Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0675

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201209544/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten en de opslag van bedrijfsmaterialen op het perceel [locatie] te Swolgen (hierna: het perceel), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209544/1/A1.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Swolgen, gemeente Horst aan de Maas,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 augustus 2012 in zaak nr. 2011/1151 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft het college, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten en de opslag van bedrijfsmaterialen op het perceel [locatie] te Swolgen (hierna: het perceel), afgewezen.

Bij besluit van 19 juli 2011 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en besloten om alsnog handhavend op te treden tegen de bedrijfsactiviteiten en de opslag van bedrijfsmaterialen op het perceel.

Bij besluit van 20 juli 2011 heeft het college [wederpartij] onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen drie maanden na verzending van dat besluit de bedrijfsactiviteiten en de opslag van materialen ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij uitspraak van 31 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 20 juli 2011 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] en het college hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. Jansen, advocaat te Venlo, is verschenen. Tevens is daar [wederpartij], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, gehoord.

Overwegingen

1. Vast staat dat de vestiging van het installatiebedrijf van [wederpartij] en de opslag van materialen ten behoeve van dat bedrijf op het perceel, in strijd zijn met de ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" op het perceel rustende bestemming "Woondoeleinden W". Het college was derhalve bevoegd om ter zake handhavend op te treden.

2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die het college hadden moeten doen afzien van het handhavend optreden. Hij voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [wederpartij] aan de brief van het college aan [wederpartij] van 2 juli 2002 het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij toestemming van het college heeft gekregen voor de bedrijfsvestiging en -opslag ter plaatse. Volgens hem heeft [wederpartij] zich niet aan de in die brief gestelde voorwaarden gehouden en ligt er voorts ten onrechte aan die brief geen procedure ten grondslag waarin hij zijn zienswijzen naar voren heeft kunnen brengen.

Voorts heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte geoordeeld dat de handhaving onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Zij heeft daarbij volgens hem miskend dat de voor [wederpartij] negatieve gevolgen van de handhaving voor zijn rekening en risico dienen te komen. De rechtbank heeft volgens [appellant] verder ten onrechte geoordeeld dat het college aan het besluit geen redelijke belangenafweging ten grondslag heeft gelegd. Volgens hem heeft de rechtbank deze belangenafweging ten onrechte zelf uitgevoerd en heeft zij daarbij niet alle relevante omstandigheden betrokken, zoals de omstandigheid dat hij, naar hij stelt, al jaren overlast ondervindt van de bedrijfsactiviteiten op het perceel.

3.1. Uit de gedingstukken, waaronder controlerapporten met bijbehorende foto’s van 9 april 2008 en 31 mei 2010, opgesteld door controleurs van de gemeente, blijkt dat het bedrijf op het perceel is gevestigd en dat aldaar zowel de bedrijfsloods, als een op het perceel geplaatste container voor de opslag van goederen en materialen ten behoeve van het bedrijf worden gebruikt.

Met betrekking tot de brief van het college aan [wederpartij] van 2 juli 2002, gelezen in samenhang met de brief van 29 juli 2002, waarop [wederpartij] zich beroept, heeft de rechtbank terecht overwogen dat in de brief van 2 juli 2002 kan worden gelezen dat (de rechtsvoorganger van) het college [wederpartij] toestemming heeft verleend om het bedrijf uit te oefenen op het perceel, mits de bedrijfsvoering ondergeschikt blijft aan de woonfunctie. Tevens is bij deze brief toestemming verleend om ten behoeve van de bedrijfsuitoefening gebruik te maken van een bijgebouw dat op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, dus van een bijgebouw met een oppervlakte van maximaal 77 m². In de brief van 29 juli 2002 is aan [wederpartij] medegedeeld dat de aanwezigheid van de container op het perceel, ondanks dat deze in strijd met het bestemmingsplan is geplaatst omdat het maximum van 77 m² aan bijgebouwen al was bereikt, zal worden gedoogd, maar dat die niet meer voor bedrijfsdoeleinden mag worden gebruikt.

Met deze brieven is bij [wederpartij] derhalve de verwachting gewekt dat, binnen de hiervoor genoemde kaders, niet tegen de bedrijfsvoering op het perceel zal worden opgetreden.

[appellant] betoogt echter terecht dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 februari 2008, in zaak nr. 200704754/1), het vertrouwensbeginsel niet zover reikt dat gerechtvaardigde verwachtingen altijd moeten worden nagekomen. Uit genoemde uitspraak volgt verder dat de mate van bescherming door het vertrouwensbeginsel onder meer afhangt van het belang van derden, in dit geval [appellant], die uitdrukkelijk om handhavend optreden heeft verzocht. Dit klemt temeer nu, naar niet is weersproken, [appellant] bij de totstandkoming van de verleende toestemmingen in 2002 niet in de gelegenheid is gesteld om zijn belangen toe te lichten.

De rechtbank heeft reeds daarom het antwoord op de vraag of [wederpartij] zich al dan niet heeft gehouden aan de voorwaarde dat een oppervlakte van niet meer dan 77 m² van de bijgebouwen voor bedrijfsopslag mag worden gebruikt, ten onrechte van doorslaggevend belang geacht voor de rechtmatigheid van het besluit. Daargelaten dat de gedingstukken erop wijzen dat deze maximaal toegestane oppervlakte wordt overschreden, nu foto’s bij het controlerapport van 31 mei 2010 tonen dat naast de loods, die reeds aanzienlijk groter is dan 77 m², ook de container voor bedrijfsopslag wordt gebruikt, leidt de eventuele vaststelling dat Thiessen deze voorwaarde wel zou naleven zoals hiervoor is overwogen, niet tot de conclusie dat zonder meer van handhavend optreden moet worden afgezien. De belangen van [appellant] dienen daarbij als vermeld mede in aanmerking te worden genomen.

Er bestaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij het besluit om handhavend op te treden geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt of dat de handhaving onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Daarbij is van belang dat uit de besluiten van 19 en 20 juli 2011 volgt dat het college de belangen van [wederpartij] en [appellant], alsmede het algemeen belang dat is gediend met de handhaving van wettelijke voorschriften en het voorkomen van precedentwerking, heeft afgewogen. Daarbij zijn de aan [wederpartij] gedane toezeggingen in de brief van 2 juli 2002 mede in aanmerking genomen.

Het college heeft in redelijkheid de belangen die zijn gediend met de handhaving, te weten het algemeen belang, alsmede het belang van [appellant] gelegen in de overlast die hij van het bedrijf op het perceel ondervindt, mogen laten prevaleren. Aan het financieel-economische belang van [wederpartij] bij het achterwege laten van handhavend optreden heeft het college geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen.

De conclusie is dat [appellant] terecht betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen, die het college ertoe hadden moeten leiden om van handhavend optreden tegen de bedrijfsvestiging en de bedrijfsopslag op het perceel af te zien.

Het betoog slaagt.

4. Nu het hoger beroep, gelet op het voorgaande, gegrond zal worden verklaard, komt de Afdeling niet toe aan bespreking van de hoger beroepsgrond dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte met vernietiging van het besluit van 20 juli 2011 heeft volstaan, zonder het college op te dragen een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] te nemen.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] tegen het besluit van 20 juli 2011 ingestelde beroep alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

7. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, zoals deze gold ten tijde in geding, brengt met zich dat het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 31 augustus 2012 in zaak nr. 2011/1151;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. bepaalt dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Bolleboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

641.