Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
22-05-2013
Zaaknummer
201303469/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Ekkersrijt; Saturn" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303469/2/R3.

Datum uitspraak: 15 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de naamloze vennootschap Altera Vastgoed N.V., gevestigd te Amstelveen,

verzoekster,

en

1. de raad van de gemeente Son en Breugel,

2. het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Ekkersrijt; Saturn" vastgesteld.

Bij besluit van 2 april 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning voor de bouw van een elektronicawarenhuis op het perceel [locatie] verleend.

Bij publicatie van 9 april 2013 heeft het college bekend gemaakt dat het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning vanaf 11 april 2013 tot en met 23 mei 2013 ter inzage liggen.

Tegen deze besluiten heeft Altera beroep ingesteld. Altera heeft de voorzitter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[vergunninghoudster] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Altera, de raad en het college hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 mei 2013, waar Altera, vertegenwoordigd door mr. H.A. Samuels Brusse, advocaat te Utrecht, mr. C. Hoogenboom, ing. R.C. Eujen en drs. R.A. Nellen, en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. E.A. Minderhoud en mr. T. Grundmeijer, beiden advocaat te Amsterdam, E.J. Mengers en C. Kamp, beiden werkzaam bij de gemeente en drs. A.J.L. Mein, werkzaam bij het adviesbureau BRO, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat te Roermond, gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Bij besluit van 15 november 2012 heeft de raad de gemeentelijke coördinatieregeling, als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), van toepassing verklaard op de voorziene detailhandelsvestiging op het voormalige Makita-terrein op Ekkersrijt. Het plan en de omgevingsvergunning zijn vastgesteld onderscheidenlijk verleend om een vestiging van de elektronicaketen Saturn mogelijk te maken op het perceel aan [locatie], gelegen naast de bestaande meubelboulevard "Meubelplein", die in eigendom is van Altera. Het college heeft toepassing gegeven aan artikel 6.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en bepaald dat de omgevingsvergunning terstond na bekendmaking in werking treedt.

3. Altera betoogt dat de raad ten onrechte het plan heeft vastgesteld en dat het college ten onrechte de omgevingsvergunning heeft verleend. Zij beoogt met haar verzoek onomkeerbare gevolgen te voorkomen, mede nu de omgevingsvergunning reeds na bekendmaking in werking is getreden en met de bouw was begonnen.

Altera voert aan dat het college ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 6.2 van de Wabo, nu dat in strijd is met het systeem van de coördinatieregeling en de rechtsbescherming daardoor onaanvaardbaar wordt aangetast.

Altera voert verder aan dat aan de in het plan voorziene detailhandelsvestiging geen behoefte bestaat en daarbij wijst zij erop dat op haar meubelplein een geschikt pand leeg staat, waarin Saturn zich zou kunnen vestigen. In dit verband verwijst zij naar de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2013 inzake het wijzigingsplan "Ekkersrijt; Saturn" (zaak nr. 201203113/1/R3), waarin is geoordeeld dat uit de verrichte distributieplanologische onderzoeken niet volgt dat daadwerkelijk behoefte bestaat aan meer winkelruimte in het plangebied en dat in zoverre niet aan de wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Nadien heeft geen nieuw onderzoek naar de behoefte plaatsgevonden, aldus Altera.

3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat er geen wettelijke belemmering bestaat om artikel 6.2 van de Wabo toe te passen bij gecoördineerde besluiten als bedoeld in artikel 3.30 van de Wro en dat er grote belangen gemoeid zijn bij een spoedige bouw van de winkelruimte.

De raad stelt zich op het standpunt dat uit het distributieplanologisch onderzoek volgt dat behoefte bestaat aan de nieuwe detailhandelsvestiging. De wijzigingsvoorwaarde die in voormelde uitspraak aan de orde was, is nu niet meer aan de orde en was ten aanzien van behoefte strikter dan het toetsingskader voor dit bestemmingsplan.

3.2. Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, van de Wro kunnen bij besluit van de gemeenteraad gevallen of categorieën van gevallen worden aangewezen waarin de verwezenlijking van een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk beleid het wenselijk maakt dat:

a. de voorbereiding en bekendmaking van nader aan te duiden, op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd, of

b. de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder a.

Ingevolge het tweede lid wordt bij de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, de procedure beschreven in de artikelen 3.31 en 3.32, respectievelijk die procedure in samenhang met hetzij, in geval van een bestemmingsplan, de procedure beschreven in artikel 3.8, hetzij, in geval van een omgevingsvergunning, de uitgebreide procedure beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo toegepast.

Ingevolge het derde lid wordt, voor zover onder de besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, mede een omgevingsvergunning is begrepen, bij de toepassing van artikelen 2.1, eerste lid, onder c, 2.10 en 2.11 van de Wabo in plaats van bestemmingsplan gelezen: bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, onder b.

Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, van de Wabo treedt een beschikking in afwijking van het eerste lid in werking met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor het indienen van een beroepschrift in gevallen waarin zij is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb.

Ingevolge artikel 6.2 kan in gevallen waarin het onverwijld in werking treden van een beschikking als bedoeld in artikel 6.1 naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is, het in afwijking van dat artikel bepalen dat zij terstond na haar bekendmaking in werking treedt.

3.3. De voorzitter overweegt dat de omgevingsvergunning voor bouwen door de toepassing van de coördinatieregeling niet is getoetst aan het geldende bestemmingsplan, maar aan het gecoördineerd voorbereide bestemmingsplan waardoor deze versneld kon worden verleend. Naast de gecoördineerde voorbereiding met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb en de gecoördineerde bekendmaking van de besluiten, bepaalt artikel 8.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro, verder dat de gecoördineerde besluiten voor bezwaar en beroep als één besluit worden aangemerkt. Uit de uitspraak van de voorzitter van 11 februari 2010 in zaak nr. 200908100/2/R1 volgt dat dit artikel, gelezen in samenhang met artikel 8.4 van de Wro, aldus dient te worden gelezen dat een tijdens de beroepstermijn ingediend verzoek om voorlopige voorziening de inwerkingtreding van de besluiten die zijn genomen in het kader van de coördinatieregeling eveneens opschort en dat de afwijzing van een verzoek met zich brengt dat deze besluiten in werking treden. Toepassing van het op 1 oktober 2010 in werking getreden artikel 6.2 van de Wabo brengt, anders dan het gemeentebestuur betoogt, naar het oordeel van de voorzitter niet met zich dat een verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning wel opschortende werking heeft ten aanzien van het plan en niet ten aanzien van de daarop gebaseerde omgevingsvergunning.

De voorzitter is voorts van oordeel dat in dit geval bij de omgevingsvergunning, die gecoördineerd is voorbereid en bekendgemaakt met het daaraan ten grondslag liggende plan, geen ruimte bestond voor toepassing van artikel 6.2 van de Wabo, waarmee wordt afgeweken van de

in artikel 3.30, tweede lid, van de Wro geregelde uitgestelde inwerkingtreding van de vergunning en waardoor deze terstond na bekendmaking in werking treedt. Dit leidt tot de in dit geval onwenselijke situatie dat de omgevingsvergunning eerder in werking treedt dan het planologische besluit dat daaraan ten grondslag ligt. Voorts overweegt de voorzitter dat het college in het besluit geen blijk heeft gegeven van een afweging waaruit volgt dat er zodanige dringende belangen aan de orde zijn dat de onverwijlde inwerkingtreding van de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.2 van de Wabo nodig zou zijn.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter heeft het college derhalve ten onrechte bepaald dat de omgevingsvergunning terstond na bekendmaking in werking treedt.

De voorzitter ziet aanleiding om de omgevingsvergunning tot het einde van de beroepstermijn, derhalve tot en met 23 mei 2013, te schorsen teneinde alsnog een uitgestelde inwerkingtreding te bewerkstelligen.

Het verzoek komt in zoverre voor inwilliging in aanmerking.

3.4. Voor het overige wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Daartoe overweegt de voorzitter dat de raad ten behoeve van de voorziene nieuwvestiging distributieplanologisch onderzoek heeft laten verrichten, waarvan het rapport van 1 november 2012 bij het plan is gevoegd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter is niet gebleken van zodanige gebreken of onjuistheden in het distributieplanologisch onderzoek dat de raad daarvan niet heeft mogen uitgaan. De voorzitter ziet vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat daarbij niet in redelijkheid zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte aan winkelruimte kon worden betrokken. Gelet op het genoemde rapport, waarvan de conclusie is dat de voorziene ruimte voor detailhandel in de onderzochte branches voorziet in een regionale behoefte, ziet de voorzitter op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van een actuele regionale behoefte. Voor zover Altera wijst op eerdergenoemde uitspraak van 27 maart 2013 van de Afdeling over het wijzigingsplan "Ekkersrijt; Saturn", overweegt de voorzitter dat in deze procedure in zoverre een ander toetsingskader geldt, nu niet meer de vraag aan de orde is of wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan "Ekkersrijt" en de betekenis die daaraan is toegekend. Evenmin heeft Altera naar het voorlopig oordeel van de voorzitter aan het vorige plan en de daarin opgenomen wijzigingsvoorwaarden gerechtvaardigde verwachtingen kunnen ontlenen, nu de raad naar aanleiding van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van belangen een ander planologisch regime voor gronden kan vaststellen. Naar het oordeel van de voorzitter is op voorhand niet gebleken van een zodanige leegstand binnen het meubelplein dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in dit plan voorziene winkelruimte in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel van 2 april 2013, kenmerk S-HZ-2012-0325/12.0018127, tot en met 23 mei 2013;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel tot vergoeding van bij de naamloze vennootschap Altera Vastgoed N.V. in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel aan de naamloze vennootschap Altera Vastgoed N.V. het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Kegge

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013

459-715.