Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0643

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201202173/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij afzonderlijke besluiten van 18 november 2008 heeft het college [belanghebbende A] en [belanghebbende B] elk een planschadevergoeding van € 8.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2007 tot de dag van uitbetaling, toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201202173/1/A2.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: de vennootschap) gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 januari 2012 in zaak nr. 10/3331 in het geding tussen:

de vennootschap

en

het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 18 november 2008 heeft het college [belanghebbende A] en [belanghebbende B] elk een planschadevergoeding van € 8.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 december 2007 tot de dag van uitbetaling, toegekend.

Bij besluit van 24 augustus 2010 heeft het college het door de vennootschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 januari 2012 heeft de rechtbank het door de vennootschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vennootschap hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij afzonderlijke brieven van 22 augustus 2012 heeft de Afdeling de vennootschap en het college om nadere inlichtingen verzocht. Bij brief van 24 september 2012 heeft de vennootschap daarop gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht, om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 49, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 juli 2008 luidde, kennen burgemeester en wethouders een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van het besluit omtrent vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17 of 19, schade lijdt of zal lijden welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

Bij Wet van 8 juni 2005 tot wijziging van de WRO (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten) is na artikel 49 een nieuw artikel 49a ingevoegd. Dit artikel is op 22 juni 2005 in werking getreden.

Ingevolge het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders, voor zover schade die op grond van artikel 49 voor vergoeding in aanmerking zou komen haar grondslag vindt in een besluit op een verzoek om vrijstelling te verlenen, met de verzoeker overeenkomen dat die schade geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening komt.

Ingevolge het tweede lid is de verzoeker die een overeenkomst, als bedoeld in het eerste lid heeft gesloten, belanghebbende bij een besluit van burgemeester en wethouders op een aanvraag om schadevergoeding op grond van artikel 49 ter zake van de verlening van de vrijstelling waarom hij heeft verzocht.

2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts indien realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden.

3. Op 4 maart 2005 zijn de burgemeester van Laarbeek, handelend namens de gemeente, en de vennootschap onder meer overeengekomen dat de vennootschap eventuele planschade, die zal voortvloeien uit de door haar gevraagde vrijstelling van het bestemmingsplan voor het realiseren van twee bungalows op een perceel aan de Melodiestraat te Beek en Donk (hierna: het perceel), binnen twee maanden na de onherroepelijke vaststelling van de planschade geheel voor haar rekening neemt door middel van betaling van het planschadebedrag aan de gemeente (hierna: de regresbepaling), met dien verstande dat de regresbepaling in werking treedt bij de inwerkingtreding van de wettelijke regeling van de bevoegdheid van een bestuursorgaan om een overeenkomst met betrekking tot de vergoeding van planschade te sluiten, waarvoor op 29 maart 2004 een voorstel van wet is ingediend (hierna: de opschortende voorwaarde).

Voorts zijn partijen onder meer overeengekomen dat de gemeente de vennootschap onmiddellijk in kennis stelt van een bij haar ingediend verzoek om planschadevergoeding onder toezending van een afschrift van dat verzoek, dat de gemeente het conceptadvies van de ter zake benoemde deskundige toezendt aan de vennootschap en de vennootschap in de gelegenheid stelt hierover een zienswijze te geven en dat de gemeente die zienswijze bij de te nemen beslissing afweegt.

4. Bij besluit van 15 mei 2007 (hierna: het vrijstellingsbesluit) heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO de door de vennootschap gevraagde vrijstelling verleend.

5. [belanghebbende A] en [belanghebbende B] zijn eigenaar van de woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Beek en Donk (hierna: de woningen). Bij afzonderlijke brieven, bij de gemeente binnengekomen op 18 december 2007, hebben zij het college verzocht om vergoeding van planschade. Aan de verzoeken is ten grondslag gelegd dat het vrijstellingsbesluit tot waardevermindering van de woningen heeft geleid.

6. Het college heeft de verzoeken om vergoeding van planschade ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ).

In afzonderlijke adviezen van september 2008 heeft de SAOZ een vergelijking tussen de planologische mogelijkheden van het oude en het nieuwe planologische regime gemaakt. Wat betreft de bebouwingsmogelijkheden is in de adviezen uiteengezet dat de planologische wijziging tot een beperkte verslechtering van het uitzicht in westelijke richting heeft geleid, maar niet tot verminderde bezonning of extra schaduwwerking. Wat betreft de gebruiksmogelijkheden is in de adviezen uiteengezet dat, gezien de onder het oude planologische regime reeds bestaande mogelijkheden tot inkijk in de achtertuin en achtergevel van de woningen vanaf het perceel, de privacy niet in relevante mate is aangetast, maar de toegenomen gebruiksintensiteit zal leiden tot een grotere belasting voor de directe omgeving, zoals geluidshinder. Verder is vermeld dat de situeringswaarde van de woningen niet is aangetast. Volgens de SAOZ zijn [belanghebbende A] en [belanghebbende B] door het vrijstellingsbesluit in een beperkt nadeliger positie komen te verkeren en is de waarde van de woningen ten tijde van de inwerkingtreding van dat besluit (hierna: de peildatum) van € 415.000,00 naar € 407.000,00 gedaald.

Het college heeft de adviezen van de SAOZ aan de besluiten van 18 november 2008 ten grondslag gelegd.

7. Ambtshalve overweegt de Afdeling dat, nu de regresbepaling van de overeenkomst van 4 maart 2005, gelet op de daaraan verbonden opschortende voorwaarde, niet vóór 22 juni 2005 werking heeft gekregen, artikel 49a van de WRO daarop van toepassing is. Dit brengt met zich dat de vennootschap belanghebbende is bij de besluiten van 18 november 2008.

8. De vennootschap betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in de adviezen van de SAOZ van september 2008 voldoende is toegelicht dat [belanghebbende A] en [belanghebbende B] als gevolg van het vrijstellingsbesluit in een beperkt nadeliger positie zijn komen te verkeren en dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de taxatie van de waardedaling van de woningen, als vervat in die adviezen, zodanige gebreken kleven, dat het college de besluiten niet in redelijkheid daarop heeft kunnen baseren. Daartoe voert de vennootschap aan dat er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de volledigheid en juistheid van de door de SAOZ gemaakte planologische vergelijking zijn. Voorts voert zij aan dat de taxatie van de waardedaling van de woningen niet met een taxatierapport is onderbouwd en niet inzichtelijk is.

8.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling mag een bestuursorgaan een besluit op een aanvraag om vergoeding van planschade baseren op het advies van een door dat bestuursorgaan benoemde deskundige, indien uit dat advies blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

8.2. De adviezen van de SAOZ van september 2008 bieden op de wijze, als hiervoor bedoeld, inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie kunnen dragen dat [belanghebbende A] en [belanghebbende B] door het vrijstellingsbesluit in een beperkt nadeliger positie zijn komen te verkeren en op de peildatum elk een planschade van € 8.000,00 hebben geleden. Uit de schriftelijke toelichting van de SAOZ van 22 december 2010 blijkt dat de waarde van de woningen op de peildatum onder het oude planologische regime in overleg met een taxateur is bepaald en dat het uit de planologische vergelijking gebleken nadeel van het vrijstellingsbesluit tegen die waarde is afgezet ten einde aldus de waarde van de woningen op de peildatum onder het nieuwe planologische regime en daarmee de waardedaling vast te stellen. In dit verband is van belang dat inzichten van een taxateur in een geval als dit zijn gebaseerd op diens kennis en ervaring en dat een nadere toelichting op die inzichten niet in alle gevallen kan worden verlangd.

De vennootschap heeft in bezwaar of beroep geen deskundigenrapport overgelegd waarin de adviezen gemotiveerd zijn bestreden. Dat zij het, gezien het hogerberoepschrift, met verscheidene onderdelen van de adviezen niet eens is en kritische kanttekeningen bij die onderdelen heeft geplaatst, betekent niet dat het door de SAOZ verrichte onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest.

Het betoog faalt.

9. De vennootschap betoogt ten slotte dat de rechtbank, door te overwegen dat niet in strijd met de Procedureverordening voor advisering in planschade gemeente Laarbeek (hierna: de verordening) is gehandeld, heeft miskend dat het college zich niet heeft gehouden aan bepalingen van de verordening en de overeenkomst van 4 maart 2005, omdat zij haar zienswijze over de verzoeken om planschadevergoeding niet vóór de conceptadviezen van de SAOZ kenbaar heeft kunnen maken.

9.1. Dit betoog berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak, omdat de rechtbank heeft overwogen dat in strijd met de verordening is gehandeld, maar de vennootschap daardoor niet in haar belangen is geschaad. Aan dat oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat de vennootschap in bezwaar alsnog de gelegenheid heeft gehad om haar zienswijze over de adviezen van de SAOZ te geven of een deskundigenrapport over te leggen, dat niet valt in te zien dat de planschadevergoedingen lager zouden zijn uitgevallen als de vennootschap tijdig bij de procedure was betrokken en dat de inhoud van de overeenkomst van 4 maart 2005, gelet op de aan de orde zijnde toetsing, niet de rechtmatigheid van het besluit van 24 augustus 2010 raakt. In het hogerberoepschrift zijn geen redenen aangevoerd waarom dat oordeel onjuist of onvolledig zou zijn.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.C. Kranenburg en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

452.