanvraag op zichzelf te beoordelen. Voorts heeft het college toegelicht dat in 2008 een aanvraag voor de bouw van meer dan negen lichtmasten voorlag. Geen grond is aanwezig voor het oordeel dat namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan [appellant A] het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat het college nimmer zou meewerken aan het plaatsen dan wel verplaatsen van lichtmasten op het perceel. Anders dan [appellant A] stelt, zijn derhalve geen aanknopingspunten aanwezig voor het oordeel dat het college de beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Dat [appellant A] een andere opvatting dan het college heeft over de wenselijkheid van een voetbalclub in een stadspark en de wijze waarop de voetbalclub de beschikking heeft gekregen over het perceel, brengt niet met zich dat het college deze beginselen bij de verlening van de omgevingsvergunning heeft geschonden. Het college heeft de omgevingsvergunning pas verleend nadat het eerst heeft geprobeerd om met de betrokken belanghebbenden overeenstemming te bereiken. Verder heeft het college onderzoek gedaan naar de verlichtingssterkte op de voorgevel van de aanliggende woningen, waaronder die van [appellant A], waaruit is gebleken dat geen strooilicht op deze voorgevels valt. Voorts heeft het college als voorwaarde aan de omgevingsvergunning verbonden dat beide velden niet tegelijkertijd mogen worden verlicht. [appellant A] heeft geen bewijs aangedragen voor zijn stelling, dat vervanging van de masten leidt tot een substantiƫle toename van lichtintensiteit op de omgeving.

5.4. [appellant A] betoogt tevergeefs dat er geen noodzaak is om de bestaande masten te vervangen. Het college heeft gemotiveerd uiteengezet dat de nieuwe lichtinstallaties energiezuiniger zijn, meer licht op de velden geven en minder strooilicht op de omgeving veroorzaken. Voorts kan op het onderhoud door de voetbalclub worden bespaard doordat vaker op het trainingsveld kan worden gespeeld. Gelet op deze omstandigheden heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat het belang van het voorziene bouwplan voldoende is aangetoond. Over de stelling van [appellant A] dat er alternatieven aanwezig zijn, wordt overwogen dat het college dient te beslissen over het project zoals dat is aangevraagd. Indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [appellant A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. Bij realisering van het door hem voorgestelde alternatief is het niet mogelijk om 's avonds op het voetbalveld te spelen. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat een grotere hoogte van de masten leidt tot minder lichtverstrooiing.

5.5. In hetgeen [appellant A] voor het overige aanvoert, wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend, dat het college niet heeft kunnen meewerken aan het vervangen van de lichtmasten op het perceel. Voor zover het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast, zal die aantasting niet zo ernstig zijn, dat het college na afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen van de voetbalvereniging dan aan de belangen van [appellant A].

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door anderen dan [een der appellanten], niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

357-672.