Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0163

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
201201687/1/T1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bergen aan Zee - Dorpskern" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3170
Module Ruimtelijke ordening 2014/3130 met annotatie van mr. D. Meloni
JOM 2013/509
JOM 2013/510
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201687/1/T1/R1.

Datum uitspraak: 15 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], gevestigd te [plaats],

2. de vereniging De Vereniging Dorpsraad Bergen aan Zee, gevestigd te Bergen aan Zee, gemeente Bergen, en andere,

3. de stichting Stichting Woningexploitatie Jong Nederland, gevestigd te Bergen aan Zee, gemeente Bergen,

4. de vereniging Vereniging van Eigenaars Bungalowpark Van der Wijckplein, gevestigd te Bergen aan Zee, gemeente Bergen, en anderen

appellanten,

en

de raad van de gemeente Bergen, NH,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bergen aan Zee - Dorpskern" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], De Dorpsraad en andere, de stichting Woningexploitatie en de Vereniging van eigenaars en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], De Dorpsraad en andere, de Vereniging van eigenaars en anderen en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 1] en De Dorpsraad en andere hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2013, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. E. Dans, advocaat te Rotterdam, De Dorpsraad en andere, vertegenwoordigd door mr. P. Nicolai, advocaat te Amsterdam, de stichting Woningexploitatie, vertegenwoordigd door drs. H.G.H. van der Werf, de vereniging van eigenaars en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Waalre, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R.J.C.K.K. Fa-Sie-Oen en mr. D.E. Minkman, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

De Afdeling heeft de behandeling van de beroepen van [9 belanghebbenden] afgesplitst en voortgezet onder zaak nr. 201201687/14/R1.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Het beroep van De Dorpsraad en andere

2. Het beroep, behalve voor zover ingesteld door De Dorpsraad en [appellant sub 2 A], steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, regels of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit zou het geval kunnen zijn indien het definitieve plan ten nadele is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan.

2.1. Het beroep richt zich tegen het verbod om woningen binnen de bestemmingen "Wonen - 1", "Wonen - 2" en "Wonen - Duinen" te gebruiken of te laten gebruiken als recreatiewoning, zoals opgenomen in artikel 17, lid 17.4.2, aanhef en onder e, artikel 18, lid 18.4.2, aanhef en onder e, en artikel 19, lid 19.3.2, aanhef en onder e, van de planregels. Betoogd wordt dat hiermee ten onrechte het gebruik van woningen als tweede woning wordt verboden.

2.2. In het definitieve plan zijn artikel 17, lid 17.4.2, aanhef en onder e, artikel 18, lid 18.4.2, aanhef en onder e, en artikel 19, lid 19.3.2, aanhef en onder e, van de planregels gewijzigd vastgesteld. Aan het in deze artikelen opgenomen verbod om woningen te gebruiken of te laten gebruiken als recreatiewoning, is toegevoegd dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - tweede woning" het gebruik als tweede woning is toegestaan. Het ontwerpplan voorzag derhalve reeds in het verbod om de woningen te gebruiken als recreatiewoning, onder welk verbod eveneens het gebruik van een woning als tweede woning valt. Door het opnemen van de uitzondering op dit verbod zijn De Dorpsraad en andere, daaronder De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] niet begrepen, niet in een nadeligere positie gekomen.

2.3. De omstandigheid dat het niet duidelijk was dat onder het verbod om woningen te gebruiken als recreatiewoning eveneens het gebruik als tweede woning valt, biedt geen rechtvaardiging voor het niet indienen van een zienswijze. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van betrokkenen om zich deugdelijk op de hoogte te stellen omtrent de inhoud van een ter inzage gelegd ontwerpplan. Het had bij onduidelijkheid omtrent de reikwijdte van de planregels op de weg van deze appellanten gelegen zich duidelijkheid te verschaffen omtrent de gevolgen van het plan voor hun percelen.

2.4. Er bestaat derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het niet tijdig indienen van een zienswijze redelijkerwijs niet verwijtbaar is. De Afdeling zal het beroep van De Dorpsraad en andere, behalve voor zover ingesteld door De Dorpsraad en [appellant sub 2 A], in de einduitspraak niet-ontvankelijk verklaren.

3. Het beroep De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] richt zich tegen het verbod om woningen als tweede woning te gebruiken, zoals dat ligt besloten in het verbod op het gebruik van woningen als recreatiewoning. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] betogen dat de Wro geen grondslag biedt voor een verbod in een bestemmingsplan dat ziet op de wijze van bewoning. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] voeren hiertoe aan dat een bestemmingsplan niet kan voorzien in een regeling waarbij een eigenaar van een woning wordt verplicht om deze permanent te bewonen. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] voeren voorts aan dat de belangen die de raad beoogt te beschermen betrekking hebben op de volkshuisvesting en dat deze belangen via een verordening op grond van artikel 30 van de Huisvestingswet dienen te worden beschermd.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de belangen van een goede leefomgeving en een duurzame ruimtelijke ordening zijn gemoeid met het verbod om woningen als tweede te gebruiken. De raad wil met dit verbod voorkomen dat Bergen aan zee een 'spookdorp' wordt waar buiten het hoogseizoen veel leegstand is. Een te groot aantal tweede woningen in Bergen aan Zee verzwakt de basis voor gemeenschappelijke voorzieningen en draagt niet bij tot verbetering van het sociale klimaat van de dorpssamenleving, de leefbaarheid en de veiligheid, aldus de raad. Voorts staan volgens de raad tweede woningen niet ter beschikking voor inwoners of woningzoekenden binnen de gemeente, hetgeen kan leiden tot extra druk op de woningmarkt. Het maakt volgens de raad derhalve ruimtelijk en planologisch verschil of een woning permanent wordt bewoond of dat er sprake is van niet permanente bewoning in de vorm van recreatief gebruik.

3.2. De raad dient ingevolge artikel 3.1, eerste lid, van de Wro een bestemmingsplan vast te stellen dat strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De raad stelt hierbij regels vast voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor zover deze nodig zijn in verband met de bestemming. Anders dan De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] betogen, heeft de raad zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het verbod om woningen als tweede woning te gebruiken ruimtelijk relevant is, aangezien het voor de door hem genoemde belangen in ruimtelijk opzicht verschil maakt of een woning permanent of recreatief wordt gebruikt.

Anders dan De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] voorts betogen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad uitsluitend via een verordening op grond van artikel 30 van de Huisvestingswet kan regelen dat woningen niet als tweede woning worden gebruikt. Artikel 30 van de Huisvestingswet voorziet in een verbod om woonruimte die behoort tot een door de raad in de huisvestingsverordening met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning aan de bestemming tot bewoning te onttrekken. Aan artikel 30 van de Huisvestingswet ligt een volkshuisvestingsmotief ten grondslag. Dit laat onverlet dat het om planologische redenen ongewenst kan zijn om het gebruik van woningen als tweede woning toe te staan. Anders dan De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] betogen, is het verbod niet uitsluitend ingegeven vanwege belangen die betrekking hebben op de volkshuisvesting. Zoals volgt uit 3.1 liggen hieraan ook planologische belangen ten grondslag. In een dergelijk geval is het bestemmingsplan het instrument waarin een verbod op het gebruik van woningen als tweede woning dient te zijn geregeld.

Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de Wro geen grondslag biedt voor het in het plan opgenomen verbod om woningen als tweede woning te gebruiken.

4. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] betogen voorts dat het verbod om woningen als tweede woning te gebruiken niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] voeren hiertoe aan dat er geen vraag is naar permanente woningen in Bergen aan Zee, zodat het door de raad aan het verbod ten grondslag liggende belang bij het vergroten van de woningvoorraad niet aan de orde is. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] voeren voorts aan dat in Bergen aan Zee de voorzieningen die noodzakelijk zijn om hier volwaardig te wonen ontbreken. Als gevolg hiervan zal het verbod ertoe leiden dat de woningen die niet meer als tweede woning mogen worden gebruikt onverkoopbaar worden en leeg zullen staan. Verder voeren De Dorpsvereniging en [appellant sub 2 A] aan dat de door de raad genoemde belangen bij verbetering van het sociale klimaat, de leefbaarheid en de veiligheid evenmin aan de orde zijn, nu het met deze aspecten in Bergen aan Zee goed is gesteld.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de gemeentelijke woonbeleidsnota staat dat er onvoldoende woningen zijn om aan de woningbehoefte te voldoen en dat er de komende jaren woningen bij moeten komen. Dit belang is er niet mee gediend dat reguliere woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken door deze als tweede woning te gebruiken, aldus de raad. Daarbij is Bergen aan Zee volgens de raad zeer in trek als woonplaats vanwege de ligging aan de kust en in de natuur, zodat voor leegstand niet hoeft te worden gevreesd. Volgens de raad zal het voorzieningenniveau in samenwerking met de markt worden verbeterd indien meer woningen permanent worden bewoond. Verder zijn volgens de raad het sociale klimaat, de leefbaarheid en de veiligheid in Bergen aan Zee erbij gebaat indien minder woningen als tweede woning worden gebruikt.

4.2. In de plantoelichting staat dat Bergen aan Zee per 1 januari 2009 ongeveer 400 woningen telde. In de afgelopen jaren zijn er in de gemeente Bergen als geheel relatief weinig woningen gerealiseerd. Het totaal aantal woningen in Bergen aan Zee is de laatste jaren nauwelijks gestegen. Ondanks de verwachting dat de bevolking niet zal toenemen, zal de woningbehoefte wel toenemen. De gemiddelde woningbezetting zal door kleinere gezinnen en de vergrijzing namelijk verder afnemen. Woningen in Bergen aan Zee zijn in trek als tweede woning bij mensen die elders hun hoofdverblijf hebben. Deze woningen staan gedeelten van het jaar leeg, wat uit het oogpunt van leefbaarheid van de kern, negatief is. Het gaat om bijna de helft van de woningvoorraad: op 1 januari 2009 stonden er namelijk 210 particuliere huishoudens geregistreerd in Bergen aan Zee. Een toename van het gebruik als tweede woning is niet wenselijk, aldus de plantoelichting.

In de woonbeleidsnota 'Van woonwens tot maatwerk' van 1 juli 2005 staat dat de gemeente kwalitatief en kwantitatief wil inspelen op de lokale woningbehoefte. Om dit waar te maken kiest zij tot 2010 voor toevoeging van minimaal 100 woningen per jaar en in de periode daarna zijn dat er minimaal 40 per jaar. Voor de langere termijn zijn aanvullende bouwmogelijkheden nodig. In de woonbeleidsnota staat voorts dat de druk op de bestaande woningvoorraad groot is. Een van de oorzaken, naast onvoldoende aanbod, is de samenstelling van de voorraad. Die sluit deels onvoldoende aan op de toekomstige woningbehoefte. De gemeente kijkt daarom niet alleen naar nieuwbouw, maar vooral ook naar mogelijkheden in de bestaande woningvoorraad. In de woonbeleidsnota staat verder dat de kern Bergen aan Zee gezien haar ligging, omvang, mogelijkheden en specifieke positie op de woningmarkt voor het lokaal woonbeleid weinig tot geen aanknopingspunten biedt.

4.3. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het vaststellen van bestemmingen en regels voor gronden. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad bestemmingen en regels voor gronden kan vaststellen die in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Niet in geschil is dat in Bergen aan Zee ongeveer 400 woningen zijn gelegen en dat bijna de helft hiervan in gebruik is als tweede woning. Voorts is niet bestreden dat als gevolg hiervan deze woningen gedurende gedeelten van het jaar, met name buiten het hoogseizoen, leegstaan. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het vanuit een oogpunt van leefbaarheid en veiligheid niet wenselijk is dat ongeveer de helft van de woningen in een dorp gedeelten van het jaar leegstaan. Dat er volgens De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] in Bergen aan Zee geen problemen zijn op het gebied van het sociale klimaat en de veiligheid, gelet op onder meer het contact tussen bewoners en het lage aantal criminele incidenten, betekent niet dat de raad niet in het verbod om woningen als tweede woning te gebruiken heeft kunnen voorzien. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de leefbaarheid van Bergen aan Zee meer omvat dan deze aspecten, waaronder het door de raad genoemde aspect dat een grote mate van leegstand het aanzien van het dorp niet ten goede komt.

4.4. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat leegstand niet bijdraagt aan het voorzieningenniveau in het dorp. Niet in geschil is dat thans slechts een beperkt aantal voorzieningen in Bergen aan Zee aanwezig is. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat indien meer woningen permanent worden bewoond, dit bijdraagt aan het draagvlak voor voorzieningen zoals een supermarkt en een openbaar vervoersnetwerk. Dat een dorp van 400 inwoners volgens De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] te klein is om een aantal maatschappelijke voorzieningen te huisvesten, leidt niet tot een ander oordeel. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voor de exploitatie van onder meer die hiervoor genoemde voorzieningen verschil maakt of de woningen in het dorp permanent worden bewoond of als tweede woning.

4.5. De raad heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat woningen die als tweede woning worden gebruikt niet ter beschikking staan van woningzoekenden. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] betwisten evenwel dat in Bergen aan Zee behoefte bestaat aan het type duurdere woningen die als gevolg van het in het plan opgenomen verbod vrij komen. Hoewel in de in 4.2 genoemde woonbeleidsnota staat dat behoefte bestaat aan woningen in de gemeente Bergen, is hierin eveneens vermeld dat Bergen aan Zee voor het lokaal woonbeleid weinig tot geen aanknopingspunten biedt. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] betogen voorts terecht dat uit het Regionaal Actie programma van de Regio Alkmaar van 8 december 2011 volgt dat in de gemeente Bergen meer nieuwe woningen worden gebouwd dan waaraan behoefte bestaat. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] stellen voorts, onder verwijzing naar overgelegde verklaringen van makelaars, dat vrijwel geen belangstelling bestaat voor permanente bewoning in Bergen aan Zee. De raad heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de Bergen aan Zee vanwege de bijzondere ligging in de natuur en aan zee als woonplaats zeer in trek is. Volgens de raad bestaat derhalve geen aanleiding om te veronderstellen dat het verbod om woningen als tweede woning te gebruiken er toe zal leiden dat deze woningen onverkoopbaar worden en dat grootschalige leegstand zal ontstaan.

4.6. Gelet op hetgeen overwogen onder 4.3 tot 4.5, komt de Afdeling tot de slotsom dat de raad, gegeven de hem toekomende beleidsvrijheid, in redelijkheid, vanwege de door hem genoemde belangen met betrekking tot het sociale klimaat, de leefbaarheid, de veiligheid en de huisvesting in Bergen aan Zee, heeft kunnen kiezen om in het plan te voorzien in een verbod om woningen als tweede woning te gebruiken, zoals dat ligt besloten in het verbod op het gebruik van woningen als recreatiewoning. Hoewel De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] terecht betogen dat onzekerheid bestaat over de vraag in hoeverre thans belangstelling bestaat om permanent te wonen in Bergen aan Zee, leidt dit niet tot een ander oordeel. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verbod bijdraagt aan de doelstelling tot het omvormen van Bergen aan Zee naar een woondorp. De raad heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit verbod een positieve invloed kan hebben op het voorzieningenniveau en de mogelijkheden om woningen in het dorp als permanente woningen te verkopen.

4.7. Voor zover De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] betogen dat het verbod een onrechtmatige inbreuk op het recht van eigendom inhoudt, kan dit evenmin slagen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 juni 2012 in zaak nr. 201010885/1/R2), laat artikel 1 van het Eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), waarin het recht op eigendom is vastgelegd, onverlet de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van de eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang en is een bestemmingsplanregeling een zodanige regulering. Zoals volgt uit 4.6 bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat geen billijke afweging heeft plaatsgevonden tussen de belangen van de individuele burger enerzijds en die van de gemeenschap als geheel anderzijds. Uit het voorgaande volgt dat de desbetreffende bestemmingsregeling niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM.

5. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] betogen voorts dat het plan niet uitvoerbaar is, voor zover het betreft het verbod om woningen als tweede woning te gebruiken. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] voeren hiertoe aan dat door het college van burgemeester en wethouders is onderkend dat het gebruik van woningen als tweede woning moeilijk te controleren is en het verbod hierop moeilijk te handhaven is.

5.1. In het deskundigenbericht staat dat vanuit de gemeente is medegedeeld dat de raad geen beleid heeft vastgesteld ten aanzien van de consequenties van het niet toestaan van het gebruik van een woning als tweede woning. De discussie of en op welke wijze dit verbod gehandhaafd zou moeten worden, is thans nog niet gevoerd.

5.2. Vast staat dat onder het voorheen geldende plan "Bergen aan Zee 1975" het gebruik van eengezinshuizen en woningen in meergezinshuizen als tweede woning niet was toegestaan, van welk verbod waren uitgezonderd de woningen welke op de dag van het in rechte onaantastbaar worden van het plan reeds als tweede woning in gebruik waren. Voorts staat vast, zoals de raad ter zitting heeft bevestigd, dat onder dit plan nooit handhavend is opgetreden tegen het verboden gebruik en dat als gevolg hiervan het aantal woningen dat als tweede woning wordt gebruikt is toegenomen. De raad heeft ter zitting desgevraagd geen duidelijkheid kunnen bieden omtrent de vraag hoe het gemeentebestuur gaat voorkomen dat het verbod op het gebruik van woningen als tweede woningen in dit plan wederom niet zal worden gehandhaafd. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] stellen terecht dat in de oplegnotitie van het college van burgemeester en wethouders staat dat het gebruik van woningen als tweede woning moeilijk te controleren en te handhaven is. Zoals bovendien volgt uit het deskundigenbericht heeft de raad ten tijde van het vaststellen van het plan niet onderkend dat het verbod met zich brengt dat dit dient te worden gehandhaafd. De raad heeft gelet op het voorgaande onvoldoende gemotiveerd dat het verbod op het gebruik van woningen als tweede woning zal worden gehandhaafd en dat het plan in zoverre uitvoerbaar is. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

6. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] betogen voorts dat de raad ten onrechte aan het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" aan het Van der Wijckplein niet de aanduiding "specifieke vorm van wonen - tweede woning" heeft toegekend. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] voeren hiertoe aan dat op het moment van het in rechte onaantastbaar worden van het voorheen geldende plan "Bergen aan Zee 1975" 95% van de woningen in het op dit perceel gelegen appartementengebouw in gebruik was als tweede woning.

6.1. De raad heeft beoogd om de woningen die onder het voorheen geldende plan als tweede woning mochten worden gebruikt in dit plan eveneens als zodanig te bestemmen. De raad heeft in dit plan aan deze woningen de aanduiding "specifieke vorm van wonen - tweede woning" toegekend. De raad stelt zich op het standpunt dat op het moment van het in rechte onaantastbaar worden van het voorheen geldende plan op het merendeel van de woningen in het appartementengebouw geen bewoner stond ingeschreven. Dit wil volgens de raad niet zeggen dat deze woningen als tweede woning in gebruik waren. Indien op een bepaalde datum geen bewoners staan ingeschreven kan dit eveneens betekenen dat sprake is van recreatieve verhuur. Volgens de raad is het vanwege de ligging van het appartementengebouw aannemelijk dat de woningen werden gebruikt voor de recreatieve verhuur waarbij toeristen voor korte perioden in de woning verbleven. Volgens de raad is dit een ander gebruik dan het gebruik van woningen als tweede woning. De Dorpsraad en [appellant sub 2 A] hebben volgens de raad niet aangetoond dat de woningen ten tijde van het in rechte onaantastbaar worden van het voorheen geldende plan in gebruik waren als tweede woningen.

6.2. Het voorheen geldende plan "Bergen aan Zee 1975" is op 15 april 1975 door de raad van de gemeente Bergen vastgesteld. Bij besluit van 1 juni 1976 is dit plan door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland goedgekeurd. Bij Koninklijk besluit van 26 februari 1982 is dit plan in rechte onaantastbaar geworden.

Ingevolge artikel 6, vierde lid, aanhef en onder b, van de voorschriften behorende bij het plan "Bergen aan Zee 1975" werd onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van eengezinshuizen en woningen in meergezinshuizen als tweede woning, van welk verbod zijn uitgezonderd de woningen welke op de dag van het in rechte onaantastbaar worden van het plan reeds als tweede woning in gebruik waren.

6.3. In het deskundigenbericht staat dat volgens de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie op 26 februari 1982 geen vaste bewoner was geregistreerd voor de meeste woningen in het appartementengebouw. Alleen voor de woningen [2 woningen] was permanente bewoning geregistreerd.

6.4. De raad is bij de beoordeling of woningen op het moment van het in rechte onaantastbaar worden van het voorheen geldende plan als tweede woning werden gebruikt uitgegaan van de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie. Indien uit deze gegevens volgt dat een vaste bewoner stond geregistreerd, betekent dit volgens de raad dat de woning niet als tweede woning werd gebruikt. In dit geval volgt uit de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie juist dat de woningen, behoudens de woningen [2 woningen], niet permanent werden bewoond. Hoewel de raad zich terecht op het standpunt stelt dat dit niet zonder meer betekent dat de woningen als tweede woning werden gebruikt en dat dit ook erop zou kunnen duiden dat de woningen werden gebruikt voor de recreatieve verhuur, betekent dit niet dat het op de weg van de Dorpsraad en [appellant sub 2 A] ligt om hierover uitsluitsel te bieden. Het feit dat geen vaste bewoner in de woningen stond geregistreerd, biedt een aanwijzing dat deze woningen op 26 februari 1982 mogelijk als tweede woning in gebruik waren. In dit geval ligt het op de weg van de raad om aannemelijk te maken dat de woningen, ondanks het feit dat hier geen vaste bewoner stond geregistreerd, toch niet als tweede woning werden gebruikt. De enkele omstandigheid dat het vanwege de ligging van de woningen mogelijk is dat deze werden gebruikt voor de recreatieve verhuur, is hiertoe niet voldoende, nu het vanwege de ligging van de woningen in de buurt van het strand evengoed aannemelijk is dat deze woningen als tweede woning werden gebruikt. De raad heeft zich derhalve niet zonder nader onderzoek te doen op het standpunt kunnen stellen dat de woningen op voormelde datum niet als tweede woning in gebruik waren en derhalve niet vielen onder de uitzonderingsbepaling in artikel 6, vierde lid, aanhef en onder b, van de voorschriften bij het voorheen geldende plan "Bergen aan Zee 1975". De Afdeling ziet gelet op het voorgaande aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - 1" aan het Van der Wijckplein, behoudens de woningen [2 woningen], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van het besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van [appellant sub 1]

7. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemmingen "Wonen - Duinen" en "Tuin - Duinen" voor het perceel aan de [locatie 1].

[appellant sub 1] betoogt dat het verbod om woningen als tweede woning te gebruiken, zoals dit ligt besloten in het verbod op het gebruik van woningen als recreatiewoning, niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat het verbod geen recht doet aan de ontstaansgeschiedenis van Bergen aan Zee, dat in het dorp nauwelijks voorzieningen zijn om permanent te kunnen wonen en dat in de woonbeleidsnota staat dat Bergen aan Zee weinig tot geen aanknopingspunten biedt voor het lokaal woningbeleid. [appellant sub 1] betoogt voorts dat het plan voor zover het betreft het verbod om woningen als tweede woning te gebruiken, niet uitvoerbaar is.

7.1. Zoals reeds overwogen in 4.6 heeft de raad, gegeven de hem toekomende beleidsvrijheid, in redelijkheid, kunnen kiezen om in het plan te voorzien in een verbod om woningen als tweede woning te gebruiken. Zoals reeds overwogen in 5.2 heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat het verbod op het gebruik van woningen als tweede woning zal worden gehandhaafd en het plan op dit punt uitvoerbaar is. Het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - Duinen" voor het perceel aan de [locatie 1], is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

8. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de raad ten onrechte aan de woning op het perceel niet de aanduiding "specifieke vorm van wonen - tweede woning" heeft toegekend. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat de raad een onjuiste peildatum heeft gehanteerd. Volgens [appellant sub 1] heeft de raad beoogd in het plan een regeling op te nemen op grond waarvan het gebruik als tweede woning wordt toegestaan voor woningen die op het moment van in rechte onaantastbaar worden van het voorheen geldende plan "Bergen aan Zee 1975" op 26 februari 1982 in gebruik waren als tweede woning, maar heeft de aanduiding van de tweede woningen plaats gevonden aan de hand van een kaart uit 1975. [appellant sub 1] voert aan dat de woning op 26 februari 1982 werd gebruikt als tweede woning, zodat de raad hieraan voormelde aanduiding had moeten toekennen. [appellant sub 1] betoogt voorts dat de raad ten onrechte het legale gebruik van de woning als seizoenwoonverblijf onder het overgangsrecht heeft gebracht. De raad heeft voorts in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld door aan andere woningen die net als de woning op het perceel aan de [locatie 1] op 26 februari 1982 in gebruik waren als tweede woning wel de aanduiding "specifieke vorm van wonen - tweede woning" toe te kennen.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat onder het voorheen geldende plan "Bergen aan Zee 1975" het gebruik van eengezinshuizen en woningen in meergezinshuizen als tweede woning reeds was verboden, met uitzondering van woningen die op de dag van het in rechte onaantastbaar worden van dat plan als tweede woning in gebruik waren. De raad heeft beoogd om de woningen die onder het voorheen geldende plan als tweede woning mochten worden gebruikt, in dit plan eveneens als zodanig te bestemmen. De raad heeft in dit plan aan deze woningen de aanduiding "specifieke vorm van wonen - tweede woning" toegekend. Volgens de raad was de woning op het perceel aan de [locatie 1] in 1975 noch op 26 februari 1982 in gebruik als tweede woning, zodat geen aanleiding bestond hieraan de aanduiding toe te kennen.

8.2. Vast staat dat onder voorheen geldende plan "Bergen aan Zee 1975" het perceel de bestemmingen "Woondoeleinden" had, alsmede de aanduidingen "geheel vrijstaand te bouwen". Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de voorschriften bij dit plan waren de gronden met de bestemming "Woondoeleinden" bestemd voor wonen in woonhuizen, appartementen en seizoenwoonverblijven, met dien verstande dat deze gronden, voor zover terzake op de kaart de subbestemming "Seizoenwoonverblijven" is vermeld, nader zijn bestemd voor wonen in seizoenwoonverblijven. Het betoog van [appellant sub 1] dat uit dit artikel volgt dat de woning eveneens als seizoenwoonverblijf mocht worden gebruikt, slaagt niet. Uit artikel 6, eerste lid, volgt dat dergelijk gebruik uitsluitend was toegestaan, voor zover terzake op de plankaart de subbestemming "Seizoenwoonverblijven" was opgenomen. Nu voor het perceel aan de [locatie 1] op de plankaart een dergelijke subbestemming niet was opgenomen, was het gebruik als seizoenwoonverblijf van de woning op grond van dit artikellid niet toegestaan.

8.3. Het voorheen geldende plan "Bergen aan Zee 1975" stond voorts ingevolge artikel 6, vierde lid, aanhef en onder b, van de voorschriften als uitzondering op het gebruiksverbod het gebruik van woningen als tweede woning toe voor de woningen die op 26 februari 1982, de datum waarop het plan in rechte onaantastbaar is geworden, reeds als tweede woning in gebruik waren. [appellant sub 1] betoogt derhalve terecht dat dit betekent dat aan woningen die op 26 februari 1982 als tweede woning in gebruik waren in het onderhavige plan de aanduiding "specifieke vorm van wonen - tweede woning" diende te worden toegekend.

8.4. In het deskundigenbericht staat dat in de gemeentelijke basisadministratie in de woning op het perceel aan de [locatie 1] in de periode van 13 december 1972 tot en met 9 oktober 1990 bewoning is geregistreerd van acht verschillende personen. De duur van de perioden waarin geen bewoning is geregistreerd is ten hoogste vijf maanden. Volgens de gemeentelijke basisadministratie stond op 26 februari 1982 R. Faase als bewoner van de woning geregistreerd.

8.5. Volgens [appellant sub 1] was de woning op het perceel aan de [locatie 1] op 26 februari 1982 in gebruik als tweede woning. [appellant sub 1] verwijst hiertoe naar de notariële akten van 29 september 1979 en 17 april 1985 inzake de koop en verkoop van de woning. In de akte van koop staat dat degenen die de woning kochten op het moment van koop woonachtig waren aan de [locatie 2] te Bergen en de [locatie 3] te Essen. In de akte van verkoop staat dat deze personen op het moment van verkoop van de woning nog steeds op deze adressen woonachtig waren. [appellant sub 1] heeft voorts een aantal verklaringen overgelegd van buurtbewoners. In deze verklaringen staat dat de woning van 1979 tot 1985 door de eigenaars als tweede woning werd gebruikt en dat zij een beperkt deel van de woning in gebruik gaven aan andere personen die op de woning konden toezien om inbraak te voorkomen. De in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven personen betreffen volgens de verklaringen de personen die in opdracht van de eigenaars op de woning hebben gepast. De raad heeft de juistheid van deze verklaringen niet betwist. [appellant sub 1] betoogt terecht dat de omstandigheid dat een deel van de woning werd bewoond door personen die op het huis toezagen, niet uitsluit dat deze woning door de eigenaars hiervan feitelijk als tweede woning werd gebruikt. Nu deze verklaringen een duidelijke aanwijzing bieden dat de woning op 26 februari 1982 door de eigenaars als tweede woning in gebruik was, lag het op de weg van de raad het tegendeel aannemelijk te maken. De raad heeft zich niet zonder nader onderzoek te doen op het standpunt kunnen stellen dat de woning op voormelde datum niet als tweede woning in gebruik was en derhalve niet viel onder de uitzonderingsbepaling in artikel 6, vierde lid, aanhef en onder b, van de voorschriften bij het voorheen geldende plan "Bergen aan Zee 1975". De Afdeling ziet gelet op het voorgaande aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - Duinen" voor het perceel aan de [locatie 1], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van het besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het bestreden besluit is in zoverre ook genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

9. [appellant sub 1] betoogt tevens dat de raad ten onrechte aan het perceel de bestemmingen "Wonen - Duinen" en "Tuin - Duinen" heeft toegekend. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat hierdoor voor het perceel beperktere bouw- en gebruiksmogelijkheden gelden dan voor percelen ten noorden hiervan met de bestemmingen "Wonen - 2" en "Tuin". Voorts is ten opzichte van het voorgaande plan een kleiner bouwvlak opgenomen, aldus [appellant sub 1]. Dit bouwvlak biedt volgens [appellant sub 1] geen ruimte om van de uitbreidingsmogelijkheden gebruik te maken. Ten slotte voorziet het plan voor het perceel aan de Julianalaan 1 tegenover het perceel aan de [locatie 1] in aanzienlijk meer planologische mogelijkheden, aldus [appellant sub 1].

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel is gelegen in het duinlandschap dat vanuit het omliggende natuurgebied de wijk binnen komt. Het bouwvlak is volgens de raad gebaseerd op de feitelijk aanwezige bebouwing. Het perceel heeft volgens de raad een duidelijker duinkarakter dan de woningen die ten noorden hiervan zijn gelegen. Deze percelen liggen volgens de raad in een dichter bebouwd gebied waar het oorspronkelijke duinkarakter en de daarbij behorende landschappelijke waarde veel minder aanwezig zijn.

9.2. Ingevolge artikel 14, lid 14.1, van de planregels zijn de voor "Tuin - Duinen" aangewezen gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden en tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

Ingevolge lid 14.2.1 zijn op de gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, toegestaan, met uitzondering van paardenbakken en zwembaden.

9.3. In de plantoelichting staat dat de villa's in de duinen zijn bestemd als "Wonen - Duinen". Deze woningen zijn gelegen aan de Parkweg, Transvaal, aan de zuidzijde van de Zeeweg en tussen de Rehbockweg, de Julianastraat en de C.F. Zeilerboulevard. De woningen zijn hier geplaatst in het duinlandschap dat vanuit het omliggende natuurgebied de wijk binnenkomt. Om het landelijke karakter te behouden, mag op de percelen geen vrijstaande erfbebouwing worden gebouwd. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan. Om de open ruimte te waarborgen, is een beperkt bouwvlak op de kaart opgenomen waarbinnen zowel de hoofdgebouwen als de aan- en bijgebouwen moeten worden gerealiseerd. De gronden rondom het bouwvlak krijgen de specifieke bestemming "Tuin - Duinen" teneinde het duinlandschap te beschermen. De raad heeft voorts toegelicht dat de maximale bouw- en goothoogten zijn gebaseerd op de bestaande situatie.

9.4. In het deskundigenbericht staat dat het perceel aan de [locatie 1] in zijn geheel bestaat uit een van de hogere duinen in het plangebied. Bovenop dit duin staat een vrijstaande eengezinswoning. Dit duin ligt op een markante plek in het centrum van Bergen aan Zee. De landschappelijke karakteristiek ter plaatse van het perceel aan de [locatie 1] is duidelijk anders dan die van de ten noorden hiervan gelegen percelen. In dat gebied zijn de duinen afgevlakt waardoor de desbetreffende woningen op maaiveldniveau zijn gelegen. Hierdoor vormt het perceel aan de [locatie 1] een beeldbepalend element in de omgeving, aldus het deskundigenbericht.

9.5. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft in redelijkheid een belangrijk gewicht kunnen toekennen aan het belang van het beschermen van het open karakter van het duinlandschap. De Afdeling acht het planuitgangspunt zoals weergegeven in 9.3, waarbij voor deze percelen wordt voorzien in een beperkt bouwvlak en beperkte bouwmogelijkheden gebaseerd op de bestaande situatie, niet onredelijk. Dit laat onverlet dat de raad in een concreet geval dient te beoordelen of zwaarwegende belangen bij het behoud van de uitbreidingsmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan zich verzetten tegen toepassing van dit planuitgangspunt.

9.6. Vast staat dat in het plan voor het perceel aan de [locatie 1] de bestemming "Wonen - Duinen" samenvalt met het bouwvlak en dat aan de rest van het perceel de bestemming "Tuin - Duinen" is toegekend. Voorts staat vast dat het bouwvlak kleiner is vastgesteld ten opzichte van het voorheen geldende plan. Hetgeen [appellant sub 1] betoogt biedt evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van zwaarwegende belangen op grond waarvan de raad had moeten afwijken van het planuitgangspunt zoals weergegeven in 9.3. De raad heeft zich, anders dan [appellant sub 1] betoogt, terecht op het standpunt gesteld dat het perceel aan de [locatie 1] verschilt van de percelen met de bestemmingen "Wonen - 2" en "Tuin" die ten noorden hiervan liggen. Zoals volgt uit het deskundigenbericht ligt het perceel op een duin en heeft dit een andere landschappelijke karakteristiek dan de percelen ten noorden hiervan.

9.7. Ten aanzien van de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met het perceel aan de Julianalaan 1 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie eveneens verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat dit geen ruim en open perceel betreft en dit perceel dichter op de bebouwde kern ligt. Volgens de raad is het landschap hier vlakker en minder open en is de feitelijke landschapswaarde minder groot dan op het perceel aan de [locatie 1]. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 1] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

9.8. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Tuin - Duinen" voor het perceel aan de [locatie 1], strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van de stichting Woningexploitatie

10. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Wonen - 2" en onder meer de aanduiding "recreatiewoning" voor het bijgebouw op het perceel aan de Verspyckweg 7. De stichting Woningexploitatie betoogt dat de raad ten onrechte aan het bijgebouw de aanduiding "recreatiewoning" heeft toegekend. De stichting Woningexploitatie voert hiertoe aan dat het bijgebouw zich leent voor permanente bewoning.

10.1. De raad heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ten tijde van het vaststellen van het plan niet is onderkend dat op 19 maart 1985 door het college van burgemeester en wethouders een vergunning tot vestiging ten behoeve van het bijgebouw is verleend. Volgens de raad was hiermee toegestaan dat het bijgebouw permanent werd bewoond. De raad stelt zich op het standpunt dat hij dit gebruik in dit plan als zodanig had moeten bestemmen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep van de vereniging van eigenaars en anderen

11. Het beroep richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en onder meer de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - verblijfsrecreatieve appartementen" voor het perceel aan het Van der Wijckplein 16. De vereniging van eigenaars en anderen betogen dat het plan rechtsonzeker is. De vereniging van eigenaars en anderen voeren hiertoe aan dat het plan verschillende bestemmingen voor recreatief gebruik van woningen kent en dat het onderscheid hiertussen onduidelijk is. Voorts ontbreekt in het plan een definitie van het begrip tweede woning, aldus de vereniging van eigenaars en anderen.

11.1. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie -verblijfsrecreatieve appartementen": bedrijfsmatige geëxploiteerde verblijfsrecreatieve appartementen;

b. ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning": recreatiewoningen.

Ingevolge artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder b, zijn de voor "Wonen - 1" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning" bestemd voor recreatiewoningen.

11.2. De vereniging van eigenaars en anderen betogen terecht dat het plan zowel binnen de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" als binnen de verschillende woonbestemmingen voorziet in het gebruik van woningen als recreatiewoning. Anders dan de vereniging van eigenaars en anderen betogen bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat hierdoor sprake is van rechtsonzekerheid. De bij het plan horende verbeelding en planregels maken duidelijk waar het gebruik van woningen als recreatiewoning is toegestaan en wat hieronder wordt verstaan. Dat in het plan geen definitie van het begrip tweede woning is opgenomen leidt evenmin tot het oordeel dat het plan rechtsonzeker is. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hieraan de betekenis in het dagelijks spraakgebruik moet worden toegekend, zijnde een woning die recreatief wordt bewoond door de eigenaar en zijn huishouden, die hun hoofdverblijf elders hebben, en zodoende een deel van het jaar leeg staat.

11.3. De vereniging van eigenaars en anderen betogen voorts dat de raad ten onrechte voor het perceel de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - verblijfsrecreatieve appartementen" heeft opgenomen. De vereniging van eigenaars en anderen voeren hiertoe aan dat deze aanduiding verbiedt om de op het perceel liggende woningen anders te gebruiken dan ten behoeve van bedrijfsmatige exploitatie, terwijl de woningen altijd door particuliere eigenaren zijn gebruikt en nooit bedrijfsmatig zijn verhuurd.

11.4. De raad stelt zich op het standpunt dat hij de eigenaren van de woningen niet de verplichting heeft willen opleggen om de woningen bedrijfsmatig te exploiteren. Voorts heeft hij niet beoogd de eigenaren het exclusief recreatief gebruik van de woningen te ontzeggen, zodat hij hieraan ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - verblijfsrecreatieve appartementen" heeft toegekend. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Bestuurlijke lus

12. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dit luidde ten tijde van belang, op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De raad dient:

a. met inachtneming van hetgeen is overwogen in 5.2 alsnog toereikend te motiveren hoe het verbod op het gebruik van woningen als tweede woning zal worden gehandhaafd en toereikend te motiveren waarom het plan op dit punt uitvoerbaar is, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling;

b. met in achtneming van hetgeen is overwogen in 6.4 en 8.5 alsnog te onderzoeken of de woningen aan het Van der Wijckplein, behoudens de woningen [2 woningen], en de woning aan de [locatie 1] op 26 februari 1982 in gebruik waren als tweede woning en om die reden vielen onder de uitzonderingsbepaling in artikel 6, vierde lid, aanhef en onder b, van de voorschriften bij het voorheen geldende plan "Bergen aan Zee 1975" en op grond van de uitkomsten van dat onderzoek alsnog toereikend te motiveren waarom aan deze woningen niet de aanduiding "specifieke vorm van wonen - tweede woning" dient te worden toegekend, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling;

c. met inachtneming van 10.1 voor het plandeel met de bestemming "Wonen - 2" en onder meer de aanduiding "recreatiewoning" voor het bijgebouw op het perceel aan de Verspyckweg 74 het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling;

d. met inachtneming van 11.4 voor het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en onder meer de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - verblijfsrecreatieve appartementen" voor het perceel aan het Van der Wijckplein 16 het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

13. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Bergen op om binnen zestien weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 12 het besluit van 15 december 2011 tot het vaststellen van het bestemmingsplan "Bergen aan Zee - Dorpskern" te herstellen en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het gewijzigde besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Schaaf, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Schaaf

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013

523.