Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0617

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201211307/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 september 2012 heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; hierna: de staatssecretaris) de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten. Dit besluit (hierna: het terugkeerbesluit) is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211307/1/V3.

Datum uitspraak: 16 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 oktober 2012 in zaak nr. 12/29513 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2012 heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; hierna: de staatssecretaris) de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten. Dit besluit (hierna: het terugkeerbesluit) is aangehecht.

Bij mondelinge uitspraak van 30 oktober 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie erkent de Unie de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) van 7 december 2000, als aangepast op 12 december 2007 te Straatsburg, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft.

De bepalingen van het Handvest houden geenszins een verruiming in van de bevoegdheden van de Unie zoals bepaald bij de Verdragen.

De rechten, vrijheden en beginselen van het Handvest worden uitgelegd overeenkomstig de algemene bepalingen van titel VII van het Handvest betreffende de uitlegging en toepassing ervan, waarbij de in het Handvest bedoelde toelichtingen, waarin de bronnen van deze bepalingen vermeld zijn, terdege in acht genomen worden.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Handvest, heeft eenieder er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.

Volgens het tweede lid, behelst dit recht met name:

a) het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen;

b) het recht van eenieder om inzage te krijgen in het hem betreffende dossier, met inachtneming van het gerechtvaardigde belang van de vertrouwelijkheid en het beroeps- en het zakengeheim;

c) de plicht van de betrokken diensten, hun beslissingen met redenen te omkleden.

Ingevolge artikel 47 heeft een ieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Een ieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, zijn de bepalingen van dit Handvest gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld.

In punt 11 van de considerans van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008 L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) staat dat er gemeenschappelijke wettelijke minimumwaarborgen dienen te worden vastgesteld voor besluiten in het kader van terugkeer, teneinde de belangen van de betrokkenen te beschermen.

Volgens artikel 6, eerste lid, vaardigen de lidstaten, onverminderd de in de leden twee tot en met vijf vermelde uitzonderingen, een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.

Volgens artikel 13, eerste lid, wordt aan de betrokken onderdaan van een derde land een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar toegekend, dat hij bij een bevoegde rechterlijke of administratieve autoriteit of bij een onpartijdig samengestelde bevoegde instantie waarvan de onafhankelijkheid is gewaarborgd, kan aanwenden tegen het terugkeerbesluit.

3. De vreemdeling klaagt in grief I dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft toegelicht dat de voorbereiding en het opleggen van het terugkeerbesluit in strijd zijn met artikel 41 van het Handvest omdat hij voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring is gehoord en is gewezen op de mogelijkheid van bijstand door een raadsman.

Daartoe voert de vreemdeling, onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 21 april 2011, P10/00172 (LJN: BQ2794), aan dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat hij niet de gelegenheid heeft gehad om zich te verweren, waaronder moet worden begrepen het kunnen raadplegen van een raadsman, omdat tussen het gehoor en het nemen van het besluit zeventien minuten lagen. Volgens de vreemdeling heeft de rechtbank ten onrechte aangenomen dat aanhoren - en niet horen - voldoende is om de in artikel 41 van het Handvest gestelde procedurele waarborgen niet geschonden te achten. Aldus heeft de rechtbank de betekenis van artikel 41 van het Handvest miskend. Voorts heeft de rechtbank, door aldus te overwegen, het nuttig effect ontnomen aan punt 11 van de considerans en aan artikel 13 van de Terugkeerrichtlijn en artikel 47 van het Handvest en aldus het recht op een effectieve rechterlijke bescherming geschonden. De vreemdeling verzoekt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen.

3.1. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 december 2010 in zaak nr. 201003052/1/V3), is het Handvest juridisch bindend geworden met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009. Gelet op artikel 51, eerste lid, van het Handvest, is het Handvest uitsluitend van toepassing wanneer de lidstaten het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Het besluit van de minister dateert van 15 september 2012 en is genomen krachtens artikel 62a van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), welke bepaling een omzetting vormt van artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn. Aldus heeft de staatssecretaris in deze zaak het recht van de Unie ten uitvoer gebracht. De zaak valt derhalve binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest.

3.2. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 18 december 2008, C-349/07, Sopropé, (hierna: het arrest Sopropé; www.curia.europa.eu) volgt dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging een algemeen beginsel van het recht van de Unie is dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit jegens een bepaalde persoon te nemen.

Uit het arrest van het Hof van Justitie van 22 november 2012, C-277/11, M. M., punt 82 (www.curia.europa.eu), volgt dat bedoelde rechten onder meer zijn neergelegd in artikel 41, tweede lid, van het Handvest. Gelet op de derde in de uitspraak van 1 augustus 2012 van de Afdeling in zaken nrs. 201108135/1/A3 en 201110165/1/A3 gestelde prejudiciële vraag is het thans onduidelijk of voormeld artikel 41, tweede lid, ook van toepassing is wanneer de lidstaten het recht van de Unie ten uitvoer brengen.

Het terugkeerbesluit is een bezwarend besluit. Nu dit besluit is genomen krachtens artikel 62a van de Vw 2000 is bij de voorbereiding van voormeld besluit in elk geval, gelet op het arrest Sopropé, het algemene beginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging van toepassing. Meer in het bijzonder heeft het Hof van Justitie in punt 37 van dat arrest overwogen dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat moeten worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren en dat zij daartoe over een toereikende termijn dienen te beschikken.

3.3. Blijkens de op 15 september 2012 op ambtseed opgemaakte processen-verbaal van het gehoor, bedoeld in artikel 5.2. van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), en van het gehoor bij een terugkeerbesluit zijn de gehoren op die dag om 13.32 uur aangevangen. Blijkens het op 15 september 2012 op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is het terugkeerbesluit op die dag om 13.49 uur aan de vreemdeling uitgereikt.

3.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 november 2012 in zaak nr. 201208138/1/V3) verschillen de relevante persoonlijke omstandigheden en belangen in een geval waarin het terugkeerbesluit met name tot doel heeft de verplichting op te leggen dan wel vast te stellen dat de vreemdeling de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten, in essentie niet van de persoonlijke omstandigheden en belangen die relevant zijn voor het nemen van een besluit tot inbewaringstelling en kan derhalve om te voldoen aan de verplichting tot horen voorafgaand aan respectievelijk het nemen van het terugkeerbesluit en het nemen van het besluit tot inbewaringstelling worden volstaan met één samengesteld gehoor.

3.5. Uit hetgeen onder 3.3. is weergegeven volgt dat de staatssecretaris de vreemdeling voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit en het besluit tot inbewaringstelling heeft gehoord om te beoordelen of het risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. De vreemdeling is derhalve voorafgaand aan het nemen van het terugkeerbesluit voldoende in staat gesteld de voor het nemen van het terugkeerbesluit relevante persoonlijke omstandigheden en belangen naar voren te brengen. Blijkens het op 15 september 2012 op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van het gehoor, bedoeld in artikel 5.2. van het Vb 2000, is de vreemdeling gewezen op de mogelijkheid zich te doen bijstaan door een raadsman en heeft hij te kennen gegeven geen bijstand van een advocaat bij bedoeld gehoor te willen, zodat reeds hierom het betoog van de vreemdeling dat hij geen raadsman heeft kunnen raadplegen faalt.

3.6. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de staatssecretaris het terugkeerbesluit voldoende zorgvuldig heeft voorbereid. De klacht van de vreemdeling dat de rechtbank de betekenis van het algemene beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft miskend faalt.

3.7. Gelet op hetgeen onder 3.6. is overwogen, bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank in strijd met punt 11 van de considerans en artikel 13, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn gestelde waarborgen heeft gehandeld en aldus artikel 47 van het Handvest heeft geschonden. De aldus voorgedragen klacht faalt.

3.8. Gelet op hetgeen onder 3.1. tot en met 3.7. is overwogen bestaat geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag, zoals de vreemdeling heeft verzocht, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de gestelde vraag over de betrokken Unierechtelijke rechtsregels moet worden opgelost (zie het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, 283/81, Cilfit, punt 16; www.curia.europa.eu).

3.9. Grief I faalt.

4. Voor de beoordeling van grief II zijn de volgende feiten van belang. De vreemdeling heeft op 15 september 2012 tegen het terugkeerbesluit en op 16 september 2012 tegen de opgelegde maatregel van bewaring beroep ingesteld. Voorts heeft de vreemdeling bij het tegen het terugkeerbesluit ingestelde beroep de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening is op 4 oktober 2012 ter zitting behandeld en bij uitspraak van 11 oktober 2012 heeft de voorzieningenrechter dat verzoek afgewezen.

De door de vreemdeling ingestelde beroepen tegen de aan hem opgelegde maatregel van bewaring en het terugkeerbesluit zijn onderscheidenlijk op 25 september 2012 en 30 oktober 2012 ter zitting bij de rechtbank behandeld. De beroepen zijn derhalve niet gelijktijdig behandeld.

4.1. De in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van 17 april 2013 in zaak nr. 201209288/1/V3 beantwoord. Uit de overwegingen 8.1. tot en met 8.4.6. van die uitspraak vloeit voort dat grief II slaagt. Aldus bestaat geen aanleiding de door de vreemdeling voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de gestelde vraag over de betrokken Unierechtelijke regel moet worden opgelost (zie het arrest van 6 oktober 1982, 283/81, Cilfit, punt 16; www.curia.europa.eu).

5. Uit het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 10 september 2011, Ullens de Schooten en Rezabek tegen België, nrs. 3989/07 en 3853/07, punten 59 en 60 (www.echr.coe.int), kan worden afgeleid dat de rechter, ook als deze niet verplicht is een prejudiciële vraag te stellen, de weigering om een zodanige vraag te stellen moet motiveren aan de hand van de toepasselijke normen op grond waarvan van het stellen van een prejudiciële vraag kan worden afgezien. De rechtbank heeft dat niet gedaan, zodat de daartoe strekkende klacht in grief III terecht is voorgedragen. Deze grief leidt evenwel niet tot het daarmee beoogde doel, omdat hiervoor onder 4.1. is gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat om een prejudiciële vraag te stellen.

5.1. Grief III faalt.

6. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden wordt niet toegekomen. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van voornoemd besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding. Dat betekent dat de Afdeling, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 15 september 2012 van de staatssecretaris alsnog ongegrond zal verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 30 oktober 2012 in zaak nr. 12/29513;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van de Kolk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2013

347