Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0167

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
201208016/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Leck en De Bergen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208016/2/R1.

Datum uitspraak: 15 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Santpoort-Noord, gemeente Velsen,

2. [appellant sub 2], wonend te Santpoort-Zuid, gemeente Velsen,

3. [appellant sub 3], wonend te Santpoort-Noord, gemeente Velsen,

4. [appellant sub 4], wonend te Santpoort-Zuid, gemeente Velsen, en anderen,

en

de raad van de gemeente Velsen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "De Leck en De Bergen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 3] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 april 2013, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R.T.M. Lagerweij, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, [appellant sub 3] en de raad, vertegenwoordigd door M.M.W. Pijpers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft de behandeling van de beroepen van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201208016/1/T1/R1.

Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 1]

1. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel kadastraal bekend als gemeente Velsen, sectie F, nummer 8537.

[appellant sub 1] betoogt dat de raad ten onrechte aan het perceel de bestemming "Agrarisch" heeft toegekend. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat het perceel al sinds mei 2000 in gebruik is als tuin en dat de raad dit gebruik als zodanig had moeten bestemmen. Volgens [appellant sub 1] leidt hij door de thans in het plan opgenomen bestemming planschade.

1.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel onder het voorheen geldende bestemmingsplan de bestemming "Agrarische doeleinden" had. Voorts is volgens de raad op het perceel geen hoofdgebouw aanwezig, waarbij de tuin zou kunnen horen. De raad heeft om die reden geen aanleiding gezien het perceel als "Tuin" te bestemmen.

1.2. Vast staat dat op het perceel geen woning aanwezig is, ten dienste waarvan een tuin zou kunnen staan. Voorts staat vast dat het perceel onder het voorheen geldende plan "Agrarisch gebied Zuid" de bestemming "Agrarische doeleinden" had. Ten slotte staat vast dat de ingebruikname van het perceel als tuin niet in overeenstemming is met deze bestemming. Dat [appellant sub 1] het perceel sinds mei 2000 in gebruik heeft als tuin, betekent niet dat de raad dit als zodanig had moeten bestemmen.

1.3. De Afdeling acht het uitgangspunt van de raad, dat de bestemming "Tuin" slechts wordt toegekend aan gronden die behoren bij een op het perceel gelegen hoofdgebouw, in het algemeen niet onredelijk. Dit laat onverlet dat de raad in een concreet geval dient te beoordelen of zwaarwegende belangen zich verzetten tegen toepassing van dit planuitgangspunt. Hetgeen [appellant sub 1] betoogt, biedt evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van dergelijke zwaarwegende belangen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eventuele planschade, als daar gelet op hetgeen overwogen onder 1.2 al sprake van kan zijn, niet zodanig zal zijn dat dit tot afwijking van voormeld planuitgangspunt had moeten leiden.

1.4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

2. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 1" voor het perceel aan de [locatie 1].

2.1. [appellant sub 2] heeft ter zitting de beroepsgronden met betrekking tot het maximale bouwpercentage en de omvang van het bouwvlak ingetrokken.

3. [appellant sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte niet alle op het perceel aanwezige paardenbakken als zodanig heeft bestemd. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat het niet mogelijk is om op diervriendelijke wijze invulling te geven aan het op het perceel aanwezige paardenpension zonder voldoende paardenbakken.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de paardenbakken ten koste gaan van het karakter en de openheid van het landschap. De raad heeft er derhalve voor gekozen om uitsluitend de legaal opgerichte paardenbakken als zodanig te bestemmen. Volgens de raad zal tegen de illegaal opgerichte paardenbakken handhavend worden opgetreden. Voor zover [appellant sub 2] op het perceel meer paarden houdt dan passend is, valt dat volgens de raad onder zijn eigen verantwoordelijkheid. De raad ziet in deze omstandigheid geen aanleiding om het vlak met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 1" uit te breiden.

3.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Agrarisch" aangewezen gronden bestemd voor:

a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak grondgebonden veehouderij;

b. ondergeschikte paardenhouderij;

c. ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" is tevens één bedrijfswoning toegestaan;

d. ter plaatse van de aanduiding "nutsvoorziening", is tevens een nutsvoorziening toegestaan;

e. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 1" is tevens een paardenbak toegestaan en mag de grond gebruikt worden ten behoeve van opslag.

3.3. Vast staat dat op de gronden ten noorden van het bedrijf van [appellant sub 2] paardenbakken zijn gelegen. Deze gronden hadden onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Agrarisch gebied Zuid" de bestemming "Agrarische doeleinden" en hierop was geen bouwvlak gelegen. Ingevolge artikel 13 van de voorschriften bij dit plan was het oprichten van bouwwerken op deze gronden niet toegestaan. De raad heeft zich evenwel onweersproken op het standpunt gesteld dat een aantal van de op de gronden aanwezige paardenbakken overeenkomstig een verleende vergunning is opgericht. Aan de gronden waarop deze paardenbakken zijn gelegen is in het plan de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - 1" toegekend. Aan de gronden waarop de paardenbakken zijn gelegen waarvoor geen vergunning is verleend, is deze aanduiding niet toegekend, als gevolg waarvan deze paardenbakken niet als zodanig zijn bestemd.

3.4. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, heeft de raad in redelijkheid ervoor kunnen kiezen om de paardenbakken die niet overeenkomstig een verleende vergunning zijn opgericht, niet als zodanig te bestemmen. Zoals overwogen onder 3.3 waren onder het voorheen geldende plan op de gronden waar deze paardenbakken zijn gelegen geen bouwwerken toegestaan, zodat het ervoor moet worden gehouden dat deze paardenbakken niet in overeenstemming waren met het voorheen geldende plan. Dat, zoals [appellant sub 2] ter zitting heeft aangevoerd, een milieuvergunning is verleend voor het houden van 60 paarden en een vergunning voor de bouw van een lichtinstallatie, betekent niet dat toestemming is verleend voor de bouw van de paardenbakken. De raad heeft derhalve aan de omstandigheid dat de paardenbakken reeds feitelijk aanwezig zijn in de belangenafweging geen gewicht hoeven toekennen. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de paardenbakken ten koste gaan van het karakter en de openheid van het landschap en hieraan in de belangenafweging doorslaggevend gewicht kunnen toekennen. Dat, zoals [appellant sub 2] betoogt, het plan hiermee voorziet in te weinig paardenbakken en de op het perceel aanwezige paarden onvoldoende mogelijkheden hebben om buiten uit te lopen, leidt niet tot een ander oordeel. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat op een groot deel van het perceel weiland is gelegen waar de paarden eveneens kunnen uitlopen, zodat het plan het niet onmogelijk maakt om op diervriendelijke wijze invulling te geven aan het paardenpension.

4. [appellant sub 2] betoogt voorts dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om de bedrijfsvoering op het perceel uit te breiden met boom- en sierteelt.

4.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.8, van de planregels wordt onder agrarisch bedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden van dieren.

4.2. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, valt boom- en sierteelt binnen de definitie van agrarisch bedrijf, zoals opgenomen in artikel 1, lid 1.8, van de planregels. Vanwege dit artikel, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a en b, van de planregels, moet het ervoor worden gehouden dat het plan niet uitsluit dat de huidige bedrijfsvoering op het perceel met boom- en sierteelt als nevenactiviteit wordt uitgebreid.

5. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

6. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel kadastraal bekend als gemeente Velsen, sectie F, nummer 8538. [appellant sub 3] betoogt dat de raad ten onrechte niet aan het perceel de bestemming "Tuin" heeft toegekend. [appellant sub 3] voert hiertoe aan dat hem een vergunning is verleend om het perceel te gebruiken als tuin en dat de raad dit gebruik als zodanig had moeten bestemmen.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 3] geen vergunning is verleend om het perceel te gebruiken als tuin, maar dat dit een aanlegvergunning betreft voor het uitvoeren van verschillende werkzaamheden.

6.2. Vast staat dat het perceel onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Agrarisch gebied Zuid" de bestemming "Agrarische doeleinden" had. Voorts staat vast dat het gebruik als tuin niet in overeenstemming is met deze bestemming. [appellant sub 3] heeft een kaart overgelegd behorende bij een besluit van het college van burgemeester en wethouders van 23 september 2003 tot het verlenen van een aanlegvergunning. Zoals de raad terecht betoogt, wordt hiermee toestemming verleend voor het verrichten van een aantal verschillende werkzaamheden, maar wordt hiermee niet de bestemming van het perceel gewijzigd in de bestemming "Tuin". Anders dan [appellant sub 3] betoogt, bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat hem met de verleende vergunning toestemming is verleend het perceel te gebruiken als tuin.

Vast staat verder dat op het perceel geen woning aanwezig is, ten dienste waarvan een tuin zou kunnen staan. Zoals overwogen onder 1.3 acht de Afdeling het uitgangspunt dat de bestemming "Tuin" slechts wordt toegekend aan gronden die behoren bij een op het perceel gelegen hoofdgebouw, in het algemeen niet onredelijk. [appellant sub 3] heeft geen zwaarwegende belangen aangevoerd die zich verzetten tegen toepassing van dit planuitgangspunt. De raad heeft derhalve in redelijkheid aan de gronden de bestemming "Tuin" kunnen toekennen.

7. [appellant sub 3] betoogt voorts dat de raad in het plan ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het recht van erfdienstbaarheid dat is gevestigd op zijn perceel en op het naastgelegen perceel van [appellant sub 2]. [appellant sub 3] voert hiertoe aan dat hij recht van overpad heeft verleend ten behoeve van het naastgelegen perceel van [appellant sub 2], maar dat paarden en recreanten hiervan geen gebruik mogen maken om het perceel van [appellant sub 2] te bereiken. [appellant sub 3] voert voorts aan dat hij een vaarrecht heeft op het water op het perceel van [appellant sub 2], maar dat dit wordt gefrustreerd omdat op dit perceel de bouw van een manege is voorzien.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het recht van overpad en het vaarrecht privaatrechtelijke aangelegenheden betreffen, die in het bestemmingsplan geen regeling kunnen vinden.

7.2. In het kader van een bestemmingsplanprocedure staat ter beoordeling of een plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en niet in strijd is met het recht. Daarbij is in beginsel de aanwezigheid van zakelijke rechten niet doorslaggevend. Dit is slechts anders indien evident is dat deze aanwezigheid aan de verwezenlijking van het plan binnen de planperiode in de weg staat en tevens vaststaat dat niet binnen de planperiode tot opheffing van het zakelijk recht zal worden overgegaan. Hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat het op zijn perceel gelegen recht van overpad, vanwege de hieraan verbonden beperkingen, evident in de weg staat aan het gebruik van de gronden van het bedrijf van [appellant sub 2] in overeenstemming met de bestemming. Voorts bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat het vaarrecht dat [appellant sub 3] heeft op het water op het perceel van [appellant sub 2] evident in de weg staat aan het verwezenlijken van de bouwmogelijkheden op dit perceel, nu de bebouwing zodanig kan worden gesitueerd dat deze geen beletsel vormt voor de uitoefening van het vaarrecht.

8. [appellant sub 3] betoogt voorts dat de raad het plan onzorgvuldig heeft vastgesteld. [appellant sub 3] verwijst hiervoor naar een aantal passages in de plantoelichting en naar krantenartikelen. Hetgeen [appellant sub 3] betoogt, biedt evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de voorbereiding van het besluit onvoldoende kennis omtrent de feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard. Voorts biedt hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de belangenafweging is uitgegaan van zodanig onjuiste uitgangspunten dat hij niet in redelijkheid tot de in het plan voor het perceel van [appellant sub 3] opgenomen regeling heeft kunnen komen.

9. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4] en anderen

10. Het beroep is ingediend door [10 appellanten sub 4].

Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[9 appellanten sub 4] hebben geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep, voor zover ingediend door [9 appellanten sub 4], is niet-ontvankelijk.

11. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied 1" voor het perceel aan de [locatie 2] en het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "wro-zone - ontheffingsgebied" voor het perceel ten zuiden van de [locatie 3].

[appellant sub 4] betoogt dat de raad de in het plan voorziene verplaatsing van het op het perceel aan de [locatie 2] gevestigde bedrijf naar het perceel ten zuiden van de [locatie 3] onzorgvuldig heeft voorbereid. [appellant sub 4] voert hiertoe aan dat de raad onvoldoende mogelijkheden tot inspraak heeft geboden. Voorts heeft de raad niet onderkend dat de nota van uitgangspunten van 24 januari 2006 verouderd is en dat thans geen noodzaak tot bedrijfsverplaatsing meer bestaat. Volgens [appellant sub 4] is niet langer sprake van een vee- of melkveehouderij, maar is de bedrijfsvoering vooral gericht op het houden van paarden. Voorts veroorzaakt het bedrijf volgens [appellant sub 4] geen overlast voor de in de omgeving gelegen woningen.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat reeds lange tijd het plan bestaat om het op het perceel aan de [locatie 2] gevestigde bedrijf van [belanghebbende A] te verplaatsen. Volgens de raad heeft het bedrijf geen uitbreidingsmogelijkheden meer en is het vanwege de aangescherpte milieuwetgeving niet langer wenselijk dat het bedrijf dicht bij een woonwijk is gelegen. Voorts voert de raad aan dat de toegang van het bedrijf naar de bijbehorende weilanden via drie spoorwegovergangen mogelijk zal worden beperkt vanwege de veiligheid. De raad wil daarom het bedrijf verplaatsen naar het perceel ten zuiden van de [locatie 3]. De wijzigings- en afwijkingsbevoegdheid voor de percelen zijn in het plan opgenomen om deze verplaatsing mogelijk te maken.

11.2. Het betoog van [appellant sub 4] dat de raad onvoldoende inspraakmogelijkheden heeft geboden kan niet slagen. Het bieden van inspraak maakt geen deel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het schenden van een eventuele inspraakverplichting heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de procedure en het bestemmingsplan.

11.3. Dat het thans op het perceel aan de [locatie 2] gevestigde bedrijf vooral zou zijn gericht op het houden van paarden en dat niet langer sprake zou zijn van een vee- of melkveehouderij, betekent voorts niet dat de raad niet heeft kunnen voorzien in de mogelijkheid tot bedrijfsverplaatsing. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat het bedrijf geen overlast zou veroorzaken. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bedrijf niet langer passend is in de omgeving nu op korte afstand hiervan woningen zijn gelegen. Voorts heeft [appellant sub 4] niet betwist dat het bedrijf op de huidige locatie geen uitbreidingsmogelijkheden heeft en dat de toegang van het bedrijf tot de bijhorende weilanden mogelijk wordt beperkt. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de bedrijfsverplaatsing noodzakelijk is.

12. [appellant sub 4] betoogt voorts dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in de mogelijkheid om het bedrijf te verplaatsen naar het perceel ten zuiden van de [locatie 3]. [appellant sub 4] voert hiertoe aan dat vestiging van het bedrijf op dit perceel ten koste gaat van het open karakter van het plangebied en van de waardevolle zichtas vanaf de Bloemendaalsestraatweg over de graslanden naar de stedelijke contour van Haarlem. Voorts zal het stallen van bedrijfsgebonden machines, het parkeren van auto's en de verkeersbewegingen naar het perceel leiden tot overlast, aldus [appellant sub 4]. Verder heeft de raad volgens [appellant sub 4] onvoldoende alternatieve locaties en onvoldoende alternatieve ontsluitingen voor het bedrijf onderzocht. Ten slotte betoogt [appellant sub 4] dat de bedrijfsverplaatsing financieel niet uitvoerbaar is.

12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan is geregeld dat de bebouwing van het bedrijf op het perceel ten zuiden van de [locatie 3] wordt geconcentreerd, zodat het open karakter van het gebied en de zichtas zoveel als mogelijk wordt behouden. Verder zijn volgens de raad verschillende alternatieve locaties en ontsluitingen voor het bedrijf onderzocht.

12.2. Ingevolge artikel 16, lid 16.1, van de planregels, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd om, op basis van artikel 3.6 van de Wro, voor zover de gronden zijn gelegen binnen de aanduiding "wro-zone - ontheffingsgebied", met een omgevingsvergunning af te wijken van artikel 3 van de planregels voor het bouwen van een nieuw agrarisch bedrijf met dien verstande dat:

a. de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf aan de [locatie 2] wordt beëindigd en de bedrijfsactiviteiten zijn verplaatst naar de overzijde van het spoor;

f. de totale oppervlakte van de bedrijfsbebouwing niet meer dan 2200 m² mag bedragen;

o. de bedrijfsbebouwing zodanig wordt gesitueerd dat deze voldoet aan wetgeving met betrekking tot de aan te houden afstanden tot woningen, te weten: de afstand van rundveestallen tot lintbebouwing bedraagt minimaal 100 m;

12.3. [appellant sub 4] betoogt terecht dat de verplaatsing van het bedrijf naar het perceel ten zuiden van de [locatie 3] zal leiden tot vermindering van de openheid van het thans aanwezige agrarische gebied. Voorts betoogt [appellant sub 4] terecht dat de bedrijfsverplaatsing eveneens tot gevolg zal hebben dat de zichtas vanaf de Bloemendaalsestraatweg naar de stedelijke contour van Haarlem wordt doorbroken. De raad heeft dit onderkend en in de belangenafweging betrokken. Anders dan [appellant sub 4] betoogt, heeft de raad hieraan in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen. De raad heeft hierbij van belang kunnen achten dat het gebied thans niet volledig open is en de zichtlijn reeds op enkele plekken wordt doorbroken door reeds aanwezige woningen. Voorts heeft de raad toegelicht dat met de in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid slechts kan worden voorzien in een beperkt bouwvlak waarbinnen alle bebouwing dient te worden geconcentreerd, zodat de gevolgen van de bedrijfsverplaatsing op de openheid van het gebied en de zichtas worden beperkt. Verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de overlast van het stallen van machines, het parkeren van auto's en de verkeersbewegingen naar het perceel zullen leiden tot zodanige overlast dat de raad niet in redelijkheid tot de thans in het plan opgenomen regeling heeft kunnen komen. Voor zover [appellant sub 4] voorts betoogt dat in het plan onvoldoende is geregeld dat het bedrijf geen geurhinder zal veroorzaken, kan dit evenmin slagen, nu in artikel 16, lid 16.1, aanhef en onder o, van de planregels is geregeld dat de bedrijfsbebouwing zodanig dient te worden gesitueerd dat deze voldoet aan wetgeving met betrekking tot de aan te houden afstanden tot woningen.

12.4. Voorts wordt overwogen dat de raad bij de keuze van de bestemming een afweging dient te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsvrijheid. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. De raad heeft toegelicht dat sinds 1963 is gesproken over de verplaatsing van het bedrijf en dat in de loop der jaren verschillende locaties voor het bedrijf zijn onderzocht. De in het plan opgenomen locatie is volgens de raad het meest geschikt geacht. Voorts heeft de raad verschillende alternatieve ontsluitingen voor het bedrijf onderzocht. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat deze alternatieve ontsluitingen vanwege onder meer verkeerstechnische redenen niet kunnen worden gerealiseerd. [appellant sub 4] heeft het standpunt van de raad dat de in het plan voorziene locatie voor het bedrijf en de voorziene ontsluiting hiervan het meest geschikt zijn niet gemotiveerd betwist. Voorts heeft [appellant sub 4] geen concrete alternatieve locaties of ontsluitingen genoemd die de raad had moeten onderzoeken. Gelet hierop biedt hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende alternatieven heeft onderzocht.

12.5. De raad heeft voorts toegelicht dat de verplaatsing van het bedrijf wordt gefinancierd door de woningbouw die met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk kan worden gemaakt op het perceel aan de [locatie 2] waar het bedrijf thans is gevestigd. Hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd, biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand moest inzien dat het plan niet financieel uitvoerbaar is. Voor zover [appellant sub 4] betoogt dat geen behoefte bestaat aan woningen, heeft hij deze stelling niet gemotiveerd. Voorts is in artikel 16, lid 16.1, aanhef en onder a, van de planregels geregeld dat voor toepassing van de afwijkingsbevoegdheid waarmee de verplaatsing van het bedrijf kan worden gerealiseerd is vereist dat de bedrijfsvoering op de huidige situatie is beëindigd. Anders dan [appellant sub 4] betoogt, is het derhalve niet mogelijk dat het bedrijf wordt verplaatst naar het perceel ten zuiden van de [locatie 3], terwijl het bedrijf de huidige locatie eveneens aanhoudt.

12.6. De raad heeft, gelet op hetgeen overwogen onder 12.2 tot en met 12.5, in redelijkheid kunnen voorzien in de mogelijkheid om met toepassing van de in het plan opgenomen wijzigings- en afwijkingsbevoegdheid het bedrijf te verplaatsen naar het perceel ten zuiden van de [locatie 3].

13. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

Proceskostenveroordeling

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 4] en anderen, voor zover ingediend [9 appellanten sub 4] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4], voor het overige, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013

523.