Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0650

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201210790/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2002 heeft het college aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning op het perceel [locatie] te Veldhoven (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210790/1/A1.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Veldhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 9 oktober 2012 in zaak nr. 12/1631 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2002 heeft het college aan [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woning op het perceel [locatie] te Veldhoven (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 mei 2012 heeft het college het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten, waarbij de voorwaarde aan de vergunning is verbonden dat de oude woning op het perceel moet worden gesloopt.

Bij uitspraak van 9 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. W. Krijger, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.E.F. Diemel en A.H. Vlassak, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college bij het besluit op bezwaar alsnog de belastende voorwaarde van sloop van de bestaande woning aan de op 4 september 2002 verleende bouwvergunning heeft mogen verbinden, nu dit volgens hem in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

De rechtbank heeft aan het feit dat hij in 2002 een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente heeft gesloten waarin voor hem de plicht tot sloop is opgenomen, ten onrechte de conclusie verbonden dat hij altijd heeft geweten dat hij de bestaande woning moest slopen. Daarbij heeft zij een aantal omstandigheden dat zich daarna heeft voorgedaan, veronachtzaamd. Verder heeft de rechtbank miskend dat het college aan het alsnog opleggen van de voorwaarde een ondeugdelijke motivering ten grondslag heeft gelegd, en dat het bij de heroverweging in bezwaar ten onrechte niet alle relevante nieuwe feiten en omstandigheden heeft meegenomen.

1.1. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat het college niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld door bij het besluit op bezwaar alsnog de voorwaarde van sloop van de bestaande woning aan de bouwvergunning te verbinden.

Zij heeft daarbij terecht in aanmerking genomen dat de bezwaarprocedure is gericht op een volledige heroverweging van het primaire besluit, alsmede op herstel van gemaakte fouten. Verder heeft zij terecht van belang geacht dat het [appellant] van meet af aan duidelijk is geweest dat het college alleen medewerking aan zijn plan voor het bouwen van een nieuwe woning op het perceel wenste te verlenen, indien de bestaande woning zou worden gesloopt. Dit volgt onmiskenbaar uit de tekst van de door [appellant] ondertekende privaatrechtelijke overeenkomst die de gemeente Veldhoven op 22 augustus 2002 met hem heeft gesloten. Het college heeft [appellant] verder in de aan hem gerichte brieven van 22 mei 2006 en 24 september 2009 op zijn uit deze overeenkomst voortvloeiende plicht om te slopen gewezen en nakoming van die overeenkomst gevorderd. Voorts heeft de gemeenteraad in overeenstemming hiermee, op 15 december 2009 het bestemmingsplan "Buitengebied 2009" vastgesteld waarin de oude woning is wegbestemd.

Dat ook [appellant] zelf voorafgaand aan de verlening van de bouwvergunning uitdrukkelijk de intentie had de bestaande woning te slopen volgt uit zijn brief aan het college van 20 april 1998 waarin hij dit heeft medegedeeld. Verder heeft hij bij de aanvraag om bouwvergunning een tekening gevoegd waarop de bestaande woning met een onderbroken lijn is weergegeven en voorts volgt zijn voornemen om te slopen uit zijn aanvraag om een sloopvergunning voor de desbetreffende woning van 22 maart 2002, welke vergunning hem bij het besluit van 30 augustus 2002 is verleend.

Niet valt in te zien waarom, zoals [appellant] stelt, de rechtbank teveel waarde heeft toegekend aan de inhoud van de gesloten overeenkomst. De door [appellant] gestelde omstandigheden die zich na het sluiten daarvan hebben voorgedaan, zoals de ontwikkeling van het woongebied Zilverackers ten westen van Veldhoven, doen niets af aan de aan [appellant] bekende intentie van het college bij het verlenen van zijn bouwvergunning. Ook de omstandigheid dat [appellant] het, zoals hij stelt, met genoemde ontwikkeling niet eens is, vormt geen reden voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de voorwaarde tot sloop alsnog aan de bouwvergunning mocht worden verbonden. Anders dan [appellant] stelt, is het overigens - gelet op de aan hem gerichte brieven van het college van 22 mei 2006 en 24 september 2009 die zich onder de gedingstukken bevinden - niet juist dat het college geen nakoming van de overeenkomst heeft gevorderd. Dat het college zich naderhand op het standpunt heeft gesteld dat de overeenkomst nietig is, leidt, wat daarvan zij, evenmin tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet juist is. De rechtbank heeft die omstandigheid terecht niet van doorslaggevend belang geacht voor de beantwoording van de voorliggende rechtsvraag. De stelling van [appellant] dat, nu de privaatrechtelijke weg voor het college niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, het college niet meer alsnog voor de publiekrechtelijke weg mocht kiezen door de voorwaarde aan de vergunning te verbinden, wordt evenmin gevolgd, nu in de wet voor die stelling geen steun kan worden gevonden.

De stellingen dat het college zich gelet op de werking van het overgangsrecht ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bevoegd is om handhavend tegen de desbetreffende woning op te treden, en dat het daarmee bovendien het gelijkheidsbeginsel schendt, nu het in het verleden juist op grond van het overgangsrecht heeft geweigerd handhavend op te treden tegen gesteld met de wet strijdige activiteiten van [belanghebbende], leiden evenmin tot het daarmee beoogde doel. De vraag of het college bevoegd is om handhavend op te treden tegen de woning ligt in dit geschil niet ter beoordeling voor, zodat zich reeds daarom geen vergelijkbaar geval voordoet.

Dat het college bij het besluit op bezwaar niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken is voorts niet gebleken. Ook in de omstandigheid dat het college eerst na lange tijd op het bezwaar van [belanghebbende] heeft besloten, heeft de rechtbank onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat het alsnog verbinden van de sloopvoorwaarde aan de bouwvergunning onrechtmatig is.

Het betoog faalt.

2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Bolleboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

641.