Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0651

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201107786/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit waarbij het college een besluit tot vaststelling van peilen hangende hoger beroep heeft gewijzigd. Ter bepaling van het optimale peil heeft het algemeen bestuur de nat- en droogschade aan de landbouw in het peilvak berekend. Dit wordt doorgaans aan de hand van de zogeheten Waternoodsystematiek berekend, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van HELP-tabellen. Nu echter sprake is van een dusdanig groot landbouwareaal met bepaalde combinaties van grondwaterstanden en bodem- en gewastypen die niet in de HELP-tabellen zijn opgenomen, heeft het algemeen bestuur bij het bepalen van het optimale peil afgezien van een verder gebruik van de Waternoodsystematiek en een vereenvoudigde toetsing met behulp van de HELP-tabellen uitgevoerd. Daarbij heeft het algemeen bestuur uiteengezet dat - anders dan in de notitie is vermeld - een modelmatige toetsing niet uitvoerbaar blijkt te zijn, omdat is gebleken dat voornoemde combinatiegegevens die niet in de HELP-tabellen zijn opgenomen, ook in de toekomst niet beschikbaar zijn en de HELP-tabellen hiermee niet zullen worden aangevuld. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur zich bij het vaststellen van het peil niet had mogen baseren op de gehanteerde vereenvoudigde toetsing. (…) In hetgeen appellant heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt of dat het anderszins niet in redelijkheid het peil heeft kunnen vaststellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107786/1/A4.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oud Gastel, gemeente Halderberge,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 27 mei 2011 in zaak nr. 11/402 in het geding tussen:

[appellant]

en

het algemeen bestuur van het waterschap Brabantse Delta,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2010 heeft het algemeen bestuur voor het peilvak 'Kaas en Brood' met code MA2, gelegen in het gebied Halderberge, (hierna: het peilvak) peilen vastgesteld.

Bij uitspraak van 27 mei 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het algemeen bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het algemeen bestuur en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2012, waar het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door D.I. Jansen-Jonkers en drs. D.P. Coenen, is verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst, de zaak aangehouden en het algemeen bestuur in de gelegenheid gesteld om een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 31 oktober 2012 heeft het algemeen bestuur het besluit van 8 december 2010 gewijzigd.

Het algemeen bestuur en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Het besluit van 31 oktober 2012 is een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, (oud) van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien bij dit nieuwe besluit niet aan de bezwaren van [appellant] is tegemoetgekomen, wordt het hoger beroep, gelet op artikel 6:24, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, (oud) en 6:19, eerste lid (oud) geacht mede een beroep tegen dit besluit in te houden.

3. Bij het besluit van 31 oktober 2012 heeft het algemeen bestuur, onder wijziging van het besluit van 8 december 2010, voor het peilvak andere peilen vastgesteld. Niet is gebleken dat [appellant] nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.

Het hoger beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

4. Ingevolge artikel 5.2, eerste lid, van de Waterwet stelt een beheerder voor daartoe aan te wijzen oppervlaktewater- of grondwaterlichamen onder zijn beheer één of meer peilbesluiten vast.

Ingevolge het tweede lid worden in een peilbesluit waterstanden of bandbreedten waarbinnen waterstanden kunnen variëren vastgesteld, die gedurende daarbij aangegeven perioden zoveel mogelijk worden gehandhaafd.

Ingevolge artikel 5.4 van de Verordening water Noord-Brabant stelt het algemeen bestuur van het waterschap een of meer peilbesluiten vast voor de oppervlaktewaterlichamen in de gebieden die zijn aangegeven op de kaart in bijlage IV van de verordening.

Ingevolge artikel 5.5, eerste lid, bevat het peilbesluit een kaart met de begrenzing van het gebied waarbinnen de oppervlaktewateren gelegen zijn waarop het peilbesluit betrekking heeft.

Ingevolge het tweede lid gaat het peilbesluit vergezeld van een toelichting waarin tenminste zijn opgenomen:

a. de aan het besluit ten grondslag liggende afwegingen en uitkomsten van de verrichte onderzoeken;

b. een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van een geldend peilbesluit, dan wel de bestaande situatie in het geval dat er nog geen peilbesluit geldt;

c. een aanduiding van de gevolgen van de te handhaven waterstanden voor de diverse belangen.

5. In het besluit van 31 oktober 2012 (hierna: het bestreden besluit) is bepaald dat voor het peilvak, alwaar de percelen van [appellant] zijn gelegen, een zomerpeil van 0,70 m en een winterpeil van 0,90 m onder het NAP geldt. Deze wijziging ten opzichte van het besluit van 8 december 2010 was volgens het algemeen bestuur nodig omdat de peilschaal bij de St. Antoinisdijk, aan de hand waarvan de peilen destijds waren bepaald, te laag hing en moest worden gecorrigeerd om deze te laten refereren aan het NAP. Het feitelijke peil is met de wijziging niet veranderd, aldus het algemeen bestuur.

6. [appellant] betwist dat de peilschaal verkeerd is ingemeten en te laag hangt. Hij stelt dat het algemeen bestuur dit niet voldoende heeft onderbouwd. Daarnaast betoogt [appellant] dat de vastgestelde peilen niet corresponderen met de meetresultaten.

6.1. Het waterschap Brabantse Delta heeft op 5 april 2011 een veldmeting verricht, waarbij het waterspiegelverval, de waterbodemhoogte, de maaiveldhoogte van de lage perceelsdelen van [appellant] en de peilschaal van de polder 'Kaas en Brood' zijn ingemeten. Uit de meetresultaten blijkt dat de peilschaal niet correct refereert aan het NAP, maar 20,8 cm te laag hangt. Niet is gesteld en evenmin is gebleken dat de metingen onzorgvuldig zijn uitgevoerd. Ook overigens bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur zich niet op de metingen en de resultaten daarvan mocht baseren. Het door [appellant] gestelde verschil tussen de meetresultaten en de vastgestelde peilen komt voort uit een afronding op 5 cm die het algemeen bestuur pleegt te hanteren. Volgens het algemeen bestuur behoort deze afronding tot algemeen aanvaarde methoden om peilen vast te stellen. [appellant] heeft dit niet bestreden.

De beroepsgrond faalt.

7. [appellant] betoogt dat de peilen voor het peilvak te hoog zijn vastgesteld. De peilen zijn niet optimaal afgestemd op het huidige agrarische gebruik. Door de te hoge peilen treedt vernatting van de gronden op, hetgeen tot diverse schaden leidt. Teneinde dit aan te tonen, heeft [appellant] een onderzoek doen uitvoeren door Grontmij Nederland B.V., hetgeen heeft geresulteerd in een rapport van 23 december 2011. Verder stelt [appellant] dat de door het algemeen bestuur gehanteerde methode voor het vaststellen van het peil, namelijk een indicatieve, theoretische toetsing, niet met zekerheid hoeft te leiden tot een optimaal peil. Hij wijst er op dat het waterschap Brabantse Delta in de notitie van 12 mei 2011 (hierna: de notitie) aanbeveelt om het geoptimaliseerde peil in een volgende herziening van het peilbesluit modelmatig te toetsen. [appellant] stelt voorts dat het algemeen bestuur bij de belangenafweging onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de gebruiksfunctie van het peilvak.

7.1. Ter bepaling van het optimale peil heeft het algemeen bestuur de nat- en droogschade aan de landbouw in het peilvak berekend. In de notitie is vermeld dat dat dit doorgaans aan de hand de zogeheten Waternoodsystematiek wordt berekend, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van HELP-tabellen. Nu echter sprake is van een dusdanig groot landbouwareaal met bepaalde combinaties van grondwaterstanden en bodem- en gewastypen die niet in de HELP-tabellen zijn opgenomen, heeft het algemeen bestuur bij het bepalen van het optimale peil afgezien van een verder gebruik van de Waternoodsystematiek en een vereenvoudigde toetsing met behulp van de HELP-tabellen uitgevoerd. Daarbij heeft het algemeen bestuur uiteengezet dat - anders dan in de notitie is vermeld - een modelmatige toetsing niet uitvoerbaar blijkt te zijn, omdat is gebleken dat voornoemde combinatiegegevens die niet in de HELP-tabellen zijn opgenomen, ook in de toekomst niet beschikbaar zijn en de HELP-tabellen hiermee niet zullen worden aangevuld. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur zich bij het vaststellen van het peil niet had mogen baseren op de gehanteerde vereenvoudigde toetsing.

7.2. Het peilvak heeft in het peilenplan "Hoevense Beemden" van 27 oktober 2010 (hierna: het peilenplan) de functie "AHS Landbouw". Het in het bestreden besluit vastgestelde peil wijkt feitelijk niet af van het peilenplan. Het algemeen bestuur heeft onderzocht of door het verlagen van het peil alsnog een optimaal peil ontstaat. Daarbij heeft het de droogleggingsnormen zoals die zijn bepaald in het Cultuurtechnisch Vademecum, de gecombineerde schade, zijnde de som van de nat- en droogteschade voor de landbouw, en de belangen van andere gebruikers van percelen in het peilvak betrokken. Volgens het algemeen bestuur schrijven de droogleggingsnormen voor dat in de zomer minimaal 50 cm en in de winter minimaal 80 cm drooglegging aanwezig dient te zijn. Nu bij het gevoerde peilregime ter plaatse van de percelen van [appellant] de drooglegging circa 85 cm in de zomer en circa 110 cm in de winter bedraagt, wordt aan de droogleggingsnormen voldaan, aldus het algemeen bestuur. Voorts heeft het algemeen bestuur aan de hand van de gecombineerde schade aan de verschillende soorten gronden in het peilvak vastgesteld dat ook wordt voldaan aan de doelrealisatie voor de landbouw. Verder is, zo stelt het algemeen bestuur, gebleken dat verlaging van het zomerpeil de gecombineerde schade niet zal doen afnemen en verlaging van het winterpeil de gecombineerde schade slechts in zeer beperkte mate kan doen verminderen. Verlaging van het winterpeil heeft tot gevolg dat de gebruiksmogelijkheden van de grond voor veeteelt worden verminderd. Gelet hierop stelt het algemeen bestuur zich op het standpunt dat het vastgestelde peil optimaal is en dat voor het vaststellen van een lager peil geen aanleiding bestaat.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het algemeen bestuur een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt of dat het anderszins niet in redelijkheid het peil heeft kunnen vaststellen.

Voor zover [appellant] verwijst naar het onder 7 genoemde rapport van Grontmij Nederland B.V., overweegt de Afdeling dat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat het algemeen bestuur het peil op onjuiste wijze heeft vastgesteld.

De beroepsgrond faalt.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het algemeen bestuur van het waterschap Brabantse Delta van 31 oktober 2012 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat.

w.g. Timmerman-Buck w.g. Van der Maesen de Sombreff

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

190-742.