Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0661

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201209726/1/A3
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:CRVB:2012:BX1774, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 februari 2011 heeft het college geweigerd [appellant] vergunning te verlenen voor het innemen van een standplaats op alle donderdagen en vrijdagen in maart, april, mei en juni 2011 op het parkeerterrein aan de Lijtweg te Oegstgeest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209726/1/A3.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], handelend onder de naam Kenmerk Autoruitenservice, wonend te Groningen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 augustus 2012 in zaak nr. 12/1792 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2011 heeft het college geweigerd [appellant] vergunning te verlenen voor het innemen van een standplaats op alle donderdagen en vrijdagen in maart, april, mei en juni 2011 op het parkeerterrein aan de Lijtweg te Oegstgeest.

Bij besluit van 17 januari 2012 heeft het college opnieuw op het door [appellant] gemaakte bezwaar beslist, dat gedeeltelijk gegrond verklaard voor zover dat betrekking heeft op de weigering voor vijf dagen vergunning te verlenen, het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en beslist dat in een nader schadebesluit de hoogte van de te verlenen schadevergoeding zal worden bepaald.

Bij uitspraak van 22 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van Doorn, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1.8 van de Algemene plaatselijke verordening (hierna: APV), zoals die luidde ten tijde van belang, kan de vergunning of ontheffing door het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. de openbare veiligheid;

c. de volksgezondheid;

d. de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 2.2.2, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Ingevolge artikel 5.2.3.1, eerste lid, wordt in paragraaf 5, waarvan de artikelen 5.2.3.1 en 5.2.3.2 deel uitmaken, verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op of aan de weg of op een andere voor het publiek toegankelijke en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins aanbieden van goederen of diensten, al dan niet gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

Ingevolge het tweede lid wordt onder standplaatsen niet verstaan:

a. vaste plaatsen op jaarmarkten of markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

b. vaste plaatsen op evenementen als bedoeld in artikel 2.2.1;

c. vaste plaatsen op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.2.4.

Ingevolge artikel 5.2.3.2, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

Ingevolge het tweede lid kan onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 de vergunning worden geweigerd:

a. indien de standplaats, hetzij op zichzelf hetzij, in verband met de omgeving, niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;

b. vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan.

2. Aan het in beroep bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat het een vaste gedragslijn wenst te hanteren voor tijdelijke standplaatsvergunningen en dat die voor een deel is opgenomen in een notitie standplaatsenbeleid. Volgens de notitie wordt een maximumstelsel voor vaste standplaatsen gehanteerd en is het verlenen van tijdelijke vergunningen alleen mogelijk in het geval van bijzondere omstandigheden. In het verleden is evenwel afgeweken van die bijzondere omstandigheden, omdat wel vergunningen zijn verleend voor commerciële activiteiten indien het weigeren van de verlening onevenredig zou zijn gezien het beperkte gebruik van de openbare ruimte. Dat is volgens het in beroep bestreden besluit niet betrokken in het besluit van 25 juli 2011, waarbij aanvankelijk was beslist op het door [appellant] gemaakte bezwaar en welk besluit is vernietigd bij uitspraak van de rechtbank van 13 december 2011. Omdat aan een concurrent van [appellant] een vergunning is verleend voor het innemen van standplaatsen voor vijf dagen in 2011, had vanwege het gelijkheidsbeginsel aan [appellant] eveneens een vergunning voor vijf dagen moeten worden verleend. Het verlenen van een vergunning voor meer dan vijf dagen zou in strijd zijn met de aard en het doel van het gehanteerde maximumstelsel, te weten een eerlijke verdeling van de openbare ruimte, omdat er dan te weinig onderscheid zou zijn met een vergunning voor een vaste standplaats. Het maximumstelsel dient volgens het in beroep bestreden besluit de openbare orde.

De rechtbank heeft het besluit van 17 januari 2012 vernietigd, omdat uit de uitspraak van 13 december 2011 volgt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het een maximumstelsel als vaste gedragslijn hanteerde en het daarom de weigering om voor meer dan vijf dagen vergunning te verlenen niet mocht motiveren met een verwijzing naar dat maximumstelsel. Het besluit van 17 januari 2012 ontbeert een motivering die ziet op de aanvraag van [appellant]. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat het college met het verweerschrift, het aanvullende verweerschrift en hetgeen het ter zitting van de rechtbank heeft aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd waarom het verlenen van een standplaatsvergunning voor meer dan vijf dagen strijd met de openbare orde oplevert.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. De rechtbank heeft ten onrechte alles overgenomen wat het college in verweer en ter zitting van de rechtbank naar voren heeft gebracht. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft het parkeerterrein waar hij standplaats wenst in te nemen geen 140 maar 184 parkeerplaatsen. Verder komt er een kermis te staan op die parkeerplaats, die blijkbaar geen strijd met de openbare orde oplevert, evenmin als de wekelijkse markt die op de parkeerplaats plaatsvindt. Zijn standplaats neemt minder ruimte in en zal voorts minder vaak worden ingenomen dan die markt, aldus [appellant]. De rechtbank heeft voorts ten onrechte overwogen dat iedere donderdag een bakker op het parkeerterrein standplaats inneemt en dit ook ten koste gaat van een aantal parkeerplaatsen, omdat de vergunning van die bakker voor het innemen van standplaats ziet op de hoek Irislaan en Lange Voort, wat niet het parkeerterrein is waarop [appellant] standplaats wil innemen. Daarnaast is de standplaats van de bakker 32 m2 en zijn standplaats 9 m2, aldus [appellant]. Als het college kennelijk geen probleem ziet in het elke donderdag innemen van een standplaats van 32 m2, kan het geen probleem zijn dat hij elke donderdag een kleinere standplaats inneemt. Voorts is de rechtbank het college volgens [appellant] ten onrechte gevolgd in zijn stelling dat de donderdag en vrijdag, waarvoor hij vergunning heeft gevraagd, drukke dagen voor het winkelend publiek zijn. Het college heeft die stelling niet met nadere gegevens ondersteund. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat het innemen van standplaats geen strijd oplevert met de openbare orde, omdat zijn standplaats slechts beperkt ruimte inneemt. Daarnaast is de frequentie van het innemen van standplaats geen in de APV genoemde weigeringsgrond. De rechtbank heeft verder miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gelijkheidsbeginsel ertoe leidt dat hij voor vijf dagen een vergunning had dienen te krijgen. Zijn concurrent had voor vijf dagen vergunning gevraagd en gekregen, terwijl hij voor 35 dagen vergunning heeft gevraagd en die niet allemaal heeft gekregen, aldus [appellant]. Voorts heeft de rechtbank miskend dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat het innemen van standplaats leidt tot een toename van het verkeer.

3.1. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft onderkend dat geen strijd met de openbare orde zou ontstaan wanneer het hem voor 35 in plaats van voor vijf dagen vergunning zou hebben verleend, omdat zijn standplaats kleiner is dan de ruimte die wordt ingenomen door de kermis die op het parkeerterrein plaatsvindt en omdat wekelijks een markt plaatsvindt op het parkeerterrein, wordt het volgende overwogen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de kermis krachtens artikel 2.2.2 van de APV een vergunning is verleend en dat daarbij is getoetst aan de Nota evenementenbeleid, hetgeen [appellant] niet gemotiveerd heeft weersproken. Voornoemde bepaling ziet op evenementen en niet op het innemen van standplaats. De markt die wekelijks op het parkeerterrein plaatsvindt, vindt daar volgens het college plaats op grond van het Marktreglement, hetgeen [appellant] evenmin gemotiveerd heeft weersproken. Daarmee bestaat voor zowel de kermis als de weekmarkt een andere grondslag dan voor het innemen van standplaats.

[appellant] betoogt terecht dat in de APV geen weigeringsgrond is vervat waarbij de frequentie van een activiteit van belang is. Dit betekent evenwel niet dat de openbare orde niet in geding kan zijn indien een activiteit regelmatig terugkeert.

3.2. [appellant] betoogt evenwel terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij zijn beoordeling mocht betrekken dat een bakker met een kraam elke donderdag standplaats inneemt op de parkeerplaats. Uit de vergunning die aan de bakker is verleend en die het college in beroep bij de rechtbank heeft overgelegd, volgt dat die ziet op het innemen van standplaats op de hoek Irislaan en Lange Voort, zodat de bakker daarmee niet gerechtigd was om standplaats in te nemen op de parkeerplaats. Dat in de voorschriften van de vergunning is vermeld dat de exacte plaats van de standplaats wordt aangewezen door de gemeentelijke opsporingsambtenaren, zoals door het college in verweer is betoogd, maakt dat niet anders. Dat mag er immers niet toe leiden dat standplaats wordt ingenomen op een geheel andere plek dan die waar de vergunning op ziet.

Het college heeft in zijn verweerschrift te kennen gegeven dat het in verweer bij de rechtbank heeft gesteld dat op de parkeerplaats waarop de aanvraag van [appellant] zag, zich ongeveer 140 parkeerplaatsen bevinden. Bij die schatting heeft het die parkeerplaatsen betrokken die zich op het parkeerterrein bevinden dat met een brede stoep en struiken is afgescheiden van de weg en niet die parkeerplaatsen die zich bevinden aan de andere kant van de stoep, omdat slechts voor de eerstgenoemde parkeerplaatsen vergunning wordt verleend voor het innemen van standplaats. Ter zitting van de Afdeling heeft het college evenwel te kennen gegeven dat de ruim 44 parkeerplaatsen die zich bevinden aan de andere kant van de stoep ten onrechte niet in de beoordeling zijn betrokken.

Het college heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat het innemen van standplaats door [appellant] niet slechts leidt tot een verlies van parkeerplaatsen voor zover hij die nodig heeft voor zijn standplaats, maar dat uit de aard van zijn werkzaamheden, het repareren van autoruiten en het daarin graveren van kentekens, tevens volgt dat auto’s naar het parkeerterrein zullen komen enkel voor zijn diensten, hetgeen zowel invloed heeft op de parkeerdruk als op de hoeveelheid verkeer en niet in het belang is van mensen die op het parkeerterrein willen parkeren om te winkelen in het daarnaast gelegen winkelcentrum. [appellant] heeft gesteld dat zijn omzet ongeveer € 1.000,00 per dag bedraagt en dat hij die omzet reeds behaalt met het repareren van ongeveer tien autoruiten. Hij heeft rekeningen overgelegd die dat standpunt staven. Het college heeft de juistheid van die gegevens niet gemotiveerd weersproken.

Voorts betoogt [appellant] terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college van belang mocht achten dat de donderdag en vrijdag drukke dagen zijn voor het winkelend publiek. Het college heeft geen gegevens overgelegd waaruit volgt dat dit inderdaad het geval is, maar zich slechts op het standpunt gesteld dat dit een feit van algemene bekendheid is. Dat is evenwel onvoldoende ter ondersteuning van dit standpunt. Voorts is voor de weigering [appellant] voor meer dan vijf dagen vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats niet van belang of de donderdag en vrijdag drukke dagen zijn voor het winkelend publiek, maar of het op die dagen te druk is om hem voor meer dan vijf dagen vergunning te verlenen.

3.3. Gelet op hetgeen hiervoor in overweging 3.2 is overwogen, heeft de rechtbank ten onrechte aanleiding gezien voor het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. De aangevallen uitspraak komt dan ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 augustus 2012 in zaak nr. 12/1792, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 januari 2012 in stand heeft gelaten;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest tot vergoeding van bij [appellant], handelend onder de naam Kenmerk Autoruitenservice, in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 522,08 (zegge: vijfhonderdtweeëntwintig euro en acht cent);

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest aan [appellant], handelend onder de naam Kenmerk Autoruitenservice, het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Reuveny

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

622.