Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0639

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201208284/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2012:BX1370, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 februari 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van [camping] op het adres [locatie] te Vollenhove (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208284/1/A1.

Datum uitspraak: 22 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Vollenhove, gemeente Steenwijkerland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 juli 2012 in zaak nr. 12/583 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van [camping] op het adres [locatie] te Vollenhove (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 13 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Berg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Vollenhove" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met Landschappelijke waarden".

2. Bij besluit van 20 januari 2010 heeft het college [vergunninghouder] krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling verleend voor een uitbreiding van de camping. Daarbij is, voor zover thans van belang, voorgeschreven dat het nieuwe en bestaande terrein landschappelijk wordt ingepast met een beplantingsstrook van minimaal 6 m, die aan de noordoostzijde wordt verbreed tot 50 m. Aangezien de beplantingsstrook van 50 m aan de noordoostzijde niet is gerealiseerd en een vijver is aangelegd zonder omgevingsvergunning, is [vergunninghouder] bij besluit van 28 juni 2011 een last onder dwangsom opgelegd.

De last onder dwangsom is ingetrokken, nadat bij besluit van 6 februari 2012 omgevingsvergunning is verleend.

3. De aanvraag, waarvoor omgevingsvergunning is verleend, ziet, voor zover thans van belang, op het realiseren van een beplantingsstrook van 25 tot 30 m aan de noordoostzijde van het perceel, waar de woning van [appellant] ligt, en een vijver, die naast retentie als visvijver is te gebruiken.

Niet in geschil is dat realisering daarvan in strijd is het bestemmingsplan. Om realisering niettemin mogelijk te maken, heeft het college omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van het perceel in strijd met het bestemmingsplan.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Daartoe voert hij aan dat het college [vergunninghouder] bij besluit van 28 juni 2011 heeft gelast aan de noordoostzijde van camping een beplantingsstrook van 50 m aan te leggen en te hebben en de op het perceel aanwezige vijver te dempen, dan wel een omgevingsvergunning daarvoor aan te vragen. [appellant] mocht er derhalve op vertrouwen dat het college de aanvraag niet zou inwilligen.

Voorts voert [appellant] aan dat hij zijn beroep bij de rechtbank tegen de bij besluit van 20 januari 2010 verleende vrijstelling heeft ingetrokken, omdat met [vergunninghouder] overeenstemming was bereikt over de breedte van de beplantingsstrook, maar dat daarmee in de aanvraag geen rekening is gehouden en dat met het verlenen van een omgevingsvergunning inbreuk wordt gemaakt op het woon- en leefklimaat.

Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de voorziene vijver wegens het aangrenzende zandstrand zal worden gebruikt als zwemvijver.

4.1. In de omstandigheid dat het college zich tijdens de eerdere handhavingsprocedure op het standpunt heeft gesteld dat de beplantingsstrook aan de noordoostzijde van het perceel 50 m breed diende te zijn, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college door middel van de daarvoor vereiste procedure geen omgevingsvergunning mocht verlenen. Dat er ten tijde van het handhavingsbesluit geen concreet zicht op legalisering van een beplantingsstrook van geringere breedte dan 50 m bestond, betekent daarom niet dat [appellant] erop mocht vertrouwen dat dat niet zou kunnen veranderen. Daartoe is van belang dat volgens de ruimtelijke onderbouwing en de bijbehorende terreintekeningen, die deel uitmaken van de verleende omgevingsvergunning, om het zicht op de camping te verminderen vanaf een cirkel van 50 m vanaf de woning van [appellant] tot aan de noordoostelijke grens van het perceel een beplantingsstrook is voorzien van 25 tot 30 m breed. Er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het woon- en leefklimaat van [appellant] door het realiseren van een beplantingsstrook met deze breedte, zodanig wordt aangetast, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college omgevingsvergunning mocht verlenen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat bij de vergunningaanvraag de schriftelijke afspraak tussen [appellant] en [vergunninghouder] om een strook grond ten zuiden van de woning van [appellant] omwille van het uitzicht vrij te houden in acht is genomen door de voorziene beplantingsstrook ongeveer 15 m op te schuiven.

Voorts heeft de rechtbank in hetgeen [appellant] ten aanzien van de vijver heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college daarvoor geen toestemming mocht verlenen. Dat, naar gesteld, de vijver wegens het aangrenzende zandstrand als zwemvijver zal worden gebruikt, maakt dat niet anders. Blijkens de ruimtelijke onderbouwing mag de vijver naast retentie alleen worden gebruikt als visvijver. Bij gebruik in strijd daarmee rust op het college in beginsel de plicht tot handhaving.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2013

407-757.