Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0654

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201210534/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 26 april 2011 heeft het college de Stichting geïnformeerd omtrent een vergadering van de raad van 3 maart 2011 waarin de raad een motie heeft aangenomen die het college opdraagt met onmiddellijke ingang alle werkzaamheden die zijn gericht op het realiseren van een varkenscluster in Markelosebroek definitief te beëindigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210534/1/R1.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Stichting Gezinsbedrijf Plus, gevestigd te Deventer,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente,

verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 26 april 2011 heeft het college de Stichting geïnformeerd omtrent een vergadering van de raad van 3 maart 2011 waarin de raad een motie heeft aangenomen die het college opdraagt met onmiddellijke ingang alle werkzaamheden die zijn gericht op het realiseren van een varkenscluster in Markelosebroek definitief te beëindigen.

Tegen deze brief heeft de Stichting bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 24 januari 2012 heeft het college het door de Stichting gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft de Stichting bij de rechtbank Almelo beroep ingesteld. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 31 oktober 2012 onbevoegd verklaard van het beroep kennis te nemen en heeft deze doorgezonden naar de Raad van State.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak gevoegd met zaak nr. 201302437/1/R1 ter zitting behandeld op 24 april 2013, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en door J.H. Pegge, is verschenen. Voorts is de raad van de gemeente Hof van Twente, vertegenwoordigd door M.G.B. Kamst en G.B.J. Overbeek, beiden werkzaam bij de gemeente, als partij gehoord. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Het beroep van de Stichting is gericht tegen het besluit van het college van 24 januari 2012 waarin door het college is besloten het bezwaar van de Stichting tegen de brief van 26 april 2011 niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de Stichting volgens het college geen aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen heeft ingediend zodat het college met de brief van 26 april 2011 niet heeft beslist op een aanvraag van de Stichting en omdat evenmin kan worden gesproken van een ambtshalve besluit inhoudende de weigering een bestemmingsplan vast te stellen.

2. De Stichting voert aan dat het college haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu zij wel degelijk bij brief van 15 mei 2006 aan het college heeft verzocht om planologische medewerking. Deze brief moet volgens haar worden aangemerkt als een aanvraag tot vaststelling van een bestemmingplan en de brief van het college van 26 april 2011 moet volgens de Stichting worden gezien als een besluit op die aanvraag. Verder wijst de Stichting op het in opdracht van haar in juni 2007 door het Landbouw Economisch Instituut (hierna: LEI) opgestelde onderzoek "Duurzaamheid geclusterde vestiging varkensbedrijven Markelose Broek" (hierna: het LEI-onderzoek), welk onderzoek eveneens kan worden aangemerkt als een aanvraag tot vaststelling van een bestemmingsplan. Ten slotte betoogt zij dat uit de omstandigheid dat door de gemeente opdracht is gegeven voor verschillende onderzoeken en dat verschillende adviezen zijn opgesteld moet worden afgeleid dat sprake is van een aanvraag.

2.1. In de brief van 15 mei 2006 staat onder meer dat de Stichting het college verzoekt om de gewenste ontwikkeling - het inrichten van een innovatieve clusterlocatie met varkenshouderijen - te faciliteren door onder meer de ontwikkelingen in het gebied te volgen en met haar in overleg te treden wanneer er signalen zijn die negatief zijn voor de uitwerking van dit project. Naar het oordeel van de Afdeling is de inhoud van deze brief te weinig concreet om als aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen te kunnen worden aangeduid. Voorts kan het laten opstellen van het LEI-onderzoek niet als een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen worden aangemerkt, nu het LEI-onderzoek is opgesteld na een verzoek van verschillende fracties van de raad en slechts als doel heeft om informatie over en inzicht te verschaffen in de duurzaamheidsaspecten van de verschillende varianten voor geclusterde plaatsing van zes varkensbedrijven. Uit de omstandigheid dat andere onderzoeken zijn uitgevoerd en adviezen zijn opgesteld kan naar het oordeel van de Afdeling voorts niet worden afgeleid dat, anders dan de Stichting betoogt, hieraan een aanvraag om een bestemmingsplan vast te stellen ten grondslag heeft gelegen. Voor zover de Stichting nog heeft gewezen op een e-mail van de zijde van de gemeente van 15 juni 2006 waarin staat dat het tekenen van een intentieovereenkomst niet nodig wordt gevonden, omdat bereidheid is getoond door middel van het nemen van besluiten door het college, overweegt de Afdeling dat de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust bij de raad en niet bij het college. Voornoemde e-mail is opgesteld door een medewerker van de gemeente en in het algemeen kunnen geen rechten worden ontleend aan mededelingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De Stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bedoelde mededeling -wat daar verder ook van zij- aan de raad kan worden toegerekend.

Gelet op al het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de Stichting geen aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan heeft ingediend en dat derhalve ook geen besluit op een aanvraag is genomen.

3. De Stichting betoogt verder dat de brief van het college van 26 april 2011 moet worden gezien als een ambtshalve besluit inhoudende de weigering een bestemmingsplan vast te stellen, zodat haar bezwaar ook om deze reden ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

3.1. Bij brief van 26 april 2011 heeft het college de Stichting geïnformeerd over een vergadering van de raad van 3 maart 2011. In die vergadering heeft de raad een motie aangenomen die het college opdraagt met onmiddellijke ingang alle werkzaamheden die zijn gericht op het realiseren van een varkenscluster in Markelosebroek, definitief te beëindigen. Gezien de opdracht van de raad heeft het college besloten alle ambtshalve voorbereidingen om te komen tot een (voor)ontwerp bestemmingsplan Varkenscluster Markelosebroek, te beëindigen.

3.2. De bevoegdheid een bestemmingsplan vast te stellen berust bij de raad. De brief van 26 april 2011 is afkomstig van het college, zodat deze brief naar het oordeel van de Afdeling uitsluitend kan worden aangemerkt als een enkel informerende brief van het college aan de Stichting omtrent de besluitvorming in de raadsvergadering van 3 maart 2011 die niet op rechtsgevolg gericht is en geen publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) behelst. Gelet hierop is geen sprake van een besluit inhoudende de weigering een bestemmingsplan vast te stellen. Dat in het briefhoofd van de brief van 26 april 2011 staat dat sprake is van een besluit doet aan het voorgaande niets af.

4. Gelet op hetgeen in 2.1 en 3.2 is overwogen is geen sprake van een aanvraag tot het vaststellen van een bestemmingsplan en derhalve ook niet van een besluit op een aanvraag noch van een ambtshalve besluit inhoudende de weigering een bestemmingsplan vast te stellen. Dit betekent dat ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening niet de Afdeling in eerste en enige aanleg, maar de rechtbank in eerste aanleg bevoegd is kennis te nemen van het beroep.

De Afdeling zal om proceseconomische redenen het beroep niet doorzenden aan de rechtbank maar daarop beslissen. Zij ziet daarvoor in dit geval te meer aanleiding, nu zij ook in het geval er hoger beroep was ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, na vernietiging van die uitspraak, uitspraak had kunnen doen op het bij de rechtbank ingestelde beroep.

5. Nu geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, heeft het college het bezwaar van de Stichting gericht tegen de brief van 26 april 2011 naar het oordeel van de Afdeling terecht niet-ontvankelijk verklaard.

In hetgeen de Stichting heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 24 januari 2012 is genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. den Broeder, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Den Broeder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

634.