Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0134

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
201113474/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft het bestuur [wederpartij sub 1] verplicht bij te dragen aan onder meer de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor het jaar 2008-2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201113474/1/A3.

Datum uitspraak: 15 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: het bestuur),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 24 november 2011 in de zaken nrs. 11/1230, 11/1473, 11/1667, 11/1668 en 11/1728 in het geding tussen:

1. [wederpartij sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [wederpartij sub 2], wonend te [woonplaats],

3. [wederpartij sub 3], wonend te [woonplaats],

4. [wederpartij sub 4], wonend te [woonplaats], en

5. [wederpartij sub 5], wonend te [woonplaats]

en

het bestuur.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2008 heeft het bestuur [wederpartij sub 1] verplicht bij te dragen aan onder meer de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor het jaar 2008-2009.

Bij besluiten van 15 oktober 2009 heeft het bestuur [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en [wederpartij sub 5] verplicht bij te dragen aan onder meer de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor het jaar 2009-2010.

Bij besluiten van 14 oktober 2010 heeft het bestuur [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartij sub 3], [wederpartij sub 4] en [wederpartij sub 5] verplicht bij te dragen aan onder meer de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor het jaar 2010-2011.

Bij besluiten van 23 mei 2011 heeft het bestuur de door [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartij sub 3], [wederpartij sub 4] en [wederpartij sub 5] tegen de besluiten van 9 oktober 2008, 15 oktober 2009 en 14 oktober 2010 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 november 2011 heeft de rechtbank de door [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartij sub 3], [wederpartij sub 4] en [wederpartij sub 5] daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 23 mei 2011 vernietigd en die van 9 oktober 2008, 15 oktober 2009 en 14 oktober 2010 herroepen, voor zover die betrekking hebben op de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het bestuur hoger beroep ingesteld.

[wederpartij sub 2], [wederpartij sub 4], [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 3] en [wederpartij sub 5] hebben een verweerschrift ingediend.

Het bestuur heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2012, waar het bestuur, vertegenwoordigd door [plaatsvervangend voorzitter], en mr. J.H.F. Wilmink, bijgestaan door mr. C.W. Kniestedt, advocaat te Amsterdam, en [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 3] en [wederpartij sub 5], allen vertegenwoordigd door mr. M.A. Jansen, advocaat te Leeuwarden, en [wederpartij sub 2], zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend.

Er zijn nog stukken ontvangen van het bestuur. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 3] en [wederpartij sub 5] hebben een reactie op de stukken van het bestuur ingediend.

Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 60 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) is de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (hierna: de KNB) een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 van de Grondwet. Alle in Nederland gevestigde notarissen en de kandidaat-notarissen zijn leden van de KNB.

Ingevolge artikel 61, eerste lid, heeft de KNB tot taak de bevordering van een goede beroepsuitoefening door de leden en van hun vakbekwaamheid. Haar taak omvat mede de zorg voor de eer en het aanzien van het notarisambt.

Ingevolge het tweede lid worden bij verordening beroeps- en gedragsregels van de leden van de KNB vastgesteld. Tevens kunnen bij verordening regels worden gesteld betreffende de bevordering van de vakbekwaamheid van de leden en de kwaliteit van de beroepsuitoefening.

Ingevolge artikel 64, eerste lid, is het bestuur belast met de algemene leiding van de KNB en met de uitoefening van aan haar bij of krachtens deze wet of andere wetten opgedragen taken, alsmede met het beheer en de beschikking over haar vermogen. Het geeft voorts algemene leiding aan het bureau van de KNB en regelt zijn werkzaamheid.

Ingevolge artikel 69 is de ledenraad belast met het vaststellen van verordeningen van de KNB.

Ingevolge artikel 87 draagt de KNB alle kosten die uit de uitvoering van de haar door deze wet opgedragen taken voortvloeien. Ter dekking van deze kosten kan zij van de leden jaarlijks bijdragen heffen. De algemene ledenvergadering stelt, op voorstel van het bestuur, de hoogte van de bijdragen voor het boekjaar vast. Het bedrag daarvan kan voor verschillende categorieën van leden verschillend zijn.

Ingevolge artikel 89, eerste lid, worden verordeningen slechts vastgesteld met betrekking tot onderwerpen waarvan deze wet regeling of nadere regeling bij verordening voorschrijft.

Ingevolge het tweede lid bevatten verordeningen geen verplichtingen of voorschriften die niet strikt noodzakelijk zijn voor verwezenlijking van het doel dat met de verordening wordt beoogd en beperken deze niet onnodig de marktwerking.

Ingevolge het vijfde lid kan een verordening aan het bestuur de bevoegdheid toekennen tot het geven van nadere regels betreffende het in de verordening behandelde onderwerp.

Ingevolge artikel 92 kunnen besluiten van de ledenraad, van het bestuur of van andere organen van de KNB, niet zijnde een verordening die op grond van artikel 91 rechtsgeldig tot stand is gekomen, bij koninklijk besluit worden vernietigd.

Ingevolge artikel 14 van de Verordening beroeps- en gedragsregels (hierna: de Verordening) moet de notaris voldoende verzekerd zijn tegen vermogensschade als gevolg van aansprakelijkheid, ongeacht uit welken hoofde deze aansprakelijkheid kan ontstaan.

Ingevolge artikel 33 is het bestuur bevoegd om met betrekking tot de in deze verordening behandelde onderwerpen nadere regels te geven. Over het ontwerp daarvan wordt de ledenraad geraadpleegd.

Ingevolge artikel 2 van het Reglement beroepsaansprakelijkheid 2010 (hierna: het Reglement) dienen de notaris en zijn protocolvoorganger dan wel protocolvoorgangers voldoende verzekerd te zijn tegen het risico van beroepsaansprakelijkheid.

Ingevolge artikel 3 is de notaris voldoende verzekerd voor de risico’s die vallen onder door het bestuur ten behoeve van alle leden gesloten collectieve verzekeringen, indien ook het door hemzelf te verzekeren primaire deel gedekt is via een bij een te goeder naam en faam bekend staande verzekeringsmaatschappij afgesloten polis die voldoet aan de voorwaarden gesteld in dit reglement.

2. Aan de in beroep bestreden besluiten heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat een goede beroepsuitoefening zich niet beperkt tot een zo goed mogelijke notariële dienstverlening, maar dat die tevens een adequate voorziening voor de gevolgen van een onverhoopte beroepsfout vergt. De ledenraad heeft goedgekeurd dat de omvang van een goede beroepsaansprakelijkheidsverzekering € 25.000.000,00 bedraagt, nu dat bedrag wordt genoemd in de toelichting op het Reglement en in de voorstellen voor de bijdragen die jaarlijks door de ledenraad worden goedgekeurd en door de algemene ledenvergadering worden vastgesteld. Voorts heeft de minister van Veiligheid en Justitie de beroeps- en gedragsregels goedgekeurd en zijn die niet bij koninklijk besluit vernietigd. De verplichting bij te dragen aan de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering is verder niet in strijd met de Mededingingswet.

3. De rechtbank heeft overwogen dat uit de in artikel 61 van de Wna vervatte taken voortvloeit dat de KNB dient te bevorderen dat haar leden een adequate voorziening hebben voor het risico van beroepsfouten, maar dat daaruit niet voortvloeit dat het een taak van de KNB is dat zij voor haar leden een collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering afsluit. Een verplichte deelname aan die verzekering is niet neergelegd in de Wna, de Verordening of het Reglement. Evenmin blijkt daaruit dat notarissen pas voldoende zijn verzekerd tegen aansprakelijkheid indien de dekking van de afgesloten aansprakelijkheidsverzekering minimaal € 25.000.000,00 bedraagt. De kosten van de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering zijn dan ook niet aan te merken als kosten van de KNB die voortvloeien uit de haar bij wet opgedragen taken en kunnen derhalve niet op grond van de jaarlijkse heffing, bedoeld in artikel 87 van de Wna, door de KNB op [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartij sub 3], [wederpartij sub 4] en [wederpartij sub 5] worden verhaald.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat de KNB op grond van artikel 89, tweede lid, van de Wna niet bevoegd is [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartij sub 3], [wederpartij sub 4] en [wederpartij sub 5] te verplichten deel te nemen aan de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering, omdat notarissen zich afzonderlijk kunnen verzekeren tegen aansprakelijkheid voor beroepsfouten. De bevoegdheid van de KNB op dit punt is beperkt tot het in redelijkheid stellen van eisen waaraan een door haar leden af te sluiten beroepsaansprakelijkheidsverzekering dient te voldoen, zoals het bepalen van een minimumbedrag. Het bestuur heeft overigens onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het voor een goede beroepsuitoefening redelijkerwijs noodzakelijk is dat de minimale dekking voor aansprakelijkheid voor beroepsfouten voor iedere notaris op € 25.000.000,00 zou moeten worden gesteld, zo heeft de rechtbank overwogen.

4. [wederpartij sub 2] betoogt dat het hoger beroep van de KNB niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hij heeft dat betoog evenwel niet gemotiveerd, zodat geen grond bestaat het hoger beroep op grond van dat betoog niet-ontvankelijk te verklaren. Ook overigens bestaat daarvoor geen grond. Het betoog faalt.

5. Het bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de kosten van de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering niet zijn aan te merken als kosten van de KNB die voortvloeien uit de haar bij wet opgedragen taken en derhalve niet op grond van de jaarlijkse heffing bedoeld in artikel 87 van de Wna door de KNB op [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartij sub 3], [wederpartij sub 4] en [wederpartij sub 5] kunnen worden verhaald. Het is nuttig en noodzakelijk dat notarissen collectief zijn verzekerd voor beroepsfouten. Een notaris is op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wna in beginsel verplicht de hem opgedragen of door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten en mag daarom niet weigeren bepaalde werkzaamheden te verrichten vanwege het daarmee gemoeide financiële belang. Daardoor kan elke notaris worden geconfronteerd met aanspraken voor aanzienlijke schade veroorzaakt door beroepsfouten, aldus het bestuur. Voorts hangt de hoogte van mogelijke schade niet af van de omvang van een notariskantoor, zo volgt volgens het bestuur uit het "Vertrouwelijk onderzoek naar collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekeringen ten behoeve van de Nederlandse notarissen" van maart 2010, dat in haar opdracht door Aon is uitgevoerd (hierna: het Aon-onderzoek). Een notaris mag voorts zijn schade niet beperken tot de hoogte van de som die door de beroepsaansprakelijkheidsverzekering wordt gedekt en kan daarnaast aansprakelijk worden gesteld door een derde. Een beroepsaansprakelijkheidsverzekering met een dekking van € 25.000.000,00 is niet onredelijk hoog.

Uit het Aon-onderzoek volgt voorts dat de premie voor een notaris, ingeval deze individueel een verzekering dient af te sluiten die een schade dekt tot € 25.000.000,00, ligt tussen € 10.000,00 en € 25.000,00, terwijl de huidige premie rond de € 4.000,00 ligt, aldus het bestuur. Voorts volgt volgens het bestuur uit dat onderzoek dat er notarissen zijn die zich vanwege hun schadeverleden niet of niet volledig kunnen verzekeren tot een bedrag van € 25.000.000,00 en dat de premie daarvoor kan oplopen tot € 35.000,00. Het is een publiek belang dat notarissen voldoende verzekerd zijn voor aansprakelijkheid voor beroepsfouten en dat die verzekering voor het gehele notariaat op een gelijk niveau is. Dat belang weegt zwaarder dan het belang van verweerders bij een lagere premie voor een individueel afgesloten verzekering met een lagere dekking tegen hetzelfde type risico’s. Verder zouden protocollen waarvoor geen opvolgers kunnen worden gevonden en die de KNB daarom in eigen beheer moet nemen gemakkelijker kunnen worden meeverzekerd bij een verplichte deelname aan de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering, aldus het bestuur.

Het bestuur betoogt verder dat de omstandigheid dat enkele notarissen zich op het standpunt stellen dat de aard van hun werkzaamheden geen risico’s met zich brengt die noodzaken tot een dekking voor aansprakelijkheid tot € 25.000.000,00, onvoldoende is om voor die notarissen een uitzondering te maken op de verplichte deelname aan de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Voorts heeft het loslaten van de verplichte collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering tot gevolg dat het inkoopvoordeel dat thans bestaat, verloren gaat, hetgeen tot gevolg heeft dat notarissen een hogere premie moeten betalen of dat het niet meer mogelijk is een collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. De huidige verzekeraars in Nederland gaan bij het bepalen van de premie uit van verplichte deelname van alle notarissen aan die verzekering, aldus het bestuur, en bij het loslaten van die verplichting zullen de verzekeraars voor elk notariskantoor een risicobeoordeling maken die kan leiden tot een hoge premie. Bovendien zal de KNB erop moeten toezien dat elk kantoor een beroepsaansprakelijkheidsverzekering afsluit met een dekking tot € 25.000.000,00. Als de KNB niet bevoegd is notarissen te verplichten deel te nemen aan de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering, zal dit ertoe leiden dat het publiek er niet meer op kan vertrouwen dat het Nederlandse notariaat beschikt over een uniforme minimale dekking voor beroepsfouten, aldus het bestuur.

Voorts is, aldus het bestuur, de KNB bevoegd om haar leden te verplichten deel te nemen aan de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Onder een goede beroepsuitoefening als bedoeld in artikel 61, eerste en tweede lid, van de Wna valt tevens het voldoende verzekerd zijn tegen schade als gevolg van beroepsfouten. Dit onderwerp is nader geregeld in artikel 14 van de Verordening. Voorts is het bestuur op grond van artikel 33 van de Verordening bevoegd nadere regels te stellen over onder meer dit onderwerp. In artikel 3 van het Reglement is bepaald dat een notaris voldoende verzekerd is indien hij voor het primaire deel van de aansprakelijkheid, tot € 1.000.000,00, is verzekerd en verzekerd is voor de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering. In de toelichting bij die bepaling is verwoord dat de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering schades dekt van € 1.000.000,00 tot € 25.000.000,00. De bevoegdheid tot het verplichten tot deelname aan de collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering is een discretionaire bevoegdheid, aldus het bestuur. Het opleggen van die verplichting moet naar zijn oordeel daarom terughoudend worden getoetst. Volgens het bestuur heeft het in dit verband geen onredelijke regels gesteld. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de bevoegdheid van het bestuur beperkt is tot het in redelijkheid stellen van eisen waaraan een door de leden van de KNB af te sluiten beroepsaansprakelijkheidsverzekering dient te voldoen, zoals het bepalen van een minimumdekkingsbedrag. De rechtbank heeft volgens het bestuur daarmee miskend dat het op grond van artikel 89, vijfde lid, van de Wna gelezen in verbinding met artikel 33 van de Verordening, nadere regels kan geven met betrekking tot een beroepsaansprakelijkheidsverzekering.

5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit artikel 61 van de Wna volgt dat de KNB dient te bevorderen dat haar leden een adequate voorziening hebben voor het risico van beroepsfouten. Het bestuur betoogt terecht dat daaronder ook de bevoegdheid valt de hoogte te bepalen van het bedrag waartoe een notaris verzekerd dient te zijn. Alhoewel slechts in de toelichting op artikel 3 van het Reglement is vermeld dat een notaris voldoende verzekerd is indien hij is verzekerd voor schades tot een bedrag van € 25.000.000,00, volgt daaruit wel het oordeel van het bestuur over de hoogte van het dekkingsbedrag.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit artikel 61 wel de bevoegdheid de leden van de KNB te verplichten tot deelname aan een collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering en uit artikel 87 de bevoegdheid jaarlijkse bijdragen daarvoor de heffen, mits aannemelijk is dat de deelname van de leden van de KNB aan een collectieve beroepsaansprakelijkheidsverzekering noodzakelijk is, in dier voege dat zonder een dergelijke deelname een goede beroepsuitoefening door de notarissen niet is gewaarborgd. Indien deelname aan zo’n verzekering noodzakelijk is, valt deze onder de taak van de KNB, bepaald in artikel 61, eerste lid. Een andere opvatting zou onvoldoende recht doen aan haar taak een goede beroepsuitoefening te bevorderen en daarmee aan haar zorg voor het aanzien van het notarisambt.

5.2. Uit de door het bestuur overgelegde "Notitie ten behoeve van de ledenraad d.d. 15 februari 2012" volgt dat sinds 2000 22 schade-uitkeringen zijn gedaan met betrekking tot de beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Tevens volgt daaruit dat het hoogste bedrag dat is uitgekeerd ongeveer € 2.500.000,00 bedroeg en dat de gemiddelde claim rond € 1.000.000,00 bedraagt. Ter zitting van de Afdeling heeft het bestuur desgevraagd te kennen gegeven dat het bedrag van € 25.000.000,00 tot stand is gekomen in een periode dat veel claims werden ingediend en een hoge dekking destijds noodzakelijk werd geacht. Tevens heeft het bestuur ter zitting te kennen gegeven dat het wellicht voldoende is als notarissen zijn verzekerd tot een schadebedrag van € 15.000.000,00.

5.3. Uit het Aon-onderzoek volgt dat de collectieve aansprakelijkheidsverzekering is opgebouwd uit drie delen: een deel met een dekking van € 1.000.000,00 tot € 4.000.000,00, een met een dekking van € 4.000.000,00 tot € 10.000.000,00 en een deel met een dekking van € 10.000.000,00 tot € 25.000.000,00, die alle afzonderlijk bij een verzekeringsmaatschappij zijn verzekerd. Gelet daarop en op hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen, heeft de Afdeling het onderzoek heropend en aan het bestuur de vraag gesteld op grond waarvan het van oordeel is dat notarissen en gewezen notarissen een beroepsaansprakelijkheidsverzekering met een dekkingsgraad van € 1.000.000,00 tot € 10.000.000,00 niet individueel kunnen afsluiten en daarvoor een collectieve verzekering noodzakelijk is.

Het bestuur heeft hierop gereageerd bij brief van 10 januari 2013 en heeft daarbij tevens een door Aon in zijn opdracht opgestelde notitie overgelegd. In die brief heeft het bestuur zich op het standpunt gesteld dat een individuele beroepsaansprakelijkheidsverzekering met een dergelijke dekking zal resulteren in een veel hogere premie en dat tevens een deel van de notarissen zich niet voor zo’n dekking zal kunnen verzekeren. Het bestuur verwijst ter ondersteuning van dit standpunt naar het Aon-onderzoek, waarin per deel van de collectieve aansprakelijkheidsverzekering de collectieve premie is weergegeven alsmede de premie die een aantal verzekeringsmaatschappijen zal berekenen indien notarissen zich individueel dienen te verzekeren. Daarbij zijn de casus van een aantal notarissen en notariskantoren aan die verzekeringsmaatschappijen voorgelegd.

Uit voornoemde gegevens volgt weliswaar dat individuele notarissen een hogere premie zullen moeten betalen indien zij zich individueel dienen te verzekeren dan wanneer zij collectief zijn verzekerd, maar daaruit volgt niet onverkort dat het daarbij noodzakelijk is dat zij verplicht collectief zijn verzekerd. De enkele omstandigheid dat individuele notarissen een hogere premie zullen moeten betalen, leidt, zonder dat duidelijk is dat het dan om een onevenredig hoge premie gaat, niet tot die conclusie. Het bestuur heeft voorts de stelling, dat een deel van de notarissen zich niet zal kunnen verzekeren tot een schadebedrag van € 10.000.000,00, niet met nadere gegevens onderbouwd. Voor zover in het Aon-onderzoek is vermeld dat een aantal notarissen bij een aantal verzekeringsmaatschappijen buiten de acceptatiecriteria valt, geldt dat daarbij is uitgegaan van een te verzekeren schadebedrag van € 25.000.000,00. Voorts is niet vermeld waarom die notarissen buiten de acceptatiecriteria vallen. Verder wijzen [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 3] en [wederpartij sub 5] er, onder verwijzing naar het in hun opdracht opgestelde advies van Buro Merks Consultancy, dat zij bij brief van 15 februari 2013 hebben overgelegd, terecht op dat alle schadeclaims tegen notarissen thans in ieder geval vallen onder de individuele aansprakelijkheidsverzekering en dat ook thans verzekeringsmaatschappijen een risicobeoordeling maken van notarissen voordat zij die als cliënt accepteren.

Dat voorts een aantal voordelen van het collectief verzekeren vervalt indien notarissen zich individueel dienen te verzekeren tot een schadebedrag van € 10.000.000,00, zoals het voorkomen van discussie over de verzekerbaarheid van individuele notarissen en de verzekerbaarheid van zwevende protocollen, het gelijke speelveld voor notarissen en de omstandigheid dat de consument is beschermd tegen onderverzekering van zijn notaris, maakt het niet noodzakelijk dat notarissen verplicht collectief zijn verzekerd. Het bestuur geeft dit ook te kennen in zijn brief van 10 januari 2013.

Het bestuur heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat notarissen en gewezen notarissen een beroepsaansprakelijkheidsverzekering met een dekkingsgraad van € 1.000.000,00 tot € 10.000.000,00 niet individueel kunnen afsluiten en daarvoor een collectieve verzekering noodzakelijk is, zodat de rechtbank in zoverre terecht tot de conclusie is gekomen dat de opgelegde verplichting een deugdelijke wettelijke grondslag ontbeert. Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7. Het bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie tot vergoeding van bij [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 3], en [wederpartij sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. veroordeelt het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie tot vergoeding van bij [wederpartij sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 53,32 (zegge: drieënvijftig euro en tweeëndertig cent);

IV. veroordeelt het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie tot vergoeding van bij [wederpartij sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 18,52 (zegge: achttien euro en tweeënvijftig cent);

V. veroordeelt het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie tot vergoeding van bij [wederpartij sub 5] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 12,32 (zegge: twaalf euro en tweeëndertig cent);

VI. bepaalt dat van het bestuur van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie een griffierecht van € 454,00 (zegge: vierhonderdvierenvijftig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Reuveny, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Reuveny

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013

622.