Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0162

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
201201261/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2011, kenmerk B11.000318, heeft de raad het bestemmingsplan "Randmeerzone (8060)" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 8.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2013/129
JOM 2013/508
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201261/1/R2.

Datum uitspraak: 15 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie, gevestigd te Groningen,

2. de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Coöperatieve Vereniging Bungalowpark De Bremerberg U.A. (hierna: Coöperatie), gevestigd te Biddinghuizen, gemeente Dronten,

3. [appellant sub 3], wonend te Zwolle, gemeente Berkelland,

4. [appellant sub 4] en anderen, allen wonend te Biddinghuizen, gemeente Dronten,

5. [appellanten sub 5], beiden wonend te Biddinghuizen, gemeente Dronten,

6. de vereniging Vereniging van Recreatieondernemers Nederland (hierna: Recron), gevestigd te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

en

de raad van de gemeente Dronten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2011, kenmerk B11.000318, heeft de raad het bestemmingsplan "Randmeerzone (8060)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Nederlandse Gasunie, de Coöperatie, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen en [appellanten sub 5] en Recron beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2012, waar Recron, vertegenwoordigd door A. Helling, de Coöperatie, vertegenwoordigd door ir. L.C. Blanken, [appellant sub 4] en anderen, van wie [appellant sub 4], en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.M. Hegger, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan betreft de kustzone van de gemeente Dronten. Het plan is hoofdzakelijk conserverend van aard en voorziet in een actualisatie van de vorige bestemmingsplannen.

Ontvankelijkheid

2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen tevens beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.1. Blijkens artikel 2 van haar statuten heeft Recron ten doel het behartigen of doen behartigen van de belangen van recreatieondernemers en -ondernemingen in de ruimste zin des woords, waaronder begrepen campings, bungalowparken, groepsaccomodaties, dagrecreatieve bedrijven, buiten- en binnensportbedrijven, zwembaden, musea, dierentuinen, bedrijven met een gemengde bedrijfsvoering en andere ondernemingen werkzaam in de sector recreatie. De vereniging heeft voorts ten doel het fungeren als kennis- en adviescentrum voor de hiervoor genoemde ondernemers en ondernemingen. De vereniging tracht haar doel onder meer te bereiken door het behartigen van de belangen van haar leden in de ruimste zin, waaronder begrepen het instellen van rechtsvorderingen namens één of meer van haar leden, waar de belangen van de individuele leden van de vereniging in het geding zijn.

Het plandeel waaraan de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie- minicamping" zijn toegekend, betreffende de bestaande minicamping P90 aan Stobbenweg 29, voorziet in de mogelijkheid dat het aantal kampeerplaatsen op die bestaande minicamping wordt uitgebreid tot 40. Recron stelt dat deze uitbreidingsmogelijkheid nadelige gevolgen heeft voor de bedrijfseconomische positie van enkele reguliere recreatieondernemingen in de omgeving van het Drontermeer die in deze procedure anoniem wensen te blijven.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft Recron, los van het concurrentiebelang van enkele reguliere recreatieondernemingen in de omgeving van het Drontermeer die in deze procedure anoniem wensen te blijven, niet aannemelijk gemaakt dat het algemene en collectieve belang dat zij krachtens haar doelstellingen en blijkens haar feitelijke werkzaamheden behartigt rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken.

De conclusie is dat Recron bij het bestreden besluit geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, geen beroep kan instellen. Het beroep van Recron is niet-ontvankelijk.

3. De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 4] en anderen niet-ontvankelijk is voor zover het is ingediend namens [appellant sub 4 A], [appellant sub 4 B] en [appellant sub 4 C], nu zij geen zienswijze tegen het ontwerpplan hebben ingediend.

3.1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

[appellant sub 4 A], [appellant sub 4 B] en [appellant sub 4 C] hebben geen zienswijze tegen het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad.

Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, zoals dat luidde ten tijde van belang, en artikel 6:13 van de Awb, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door de belanghebbende die tegen het ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor.

Het beroep van [appellant sub 4] en anderen is niet-ontvankelijk voor zover het is ingediend namens [appellant sub 4 A], [appellant sub 4 B] en [appellant sub 4 C].

Gasleidingen

4. De Nederlandse Gasunie kan zich niet met het plan verenigen voor zover een gedeelte van de aardgastransportleiding A-570-12 en een gedeelte van de aardgastransportleiding A-570-01 niet zijn opgenomen in de verbeelding. Zij betoogt dat het niet opnemen van aardgastransportleidingen in de verbeelding in strijd is met artikel 14 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Zij wijst erop dat de raad haar zienswijze ten aanzien hiervan geheel gegrond heeft verklaard.

4.1. De raad stelt dat per abuis gedeelten van de aardgastransportleidingen A-570-12 en A-570-01 niet conform de zienswijze van de Gasunie zijn opgenomen in de verbeelding.

4.2. Ingevolge punt VI van het bestreden besluit heeft de raad het plan gewijzigd vastgesteld, conform de bij het vaststellingsbesluit behorende bijlage 1. Deze bijlage betreft de ‘Reactienota zienswijzen Bestemmingsplan Randmeerzone (8060)’ (hierna: de reactienota). Op pagina 9, onder 4, van de reactienota staat ten aanzien van de door de Nederlandse Gasunie ingediende zienswijze vermeld dat "de ligging van de leidingen […] A-570-01, A-570-12 […] wordt gecorrigeerd op de verbeelding op basis van het aangeleverde materiaal van reclamant."

4.3. De Afdeling stelt vast dat zowel in de elektronische verbeelding als op de papieren versie een gedeelte van de ligging van aardgastransportleiding A-570-12 en een gedeelte van de ligging van aardgastransportleiding A-570-01 niet zijn gecorrigeerd conform de door de Nederlandse Gasunie bij haar zienswijze ingediende kaartbladen. Nu de verbeelding in zoverre niet overeenstemt met het vaststellingsbesluit, is in zoverre sprake van een rechtsonzeker plan. De Afdeling ziet derhalve aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Het betoog slaagt. Het beroep van de Nederlandse Gasunie is gegrond en het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd.

4.4. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen een nieuw besluit te nemen waarmee hij de elektronische verbeelding en de papieren versie wat betreft de ontbrekende gedeelten van aardgastransportleiding A-570-12 en aardgastransportleiding A-570-01 in overeenstemming brengt met het vaststellingsbesluit van 24 november 2011.

Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling nog het volgende. Zoals zij eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 september 2011 in zaak nr. 201107073/2/R3) staat het, in geval van vernietiging van een besluit door de bestuursrechter, het bevoegd gezag in beginsel vrij om bij het nemen van een nieuw besluit terug te vallen op de procedure die aan het vernietigde besluit ten grondslag lag, dan wel de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen. Dit betekent dat de raad er voor kan kiezen het bestemmingsplan opnieuw vast te stellen zonder hieraan voorafgaand een ontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen. In dit geval acht de Afdeling het niet nodig om bij de voorbereiding van het nieuwe besluit de procedure van afdeling 3.4 van de Awb opnieuw te doorlopen.

Recreatiewoningen

5. De Coöperatie, [appellant sub 4] en anderen, [appellanten sub 5] en [appellant sub 3] kunnen zich niet met het plan verenigen voor zover daarmee het bestaande gebruik voor permanente bewoning van recreatiewoningen op bungalowpark De Boschberg en bungalowpark De Bremerberg onder een persoonsgebonden overgangsrecht is gebracht.

[appellant sub 4] en anderen, [appellanten sub 5] en [appellant sub 3] stellen dat het gebruik voor permanente bewoning voor in elk geval 15% van het aantal recreatiewoningen op de beide bungalowparken legaal bestaand gebruik betreft. Zij betogen dat dit gebruik derhalve ten onrechte onder een persoonsgebonden overgangsrecht is gebracht. Voorts betogen zij dat gebruik dienovereenkomstig had moeten worden bestemd en dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dat niet is gedaan.

[appellant sub 4] en anderen, [appellanten sub 5] en [appellant sub 3] betogen voorts dat het plan ten onrechte niet voor alle permanent bewoonde recreatiewoningen voorziet in een overgangsregeling. [appellant sub 3] en de Coöperatie betogen verder dat ten onrechte 8 maart 2011 als peildatum wordt gehanteerd voor de toepasselijkheid van het persoonsgebonden overgangsrecht. [appellant sub 3] betoogt dat zijn recreatiewoning onder de overgangsregeling had moeten worden gebracht. Hij stelt dat hij zijn recreatiewoning met [nummer] permanent bewoont, dat deze recreatiewoning sinds 2010 door de belastingdienst als eigen woning wordt aangemerkt en dat hij sinds 13 maart 2011 staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: gba).

[appellant sub 4] en anderen betogen dat het plan is vastgesteld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu op het recreatiepark ‘Buitenpark Veluwemeer’ permanente bewoning is toegestaan voor 20% van de recreatiewoningen. Ook wijzen zij erop dat in een commissievergadering van de raad is gesproken over het mogelijk maken van permanente bewoning op het bestaande recreatieproject Zuiderzee op Zuid. [appellant sub 3] betoogt dat de raad het plan heeft vastgesteld in strijd met het vertrouwensbeginsel.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met het plan is beoogd te voorzien in een passende regeling voor bungalowpark De Boschberg en bungalowpark De Bremerberg. Volgens de raad is daarbij getracht rekening te houden zowel met de belangen van de permanente bewoners die ten tijde van de publicatie van het ontwerpplan op 8 maart 2011 in de gba als woonachtig in de recreatiewoningen stonden ingeschreven, als met de belangen van de coöperatieve verenigingen en degenen die hun recreatiewoning alleen recreatief gebruiken.

5.2. Ingevolge artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), voor zover hier van belang, worden in een bestemmingsplan de volgende regels van overgangsrecht ten aanzien van gebruik opgenomen:

Overgangsrecht gebruik

1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Ingevolge artikel 3.2.3 kan, indien toepassing van het overeenkomstig artikel 3.2.2 in het plan opgenomen overgangsrecht gebruik zou kunnen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor een of meer natuurlijke personen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan grond en opstallen gebruikten in strijd met het voordien geldende bestemmingsplan, de gemeenteraad met het oog op beëindiging op termijn van die met het bestemmingsplan strijdige situatie, in het plan persoonsgebonden overgangsrecht opnemen.

5.3. Aan het plandeel betreffende bungalowpark De Boschberg is blijkens de verbeelding de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 3" toegekend en aan het plandeel betreffende bungalowpark De Bremerberg de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 6".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 64, van de planregels wordt onder peildatum verstaan het tijdstip van publicatie van het ontwerpplan.

Ingevolge artikel 19, lid 19.4, aanhef en onder b, onderscheidenlijk artikel 22, lid 22.4, aanhef en onder b, wordt ter plaatse van de plandelen met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 3" en "Recreatie - Verblijfsrecreatie 6" tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval gerekend het gebruik van gebouwen voor permanente bewoning.

Ingevolge artikel 42, lid 42.2, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet.

Ingevolge lid 42.2, onder b, is het verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

Ingevolge lid 42.2, onder c, is indien het gebruik, bedoeld onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

Ingevolge lid 42.2, onder d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Ingevolge lid 42.3 mag in afwijking van het bepaalde in lid 42.2 het gebruik van de recreatiewoningen voor permanente bewoning, op de daaronder genoemde adressen, worden voorgezet, mits de betreffende recreatiewoningen vanaf de peildatum niet door een ander of anderen in gebruik zijn genomen dan door degene(n) die op de peildatum op daaronder genoemde adressen waren ingeschreven in de gba.

5.4. Ingevolge het vorige bestemmingsplan "Veluwemeer en omgeving" waren aan de plandelen betreffende de gronden ter plaatse van de bungalowparken De Bremerberg en De Boschberg de bestemming "Recreatie" en de nadere aanduiding "Verblijfsrecreatie" toegekend. Ingevolge de voorschriften behorende bij dat bestemmingsplan werd tot een gebruik strijdig met deze bestemming in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken voor permanente bewoning, anders dan bij de complexen De Bremerberg en De Boschberg mits bij deze parken het aantal permanent bewoonde recreatiewoningen het percentage van 15 niet overschrijdt. Het daarvoor geldende bestemmingsplan sloot permanente bewoning van recreatiewoningen uit. Ten tijde van de vaststelling van het onderhavige plan was derhalve voor 15% van het aantal recreatiewoningen op bungalowpark De Bremerberg en 15% van het aantal recreatiewoningen op bungalowpark De Boschberg bij recht toegestaan deze te gebruiken voor permanente bewoning (hierna: de 15%-regeling).

5.5. In het voorliggende plan is het bestaande recreatieve gebruik van de recreatiewoningen ter plaatse van de bungalowparken De Boschberg en De Bremerberg dienovereenkomstig bestemd door de bestemmingen "Recreatie - Verblijfsrecreatie 3" en "Recreatie - Verblijfsrecreatie 6" toe te kennen aan desbetreffende plandelen. Het gebruik voor permanente bewoning is voor beide bungalowparken niet als zodanig bestemd, uitgezonderd van het algemene overgangsrecht en voor die recreatiewoningen waar ten tijde van de publicatie van het ontwerpplan op 8 maart 2011 een of meer personen als woonachtig stonden ingeschreven in de gba, onder een persoonsgebonden overgangsrecht gebracht.

5.6. De Afdeling volgt niet de stelling van de Coöperatie, [appellant sub 4] en anderen en [appellanten sub 5] dat andere recreatiewoningen dan de recreatiewoningen op de lijst onder artikel 42, lid 42.3, van de planregels ten tijde van het nemen van het bestreden besluit werden gebruikt voor permanente bewoning, nu zij niet hebben geconcretiseerd welke andere recreatiewoningen dit zouden zijn.

Inschrijving in de gba levert in het algemeen een vermoeden op dat de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft op het adres waarop hij is ingeschreven. [appellant sub 3] heeft onweersproken gesteld dat hij sinds 13 maart 2011 als woonachtig staat ingeschreven in zijn recreatiewoning op bungalowpark De Bremerberg aan Bijsselseweg 3, [nummer]. Dit levert een vermoeden op dat hij ten tijde van het nemen van het bestreden besluit deze recreatiewoning permanent bewoonde. De raad heeft dit niet onderkend. Het betoog van [appellant sub 3] slaagt.

5.7. Gelet op hetgeen is overwogen onder 5.6 moet het ervoor worden gehouden dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op bungalowpark De Bremerberg minder dan 15% van de recreatiewoningen werd gebruikt voor permanente bewoning. Het betreft de 25 recreatiewoningen die zijn opgenomen in lid 42.3 en de recreatiewoning van [appellant sub 3]. Deze recreatiewoningen werden derhalve krachtens de 15%-regeling legaal gebruikt voor permanente bewoning.

Voor bungalowpark De Boschberg moet het ervoor worden gehouden dat op de peildatum meer dan 15% van de recreatiewoningen werd gebruikt voor permanente bewoning. Het betreft de 57 recreatiewoningen die zijn opgenomen op de lijst in lid 42.3. Het bestaande gebruik van deze recreatiewoningen voor permanente bewoning betreft deels legaal gebruik krachtens de 15%-regeling en deels gebruik dat in strijd was met het vorige bestemmingsplan.

De rechtszekerheid vereist in het algemeen dat bestaand legaal gebruik in overeenstemming met de bestaande situatie wordt opgenomen in een bestemmingsregeling. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden, indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen.

5.8. Wat betreft de feitelijke situatie ten tijde van het nemen van het bestreden besluit kunnen derhalve twee verschillende categorieën worden onderscheiden.

In de eerste plaats heeft het plan betrekking op recreatiewoningen op de bungalowparken De Boschberg en De Bremerberg die wel permanent worden bewoond. In dit verband heeft de raad ter zitting uiteengezet dat hij niet heeft achterhaald welke recreatiewoningen op bungalowpark De Boschberg legaal krachtens de 15%-regeling worden gebruikt voor permanente bewoning en welke illegaal voor permanente bewoning worden gebruikt, en dat dit niet meer goed te achterhalen is.

Artikel 3.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) biedt echter niet de mogelijkheid persoonsgebonden overgangsrecht voor een of meer natuurlijke personen op te nemen in gevallen waarin het gebruik in het vorige plan dienovereenkomstig was bestemd.

Het had voorts op de weg van de raad gelegen om te bezien of voor de gevallen waarin een recreatiewoning op bungalowpark De Boschberg of De Bremerberg permanent werd bewoond in het plan een dienovereenkomstige bestemming of een zogenoemde uitsterfregeling had kunnen worden opgenomen. Een uitsterfregeling houdt in dat de desbetreffende woningen als recreatiewoning worden bestemd, maar dat in afwijking van het verbod van permanente bewoning, permanente bewoning van deze woningen wordt toegestaan, met dien verstande dat op het moment dat de permanente bewoning van de desbetreffende woningen eindigt, dit gebruik niet langer is toegestaan.

Nu met het plan het bestaande gebruik voor permanente bewoning krachtens de 15%-regeling onder persoonsgebonden overgangsrecht is gebracht, en de raad evenmin inzichtelijk heeft gemaakt of voor de desbetreffende woningen het gebruik voor permanente bewoning als zodanig zou kunnen worden bestemd dan wel een uitsterfregeling als hiervoor genoemd had kunnen worden opgenomen, geeft hetgeen [appellant sub 4] en anderen, [appellanten sub 5] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met artikel 3.2.3 van het Bro en niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Deze betogen slagen.

Met het oog op het nemen van een nieuw besluit overweegt de Afdeling dat, indien de raad ervoor kiest het bestaande, legale gebruik voor permanente bewoning niet zonder meer dienovereenkomstig te bestemmen en geen uitsterfregeling als hiervoor genoemd op te nemen, met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk moet zijn dat het bestaande, legale gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd en dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt. De raad zal hier bij het vaststellen van een nieuwe passende regeling voor de desbetreffende recreatiewoningen rekening mee dienen te houden.

5.9. In de tweede plaats heeft het plan betrekking op recreatiewoningen op de bungalowparken De Boschberg en De Bremerberg die niet permanent worden bewoond.

De Afdeling acht het standpunt van de raad dat het vanuit ruimtelijk oogpunt onwenselijk is deze recreatiewoningen te bestemmen voor permanente bewoning, niet onredelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de plantoelichting staat vermeld dat de bungalowparken De Bremerberg en De Boschberg liggen in een gebied dat deel uitmaakt van de Veluwemeer kustzone tussen Hardersluis en de Elburgerbrug. Deze zone vormt een intensieve recreatiezone voor verblijfsrecreatie en intensieve dagrecreatie. Het gebied is niet bedoeld voor wonen. Voorts wordt in aanmerking genomen dat reguliere woonwijken een andere ruimtelijke uitstraling en andere behoeften hebben dan recreatieparken. Gelet hierop is het beleid van de raad sinds het jaar 2000 gericht op de fysieke scheiding van reguliere en recreatieve woonvormen en in het verlengde daarvan op het beëindigen van permanente bewoning van recreatiewoningen. Hetgeen [appellant sub 4] en anderen, [appellanten sub 5] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit uitgangspunt ontoereikend heeft gemotiveerd.

5.10. Voor zover [appellant sub 4] en anderen hebben gewezen op het ontwerpplan "Biddinghuizen - Buitenplaats en Waterparc Veluwemeer (8062)", waarmee aan Buitenplaats Veluwemeer de bestemming "Wonen" is toegekend, en voorts op de vergadering van de raadscommissie waarin is gesproken over het mogelijk maken van permanente bewoning op het recreatieproject Zuiderzee op Zuid, overweegt de Afdeling het volgende. Daargelaten dat een en ander geen definitieve besluitvorming betreft, dateert het ontwerpplan van 19 september 2012 en de raadscommissievergadering van 8 november 2012. Deze kunnen daarom, gelet op het feit dat de toetsing van het bestreden besluit door de Afdeling wordt verricht aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, niet worden betrokken bij het thans voorliggende geschil.

Ten aanzien van de door [appellant sub 4] en anderen gemaakte vergelijking met het park Buitenplaats Veluwemeer, waar ingevolge het bestemmingsplan "Veluwemeer en omgeving" 20% van het aantal recreatiewoningen mag worden gebruikt voor permanente bewoning, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde omdat voormeld bestemmingsplan dateert van voor het gewijzigde inzicht van de raad aangaande de permanente bewoning van recreatiewoningen. In hetgeen [appellant sub 4] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hen genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Over het betoog van [appellant sub 3] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat [appellant sub 3] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het gebruik van recreatiewoningen voor permanente bewoning in het plan als zodanig zou worden bestemd. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

Deze betogen falen.

5.11. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie 6" voor het perceel Bijsselseweg 3, [nummer], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

In hetgeen [appellant sub 4] en anderen, Veenman en [appellant sub 5 B] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 3" en "Recreatie - Verblijfsrecreatie 6" voor de recreatiewoningen op de lijst bij artikel 42, lid 42.3, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3.2.3 van het Bro en de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen van [appellant sub 4] en anderen en Veenman en [appellant sub 5 B] zijn gegrond. Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre eveneens gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3.2.3 van het Bro en artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Gelet op de samenhang met artikel 42, lid 42.3, en artikel 1, aanhef en onder 64, van de planregels, komen ook deze planregels voor vernietiging in aanmerking. Gezien deze vernietiging behoeven de overige beroepsgronden ten aanzien van deze plandelen geen bespreking meer en bestaat aanleiding ook het beroep van de Coöperatie in zoverre gegrond te verklaren.

In hetgeen de Coöperatie, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen en [appellanten sub 5] verder hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandelen met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 3" en "Recreatie - Verblijfsrecreatie 6", betreffende de overige recreatiewoningen, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen en [appellanten sub 5] zijn derhalve voor het overige ongegrond en het beroep van de Coöperatie is in zoverre ongegrond.

Bedrijfswoningen

6. De Coöperatie betoogt dat in artikel 22, lid 22.4, aanhef en onder b, van de planregels ten onrechte niet de zinsnede "met uitzondering van bedrijfswoningen" is toegevoegd.

6.1. Ingevolge lid 22.4, aanhef en onder b, wordt ter plaatse van de gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 6" tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in ieder geval gerekend het gebruik van gebouwen voor permanente bewoning.

6.2. De raad stelt zich op het standpunt dat per abuis de zinsnede "met uitzondering van bedrijfswoningen" niet is opgenomen in lid 22.4, aanhef en onder b. Het betoog slaagt. De raad stelt zich in zoverre op een ander standpunt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan. Niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven. Gelet hierop is het bestreden besluit voor zover het betreft artikel 22, lid 22.4, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid voor zover daarin niet de zinsnede "met uitzondering van bedrijfswoningen" is opgenomen. Het beroep van de Coöperatie is ook in zoverre gegrond. Het bestreden besluit is in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

6.3. De Afdeling ziet met het oog op een zo spoedig mogelijke finale geschilbeslechting in dit geval aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de raad en de Coöperatie wensen dat de planregel op de voormelde wijze wordt vastgesteld en dat overigens niet aannemelijk is dat derden door het zelf in de zaak voorzien in hun belangen worden geschaad. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6.4. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

7. Van proceskosten van de Nederlandse Gasunie, Coöperatie, [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen en [appellanten sub 5] die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Voor een proceskostenveroordeling voor Recron bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van de vereniging Vereniging van Recreatieondernemers Nederland en van [appellant sub 4] en anderen voor zover het is ingediend namens [appellant sub 4 A], [appellant sub 4 B] en [appellant sub 4 C] niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van de naamloze vennootschap N.V. Nederlandse Gasunie gegrond en de beroepen van de onderlinge waarborgmaatschappij C.V. Bungalowpark de Bremerberg U.A., [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen, voor zover ontvankelijk, en [appellanten sub 5] gedeeltelijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dronten van 24 november 2011,

a. voor zover de verbeelding afwijkt van het vaststellingsbesluit door het ontbreken van een gedeelte van de ligging van aardgastransportleiding A-570-12 en een gedeelte van de ligging van aardgastransportleiding A-570-01;

b. voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 3" voor de percelen Bijsselseweg 11 nummers 2, 17, 23, 28, 30, 31, 33, 34, 39, 41, 42, 47, 50, 56, 60, 63, 65, 69, 70, 73, 82, 83, 84, 88, 90, 101, 103, 106, 111, 113, 117, 118, 121, 122, 124, 125, 127, 130, 131, 135, 137, 138, 139, 140, 143, 144, 146, 158, 160, 161, 162, 165, 166, 169, 173, 174, 177 te Dronten;

c. voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie 6" voor de percelen Bijsselseweg 3 nummers 5, 8, 9, 14, 18, 21, 23, 25, 49, 59, 78, 92, 100, 115, 119, 121, 124, 128, 135, 141, 168, 172, 173, 184, 192, 219 te Dronten;

d. artikel 42, lid 42.3 en artikel 1, aanhef en onder 64, van de planregels;

e. artikel 22, lid 22.4, onder b, van de planregels;

IV. bepaalt dat artikel 22, lid 22.4, onder b, van de planregels als volgt komt te luiden:

b. het gebruik van gebouwen voor permanente bewoning, met uitzondering van bedrijfswoningen;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de onder III sub e vernietigde onderdeel van het bestreden besluit;

VI. draagt de raad van de gemeente Dronten op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen ten aanzien van de onder III sub a genoemde plandelen binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

VII. verklaart de beroepen van de onderlinge waarborgmaatschappij C.V. Bungalowpark de Bremerberg U.A., [appellant sub 3], [appellant sub 4] en anderen, voor zover ontvankelijk, en [appellanten sub 5] voor het overige ongegrond;

VIII. draagt de raad van de gemeente Dronten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel IV wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

IX. gelast dat de raad van de gemeente Dronten aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) voor de onderlinge waarborgmaatschappij C.V. Bungalowpark de Bremerberg U.A., € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 3], € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 4] en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen en € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellanten sub 5], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013

12-74.