Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0673

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201208469/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2011 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning, een loods en een kas op het perceel gelegen aan De Donkers op de hoek van D'Ekker te Boxtel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208469/1/A1.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Vereniging voor Natuurbehoud & Milieubeheer in Midden- en Noordoost-Brabant Het Groene Hart, gevestigd te Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel, en anderen, gevestigd dan wel wonend te Boxtel (hierna tezamen en in enkelvoud: de Vereniging),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 juli 2012 in zaken nrs. 12/759, 12/1704, 12/1705 en 12/1706 in het geding tussen:

de Vereniging

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2011 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een woning, een loods en een kas op het perceel gelegen aan De Donkers op de hoek van D'Ekker te Boxtel.

Bij besluit van 26 januari 2012 heeft het college het door de Vereniging daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2012 heeft de rechtbank het door de Vereniging daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Vereniging hoger beroep ingesteld.

De Vereniging heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2013, waar de Vereniging, vertegenwoordigd door [voorzitter], en het college, vertegenwoordigd door M. van Geel, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Rosmalen, gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in de realisering van een kascomplex, een loods en een bedrijfswoning op het perceel.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2006" rust op het perceel de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden".

Ingevolge artikel 3, onder 3.1, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Agrarische bedrijfsdoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor het bedrijfscentrum van het agrarische bedrijf met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, tuinen, erven en agrarische gronden, met dien verstande dat:

a. per bestemmingsvlak ten hoogste één agrarisch bedrijf is toegestaan; (…)

h. de gronden mede bestemd zijn voor het behoud, de versterking en/of het herstel van de landschappelijke inbedding van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge het bepaalde onder 3.3.1, kan het college nadere eisen stellen ten aanzien van:

a. de situering, de oppervlakte, de (goot)hoogte van bebouwing;

b. de aard, hoogte en de situering van de erfafscheidingen;

c. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met de nieuwe bebouwing, een en ander op basis van een door de aanvrager over te leggen landschappelijk inpassingsplan.

Onder 3.3.2 is bepaald dat de in 3.3.1 genoemde nadere eisen uitsluitend mogen worden gesteld:

a. indien dit noodzakelijk is voor een verantwoorde stedenbouwkundige, cultuurhistorische en/of landschappelijke inpassing;

b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de omliggende waarden. (…)

3. De Vereniging betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte geen nadere eisen aan het bouwplan heeft gesteld. Daartoe voert zij aan dat rondom het bouwplan een beplantingsstrook met een diepte van minimaal 15 m noodzakelijk is om de negatieve effecten van het bouwplan op de omgeving te verzachten.

3.1. De Vereniging betoogt tevergeefs dat het bepaalde in artikel 3, onder 3.3.2, van de planvoorschriften een directe mogelijkheid biedt tot het stellen van nadere eisen. De mogelijkheid tot het stellen van nadere eisen wordt begrensd door het bepaalde in artikel 3, onder 3.3.1, van de planvoorschriften. De Vereniging stelt evenwel terecht dat realisering van het bouwplan leidt tot verdichting van het landschap, nu het perceel thans nog onbebouwd is. Vast staat echter dat de voorziene bebouwing in overeenstemming is met de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Voor zover realisering van het bouwplan de openheid van het landschap zal aantasten, heeft de planwetgever dat effect op de omgeving voorzien. Dat neemt niet weg dat het college nadere eisen aan het bouwplan kan stellen. Het college heeft daartoe evenwel geen aanleiding gezien. Over de stelling van de Vereniging dat landschapswinst kan worden behaald door het aanbrengen van een beplantingsstrook van 15 m breed, heeft het college overwogen dat het bouwplan in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand en het aanbrengen van een beplantingsstrook de openheid van het landschap juist verder zal aantasten. Het college heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het voorziene bouwplan logisch gesitueerd is, gelet op de afmetingen van de bebouwing en de benutting van het perceel. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de afmetingen van de kas en de loods in vergelijking met andere sierteeltbedrijven bescheiden zijn en de goothoogte niet afwijkend is ten opzichte van andere bebouwing in het buitengebied. Ter zitting van de Afdeling heeft het college toegelicht dat ook anderszins geen aanleiding bestond tot het stellen van nadere eisen, omdat het bouwplan niet voorziet in het oprichten van erfafscheidingen. Het voorgaande in aanmerking genomen, heeft de rechtbank in het in beroep aangevoerde terecht geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen.

Het betoog faalt.

4. De Vereniging betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een alternatieve locatie voor het bouwplan beschikbaar is. Nu het bouwplan in overeenstemming is met de bebouwingsmogelijkheden van het bestemmingsplan, was voor een belangafweging ten aanzien van de voorziene locatie geen plaats.

5. Voor het overige heeft de Vereniging in hoger beroep volstaan met verwijzing naar hetgeen zij eerder in beroep naar voren heeft gebracht. Op de daarin genoemde gronden is de rechtbank in de overwegingen van de aangevallen uitspraak ingegaan. De Vereniging heeft in het hogerberoepschrift, behoudens hetgeen hiervoor is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

357-672.