Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0144

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
201208497/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil dat blijkens de transportakte van 29 juni 1957 op het perceel locatie 3, ten laste van het perceel van locatie 1, een erfdienstbaarheid is gevestigd, die een verbod inhoudt om op het lijdende erf een ander huis te bouwen dan het huis dat is ontworpen volgens tekening van architect H.A. Reinders te Amsterdam, zodat op dat perceel nimmer enige andere opstal mag worden opgetrokken dan het huis, ontworpen volgens de aan deze akte gehechte tekening.

De uitleg van de erfdienstbaarheid en de vraag of het bouwplan daarop een inbreuk maakt is aan de orde geweest in een kort geding bij de Rb. Haarlem. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 13 juni 2012 onder meer overwogen dat de vorderingen van wederpartijen om appellant A te gebieden de erfdienstbaarheid strikt na te volgen en hem te verbieden op het perceel enige opstal op te richten en/of aanwezig te hebben, anders dan voorgeschreven in de erfdienstbaarheid, te vergaand zijn en neerkomen op een declaratoire uitspraak omtrent het bestaan en de inhoud van de erfdienstbaarheid, waarvoor in kort geding geen plaats is. Om aan het spoedeisend belang van wederpartijen tegemoet te komen, heeft de voorzieningenrechter beslist dat appellant A geen uitvoering mag geven aan de omgevingsvergunning, totdat de bodemrechter onherroepelijk zal hebben beslist op de vraag of de erfdienstbaarheid zulks toelaat, dan wel onherroepelijk zal hebben beslist over wijziging of opheffing van de erfdienstbaarheid. Appellanten hebben inmiddels een bodemprocedure aanhangig gemaakt over de uitleg van de erfdienstbaarheid en de wijziging dan wel opheffing daarvan. De Rb. heeft onder deze omstandigheden in het vonnis in kort geding ten onrechte grond gezien voor het oordeel, dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staat.

Gegrond hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 5
Burgerlijk Wetboek Boek 5 70
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2013/131
JOM 2013/609
OGR-Updates.nl 2013-0141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208497/1/A1.

Datum uitspraak: 15 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Zaandijk, gemeente Zaanstad,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 juli 2012 in zaak nr. 12/1584 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het college aan [appellant A] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een aanbouw en twee dakkapellen aan de [locatie 1] te Zaandijk (hierna: het perceel).

Bij afzonderlijke besluiten van 24 februari 2012 heeft het college naar aanleiding van het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar de tekeningen behorende bij het besluit van 31 mei 2011 vervangen door de tekeningen met datumstempel 14 december 2011, de omschrijving van het bouwplan zoals vermeld in het besluit van 31 mei 2011 aangepast conform de vergunde situatie, in die zin dat de aanvraag niet twee maar vier dakkapellen betreft, en het besluit van 31 mei 2011 voor het overige onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 6 juli 2012 heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 24 februari 2012 vernietigd, het besluit van 31 mei 2011 herroepen en de door [appellant A] gevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van een aanbouw en vier dakkapellen geweigerd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2013, waar [appellanten], vertegenwoordigd door S.A.N. Geerling, en [wederpartijen], zijn verschenen. Voorts is het college, vertegenwoordigd door mr. K. Ouggaali, werkzaam bij de gemeente, gehoord.

Overwegingen

1. Het bouwplan heeft betrekking op het realiseren van een aanbouw en vier dakkapellen aan de woning op het perceel. [wederpartijen] zijn eigenaar van de naast het perceel gelegen woningen, onderscheidenlijk [locatie 2] en [locatie 3].

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Gortershoek" rusten op het perceel de bestemmingen "Woonhuizen" en "Erven". Niet in geschil is dat het bouwplan met het bestemmingsplan in strijd is, omdat de aanbouw is voorzien binnen de bestemming "Erven", waar geen voor bewoning bestemde gebouwen mogen worden opgericht. Ook is de aanbouw hoger dan de maximaal toegestane hoogte van 2,5 m.

Om het bouwplan te kunnen realiseren heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gelezen in verbinding met artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, een omgevingsvergunning verleend.

3. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, die aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staat. Daartoe voeren zij aan dat de erfdienstbaarheid die in 1957 ten laste van hun perceel en ten dienste van het perceel van [wederpartij B] is gevestigd, geen betrekking heeft op bouwkundige aanpassingen zoals het realiseren van een aan- of uitbouw, maar alleen op vervangende nieuwbouw van de woning zelf. [appellanten] voeren verder aan dat de erfdienstbaarheid niet dwingend is omschreven en dat daarvan mag worden afgeweken. Ook voeren zij aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de erfdienstbaarheid is afgegeven om de zichtlijnen op de Zaan te behouden en het bouwplan geen inbreuk op het bestaande uitzicht en evenmin op de wederzijdse privacy maakt, mede gezien de grote afstand tussen de [locatie 3] en hun perceel.

3.1. Ingevolge artikel 70, eerst lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is een erfdienstbaarheid een last waarmee een onroerende zaak ? het dienende erf ? ten behoeve van een andere onroerende zaak ? het heersende erf ? is bezwaard.

3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 april 2010 in zaak nr. 200906091/1) is voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vrijstelling in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze belemmering een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden, of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat blijkens de transportakte van 29 juni 1957 op het perceel van [wederpartij B], [locatie 3], ten laste van het perceel van [appellanten], [locatie 1], een erfdienstbaarheid is gevestigd, die een verbod inhoudt om op het lijdende erf een ander huis te bouwen dan het huis dat is ontworpen volgens tekening van architect H.A. Reinders te Amsterdam, zodat op dat perceel nimmer enige andere opstal mag worden opgetrokken dan het huis, ontworpen volgens de aan deze akte gehechte tekening.

De uitleg van de erfdienstbaarheid en de vraag of het bouwplan daarop een inbreuk maakt is aan de orde geweest in een kort geding bij de rechtbank Haarlem. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 13 juni 2012 onder meer overwogen dat de vorderingen van [wederpartijen] om [appellant A] te gebieden de erfdienstbaarheid strikt na te volgen en hem te verbieden op het perceel enige opstal op te richten en/of aanwezig te hebben, anders dan voorgeschreven in de erfdienstbaarheid, te vergaand zijn en neerkomen op een declaratoire uitspraak omtrent het bestaan en de inhoud van de erfdienstbaarheid, waarvoor in kort geding geen plaats is. Om aan het spoedeisend belang van [wederpartijen] tegemoet te komen, heeft de voorzieningenrechter beslist dat [appellant A] geen uitvoering mag geven aan de omgevingsvergunning, totdat de bodemrechter onherroepelijk zal hebben beslist op de vraag of de erfdienstbaarheid zulks toelaat, dan wel onherroepelijk zal hebben beslist over wijziging of opheffing van de erfdienstbaarheid. [appellanten] hebben inmiddels een bodemprocedure aanhangig gemaakt over de uitleg van de erfdienstbaarheid en de wijziging dan wel opheffing daarvan. De rechtbank heeft onder deze omstandigheden in het vonnis in kort geding ten onrechte grond gezien voor het oordeel, dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staat.

Het betoog slaagt.

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de overige door [wederpartijen] bij de rechtbank aangevoerde gronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

5. [wederpartijen] betogen dat inconsistenties bestaan tussen de aanvraag en de bijbehorende tekeningen en foto’s. Volgens hen zijn daarom ook de welstandscommissie en de monumentencommissie Zaanstad bij hun beoordeling van een onjuiste situatie uitgegaan. In dit verband voeren zij tevens aan dat de beschrijving van het bouwplan in de openbare bekendmakingen onjuist is, omdat is vermeld dat het bouwplan twee dakkapellen bevat, terwijl uit de beslissing op bezwaar blijkt dat sprake is van vier dakkapellen. Verder voeren zij aan dat de aanpassingen die op 14 april 2011 door Monumentencommissie zijn voorgesteld niet zijn overgenomen in de goedgekeurde tekeningen van 14 december 2011. Tevens bevatten deze tekeningen volgens hen omissies.

5.1. In het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is het bouwplan omschreven als het bouwen van een aanbouw en twee dakkapellen, terwijl uit de bouwtekeningen blijkt dat vier dakkapellen zijn voorzien, te weten twee aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van de woning. Het college heeft bij het besluit op bezwaar de omschrijving van het bouwplan zoals vermeld in het besluit van 31 mei 2011 aangepast conform de vergunde situatie. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het gebrek in het besluit van 31 mei 2011 in bezwaar is hersteld.

5.2. Vaststaat dat het perceel is gelegen binnen een gebied dat is aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Het bouwplan is in dit verband voorgelegd aan de monumentencommissie, die het heeft behandeld in de openbare vergadering van 14 april 2011. De monumentencommissie heeft een positief advies gegeven over het bouwplan, mits de dakkapellen worden verkleind (versmald) en die te laten stroken met de onderliggende ramen in de gevel. Door [appellant A] zijn daarop gewijzigde bouwtekeningen ingediend getekend 10 mei 2011, waarop de door de monumentencommissie voorgestelde aanpassingen zijn doorgevoerd. De stelling van [wederpartijen], dat de aanpassingen die de monumentencommissie heeft voorgesteld niet zijn overgenomen, althans niet in de laatst goedgekeurde bouwtekeningen van 14 december 2011, treft geen doel. Voorts is blijkens de stukken het bouwplan getoetst aan redelijke eisen van welstand, in het kader waarvan door de welstandscommissie op 29 maart 2011 en 24 mei 2011 positieve adviezen zijn uitgebracht. In het advies van 29 maart 2011 is aangegeven dat het bouwplan is getoetst aan de gebiedsgerichte criteria en dat de detaillering en materialisering voldoen aan redelijke eisen van welstand. In het advies van 24 mei 2011 is door de welstandscommissie aangegeven dat de aanvraag is gewijzigd op grond van het advies van de monumentencommissie en dat ook dit plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Er bestaat gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de monumentencommissie of de welstandscommissie bij hun beoordeling van een onjuiste situatie zijn uitgegaan.

Dat de bouwtekeningen van 14 december 2011 omissies bevatten, omdat het bouwplan niet overeenkomstig die tekeningen is gerealiseerd, betreft een kwestie van handhaving die in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen.

Het betoog faalt.

6. Het beroep van [wederpartijen] tegen de afzonderlijke besluiten van het college van 24 februari 2012 is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 juli 2012 in zaak nr. 12/1584;

III. verklaart het door [wederpartij A] en [wederpartij B] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013

651.