Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0156

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
201211114/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het vergroten van de woning op het perceel [locatie] te Puttershoek (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211114/1/A1.

Datum uitspraak: 15 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Puttershoek, gemeente Binnenmaas,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 november 2012 in zaak nr. 12/444 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Binnenmaas.

Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het vergroten van de woning op het perceel [locatie] te Puttershoek (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 februari 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in een verdieping op een reeds bestaande garage. Deze garage is aangebouwd aan de woning op het perceel. Het college heeft geweigerd omgevingsvergunning te verlenen, omdat het bouwplan volgens het college in strijd is met het bestemmingsplan en het niet bereid is toestemming te verlenen voor het bouwen in strijd met het bestemmingsplan.

2. Het geschil beperkt zich tot de vraag of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

3. Ingevolge het geldende bestemmingsplan "De Grienden" rust op het perceel de bestemming "woondoeleinden".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder h, van de planvoorschriften wordt onder bijgebouw verstaan een gebouw, behorende bij een woning op hetzelfde bouwperceel al dan niet aan die woning verbonden, zoals een berging, hobbyruimte, garagebox of uitbreiding van de woning met uitzondering van dierenverblijven.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder q, wordt onder uitbreiding van de woning verstaan een gebouw dat is aangebouwd aan de woning en rechtstreeks van daaruit toegankelijk is.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, aanhef en onder b, voor zover hier van belang, bedraagt, indien uitbreidingen van de woning naast of aan woningen worden gebouwd, de afstand tussen een uitbreiding van de woning en de voorgevel van de woning of het verlengde daarvan ten minste 4 m.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef onder g, voor zover hier van belang, bedraagt de goothoogte van de uitbreidingen van de woning ten hoogste 3 m.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan heeft geacht door de daarin voorziene opbouw op de garage aan te merken als een uitbreiding van de woning. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank heeft miskend dat na realisatie van het bouwplan de opbouw en de garage deel uitmaken van de woning. Nu de opbouw derhalve niet ondergeschikt is aan de woning, kan die niet worden aangemerkt als aanbouw en daarmee ook niet als uitbreiding, aldus [appellant]. De omstandigheid dat in de planvoorschriften het begrip opbouw niet is gedefinieerd, maakt volgens [appellant] niet dat voor de betekenis van dit begrip kan worden aangesloten bij een daarin wel gedefinieerd begrip.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de in het bouwplan voorziene opbouw op de garage aangemerkt dient te worden als een uitbreiding van de woning, in de zin van artikel 1, aanhef en onder q, van de planvoorschriften. Het gestelde door [appellant], dat de opbouw geen uitbreiding betreft, nu die tezamen met de garage, deel wordt van de woning, wordt niet gevolgd. Niet valt in te zien waarom de garage met opbouw om die reden geen bijgebouw betreft in de zin van artikel 1, aanhef en onder h, van de planvoorschriften.

Nu de uitbreiding, naar niet in geschil is, niet voldoet aan de vereisten in artikel 4, vierde lid, aanhef en onder b, en g, van de planvoorschriften, heeft de rechtbank in navolging van het college voorts terecht overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013

604-757