Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0138

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
201205889/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend om de zelfstandige woning aan de [locatie] te Den Haag om te zetten in onzelfstandige woonruimte voor drie bewoners (hierna: de vergunning).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205889/1/A3.

Datum uitspraak: 15 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 april 2012 in zaak nr. 11/9584 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2010 heeft het college aan [vergunninghouder] vergunning verleend om de zelfstandige woning aan de [locatie] te Den Haag om te zetten in onzelfstandige woonruimte voor drie bewoners (hierna: de vergunning).

Bij besluit van 9 november 2010 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 september 2011 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak onder 4.6 is overwogen een nieuw besluit te nemen.

Bij besluit van 18 november 2011 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 15 april 2010 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. C.R. Jansen, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Yildirim en mr. M.W. van Amerongen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet (hierna: de Hw) is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, om te zetten van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte.

Ingevolge het tweede lid wordt onder zelfstandige woonruimte, als bedoeld in het eerste lid, onder c, verstaan een woonruimte welke een eigen toegang heeft en welke door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Regionale Huisvestingsverordening stadsgewest Haaglanden 2005 (hierna: de Hvv) is het verbod als bedoeld in artikel 30 van de Hw uitsluitend van toepassing op woonruimten die behoren tot de in bijlage III van deze verordening opgenomen categorieën woonruimten.

Ingevolge bijlage III behoren in de gemeente Den Haag tot de categorie woonruimten als bedoeld in artikel 45 (onttrekkingen) alle woonruimten met uitzondering van:

- standplaatsen voor woonwagens en ligplaatsen voor woonschepen,

- woningen van toegelaten instellingen die ten behoeve van herstructurering gesloopt zullen worden en

- samen te voegen woningen.

Volgens hoofdstuk 4, paragraaf 2, van de Nota Kamerbewoning (hierna: de Nota) zijn alle vormen van kamerbewoning in beginsel toegestaan, met uitzondering van kamerbewoning in een aantal kwetsbare gebieden. Voor elke vorm van kamerbewoning is een vergunning nodig. Zodra meerdere huishoudens een woning delen, wordt er een zelfstandige woonruimte omgezet naar onzelfstandige woonruimte. Op grond van de Hvv is dit vergunningplichtig. De Hw eist een individuele belangenafweging bij een vergunningaanvraag. Uitzonderingen op ‘in beginsel toegestaan’ zijn daarom mogelijk. Daarnaast gelden er eisen met betrekking tot een minimale oppervlakte per persoon en bij meer dan vier personen brandveiligheidseisen en een meldingsplicht op basis van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken.

De kwetsbare gebieden zijn: Schildersbuurt, Rivierenbuurt, Transvaalkwartier, Regentessekwartier, het Valkenboskwartier, Rustenburg en Oostbroek en het Laakkwartier en Spoorwijk.

2. De aanvraag om de vergunning heeft tot doel om de zolder met ondergelegen woning van de [locatie] als onzelfstandige woonruimte te kunnen gebruiken. Aan het besluit van 18 november 2011 heeft het college ten grondslag gelegd dat de vergunning op grond van de Nota kon worden verleend, omdat vaststaat dat de zolderruimte mag worden bewoond, de [locatie] gelegen is in het gebied Centrum en het Centrum niet als kwetsbaar gebied is aangewezen. De vergunning kon derhalve conform het beleid worden verleend voor bewoning door vier personen. Het college is afgeweken van het beleid door de vergunning slechts te verlenen voor bewoning door drie personen. De door [appellante] gestelde overlast vormt volgens het college geen reden in verdere mate van het beleid af te wijken. De meldingen van overlast betreffen immers uitsluitend meldingen van [appellante]. De politie heeft ter plaatse nooit overlast geconstateerd. Daarnaast zijn er geen recente onderbouwde meldingen van overlast, aldus het college.

3. [appellante] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vraag of de bovenverdieping van de [locatie] naar haar aard een zelfstandige woonruimte is reeds in een eerdere onherroepelijke uitspraak van de rechtbank is beantwoord. Volgens [appellante] is pas na die eerdere uitspraak bekend geworden dat de desbetreffende ruimte geen onzelfstandige woonruimte is. Om een einde te maken aan het zelfstandige karakter van de woonruimte is de verhuurder in het verleden te kennen gegeven dat het aanwezige keukenblok diende te worden verwijderd. Dat is echter volgens [appellante] nooit gebeurd. [appellante] heeft het college daarvan bij brief van 4 november 2011 op de hoogte gesteld. De vergunning had derhalve nooit mogen worden verleend. De rechtbank heeft haar oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus [appellante].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 6 augustus 2003 in zaak nr. 200206222/1 heeft het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank tot gevolg dat, indien in beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat het ten tweeden male beoordelen van door de rechtbank eerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden het gezag van de rechterlijke uitspraak waartegen geen rechtsmiddel is aangewend, miskent.

De rechtbank heeft in haar uitspraak verwezen naar haar uitspraak van 7 september 2011 waarin in rechtsoverweging 4.5 is geoordeeld:

"Voor zover eiseres heeft betoogd dat de woningruimte op de vierde (zolder-)etage naar haar aard een zelfstandige woonruimte betreft, en de onttrekkingsvergunning daarom niet kan worden verleend, faalt dit betoog. Hierbij volgt de rechtbank verweerders betoog dat de ruimte op de vierde etage niet de bepalende karakteristieken vertoont van een zelfstandige woonruimte, nu het een keukenblok ontbeert."

Voor zover [appellante] heeft betoogd dat pas na de uitspraak van de rechtbank bekend werd dat de bovenverdieping van de [locatie] geen onzelfstandige woonruimte is, had zij tegen de uitspraak in hoger beroep kunnen gaan, hetgeen zij niet heeft gedaan. Voor zover zij ter zitting heeft gesteld dat de termijn waarbinnen hoger beroep kon worden ingesteld op dat moment reeds was verlopen, wordt overwogen dat zij dat niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank is terecht van haar eerdere oordeel, dat de bovenverdieping van de [locatie] onzelfstandige woonruimte betreft, uitgegaan.

Het betoog faalt.

4. Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 18 november 2011 tot stand is gekomen na inventarisatie van hetgeen bekend was omtrent overlast. Zij voert hiertoe aan dat zij meer meldingen van overlast heeft gedaan, dan die nu zijn meegenomen in het besluit en dat het college daarvan op de hoogte was. Het besluit is derhalve onzorgvuldig genomen en onvoldoende gemotiveerd. Bovendien heeft de rechtbank miskend dat een verleden van overlast een grond kan vormen om de vergunning te weigeren, aldus [appellante].

4.1. De rechtbank heeft overwogen dat het college conform haar eerdere uitspraak al hetgeen over de overlast bekend was bij de beoordeling van de aanvraag om de vergunning heeft betrokken. Dat dit niet heeft geleid tot het door [appellante] gewenste resultaat, betekent niet dat de rechtbank heeft miskend dat een verleden van overlast een grond kan vormen om de vergunning te weigeren.

4.2. Uit het besluit van 18 november 2011 volgt dat het college een overzicht van gebeurtenissen van de politie Haaglanden van 4 september 2009, een melding van illegale bewoning van 20 oktober 2009, een verklaring van een voormalige bewoner van de bovenverdieping van 15 maart 2006 en twee verklaringen van omwonenden van 17 juni 2011 en 19 juni 2011 aan zijn beoordeling ten grondslag heeft gelegd. Bij brief van 4 november 2011 heeft [appellante] aan het college stukken gezonden waaruit onder meer volgt dat zij op 23 januari 2011, 28 januari 2011 en op 27 mei 2011 meldingen heeft gedaan van overlast, die betrekking hebben op een nieuwe bewoner. Nu die meldingen niet in het besluit van 18 november 2011 staan vermeld, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college conform haar uitspraak van 7 september 2011 al hetgeen over de overlast bekend was bij de beoordeling van de aanvraag om de vergunning heeft betrokken. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte niet onderkend dat het besluit van 18 november 2011 onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 18 november 2011 gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Met het oog op finale geschilbeslechting zal de Afdeling onderzoeken of de rechtsgevolgen van dat besluit in stand kunnen worden gelaten.

6. Ter zitting heeft het college te kennen gegeven dat, indien voldaan wordt aan de eisen met betrekking tot de bouwkundige staat van een woning, waaronder een bepaalde minimale oppervlakte per persoon en de eisen uit het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, meldingen van overlast als hier aan de orde niet kunnen leiden tot weigering of intrekking van een vergunning, behoudens zeer extreme gevallen van overlast. Deze gedragslijn acht de Afdeling niet onredelijk, gelet op het feit dat iedere kamerverhuur gepaard gaat met vormen van overlast.

De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het overlastverleden in dit geval niet aan vergunningverlening in de weg staat, omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar ervaren overlast als gevolg van de verhuur van de bovenverdieping van de [locatie] dusdanig extreem was dat de vergunning reeds daarom had moeten worden geweigerd. Het college heeft daarbij van belang mogen achten dat de overgelegde stukken van de meldingen van overlast, die betrekking hebben op de bewoner die op 24 september 2009 is verhuisd, uitsluitend meldingen van [appellante] bevatten, dat uit die stukken volgt dat de politie in geen van die gevallen overlast heeft geconstateerd en dat de overgelegde verklaringen van twee omwonenden dusdanig algemeen zijn geformuleerd, dat daaruit niet kan worden afgeleid waaruit de gestelde overlast bestaat en wanneer zich die zou hebben voorgedaan. Ten aanzien van de door [appellante] overgelegde stukken met betrekking tot de door haar gedane meldingen van overlast van 23 januari 2011, 28 januari 2011 en 27 mei 2011 heeft het college ter zitting terecht gesteld dat, hoewel die meldingen zien op een andere huurder, die overlast niet wezenlijk afwijkt van de overlast die [appellante] van de vorige huurder ondervond. Die meldingen leiden derhalve evenmin tot het oordeel dat zich een extreme situatie voordeed op grond waarvan het college in redelijkheid de vergunning had moeten weigeren.

Gelet hierop zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor zover [appellante] eveneens heeft verzocht om vergoeding van proceskosten ingevolge artikel 7:15 van de Awb wordt overwogen dat daarvoor geen grond bestaat nu het besluit van 15 april 2010 niet wordt herroepen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 april 2012 in zaak nr. 11/9584;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 18 november 2011, kenmerk B.1.11.1316.001;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1888,00 (zegge: achttienhonderdachtentachtig euro), toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013

317-730.