Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0133

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
201112773/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het herziene besluit op bezwaar is hangende het beroep bij de Rb. genomen en heeft ertoe geleid dat de zorgtoeslag op grond van art. 21 lid 1 Awir is verlaagd tot nihil, waardoor appellante sub 1 door het aanwenden van een rechtsmiddel in een ongunstiger positie is geraakt. Daarvoor is een afzonderlijke, los van bezwaar of beroep bestaande, wettelijke grondslag vereist. Het recht op zorgtoeslag vindt zijn grondslag in de Wzt, die aanspraak geeft op een financiële bijdrage van het Rijk waarbij de hoogte van die financiële bijdrage afhankelijk is van de draagkracht van de begunstigde. De Wzt is daardoor een inkomensafhankelijke regeling waarop de Awir van toepassing is. Bij het besluit van 10 juni 2010 heeft de aan appellante sub 1 toegekende zorgtoeslag over 2007 een definitief karakter gekregen. De mogelijkheden om een definitieve tegemoetkoming ten nadele van de belanghebbende te herzien, zoals hier aan de orde, zijn in de artt. 20 en 21 van de Awir geregeld.

Uit het besluit van 10 juni 2010 volgt dat de hoogte van de toeslag is gebaseerd op het toetsingsinkomen en dat de Belastingdienst/Toeslagen voor de berekening van de hoogte van de zorgtoeslag is uitgegaan van een toetsingsinkomen van € 8.565,00. In de toelichting bij dat besluit is voorts vermeld dat het toetsingsinkomen voor de zorgtoeslag uit het inkomen van de aanvrager en dat van de toeslagpartner bestaat, en dat het ook buitenlandse inkomsten die in Nederland niet belast zijn omvat. Gelet hierop en op het besluit van de inspecteur van 16 februari 2010 kon appellante sub 1 dan ook weten dat het niet in Nederland belastbare inkomen van haar toeslagpartner ten onrechte niet bij de berekening van de toeslag was betrokken en had zij behoren te weten dat de tegemoetkoming lager zou zijn vastgesteld indien dat inkomen wel bij die berekening was betrokken.

Appellante sub 1 is gehuwd en zij leeft niet duurzaam gescheiden van haar echtgenoot. Gelet op art. 3, aanhef en onder a, van de Awir moet de echtgenoot dan ook worden aangemerkt als partner in de zin van die wet en de Wzt, ook wel toeslagpartner genoemd. Uit art. 5 van de Wzt volgt voorts dat de Belastingdienst/Toeslagen belast is met de uitvoering van de Wzt, waaronder de vaststelling van de hoogte van de zorgtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dan ook een zelfstandige bevoegdheid om, met inachtneming van de Awir en de Wzt, bij de bepaling van de aanspraak op zorgtoeslag een persoon als toeslagpartner aan te merken. Verordening (EG) 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004 L 166), die op 20 mei 2004 in werking is getreden en per 1 mei 2010 van toepassing is en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2009 L 284), die op 1 mei 2010 in werking is getreden staan niet in de weg aan de toepassing van het partnerbegrip in de zin van de Awir. Uit zowel art. 28, lid 1, aanhef en onder b, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, als art. 29 van Verordening (EG) nr. 883/2004, volgt dat voor de toekenning van de zorgtoeslag de Nederlandse wetgeving leidend is, zodat de Belastingdienst/Toeslagen bij de beoordeling of recht bestond op zorgtoeslag, de bepalingen uit de Wzt en de Awir mocht en moest toepassen. Het CVZ is het orgaan dat de kosten voor de in het woonland - in dit geval Duitsland - verleende verstrekkingen voor zijn rekening neemt, terwijl het bevoegde orgaan voor de betaling van de zorgtoeslag de Belastingdienst/Toeslagen is.

Het arrest van het Hof van Justitie van 18 juli 2006, C-50/05, Nikula, LJN: AZ0894, heeft gevolgen voor de berekening van ziektekostenpremies van dubbelgepensioneerden. In dit arrest is bepaald dat art. 33, lid 1 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 meebrengt dat een lidstaat bij de grondslag voor heffing van bijdragen of premies voor de ziektekostenverzekering rekening mag houden met pensioenen uit een andere lidstaat, maar dat de bijdrage of premie niet hoger mag zijn dan de in de lidstaat, waar de betrokkene woont, uitgekeerde pensioenen. Het gaat in deze zaak echter om zorgtoeslag. De situatie die zich in het arrest Nikula voordeed en die aanleiding heeft gegeven tot vaststelling van het Nikula-besluit, doet zich hier dan ook niet voor. De zorgtoeslag is geen premie of equivalente daarvan die wordt ingehouden op de door de staat van de woonplaats uitgekeerde pensioenen of renten, maar een tegemoetkoming in de premie voor een zorgverzekering. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen geen rekening mocht houden met het niet in Nederland belastbaar inkomen van de toeslagpartner van appellante sub 1.

Belastingdienst/Toeslagen was bevoegd met toepassing van art. 21, lid 1, aanhef en onder b, van de Awir de vastgestelde zorgtoeslag te herzien en op nihil te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/252 met annotatie van L.M. Koenraad
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201112773/1/A2.

Datum uitspraak: 15 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], wonend te [woonplaats]

2. de Belastingdienst/Toeslagen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 oktober 2011 in zaak nr. 11/1112 in het geding tussen:

[appellante sub 1]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag van [appellante sub 1] over het jaar 2007 definitief berekend en op € 588,00 vastgesteld.

Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 6 juni 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van 21 februari 2011 herzien en ingetrokken, het bezwaar ongegrond verklaard en de zorgtoeslag voor het jaar 2007 op nihil gesteld.

Bij uitspraak van 28 oktober 2011 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 6 juni 2011 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het beroep tegen het besluit van 21 februari 2011 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen en [appellante sub 1] hebben een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2012, waar [appellante sub 1], bijgestaan door haar [echtgenoot], en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, aldaar werkzaam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: de Wzt), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder verzekerde, voor zover hier van belang: de persoon, bedoeld in artikel 69 van de Zorgverzekeringswet, vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin hij achttien jaar wordt.

Ingevolge die aanhef en onder g, wordt in de Wzt en de daarop berustende bepalingen verstaan onder de normpremie: de aan de hand van het drempelinkomen en het toetsingsinkomen van de verzekerde berekende premie voor een zorgverzekering in het berekeningsjaar.

Ingevolge artikel 1, tweede lid, is de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk van de draagkracht.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, heeft de verzekerde, indien de normpremie in het berekeningsjaar minder bedraagt dan de standaardpremie in dat jaar, aanspraak op een zorgtoeslag ter grootte van dat verschil. Voor een verzekerde met een partner wordt daarbij tweemaal de standaardpremie in aanmerking genomen; in dat geval worden de verzekerde en zijn partner voor de toepassing van deze wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben.

Ingevolge het tweede lid bedraagt de normpremie een percentage van het drempelinkomen in het berekeningsjaar, vermeerderd met een percentage van het toetsingsinkomen van de verzekerde in dat jaar voorzover dat toetsingsinkomen het drempelinkomen te boven gaat. Voor een verzekerde met een partner wordt daarbij het gezamenlijke toetsingsinkomen in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 4, voor zover hier van belang, stelt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorafgaande aan het berekeningsjaar de standaardpremie vast.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, is de Belastingdienst/Toeslagen belast met de uitvoering van deze wet.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, onder partner verstaan, de persoon bedoeld in artikel 3.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, is de partner van de belanghebbende de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 8, derde lid, wordt niet in Nederland belastbaar inkomen, zoals dat bij beschikking is vastgesteld, mede als toetsingsinkomen in aanmerking genomen.

Ingevolge artikel 8a, eerste lid, wordt het niet in Nederland belastbaar inkomen vastgesteld door de inspecteur.

Ingevolge artikel 21, eerste lid, kan de Belastingdienst/Toeslagen een toegekende tegemoetkoming herzien:

a. op grond van feiten of omstandigheden waarvan de Belastingdienst/Toeslagen bij de toekenning redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de tegemoetkoming vermoedelijk tot een te hoog bedrag is toegekend, of

b. indien de tegemoetkoming tot een te hoog bedrag is toegekend en de belanghebbende of zijn partner dit wist of behoorde te weten.

Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet (hierna: de Zvw), zoals deze luidde ten tijde van belang, melden in het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het College zorgverzekeringen (hierna: het CVZ) aan.

Ingevolge het tweede lid zijn de in het eerste lid bedoelde personen een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd, die voor de toepassing van artikel 22 alsmede, voor een bij die regeling te bepalen gedeelte van de bijdrage, voor de toepassing van de Wzt als premie voor een zorgverzekering wordt beschouwd.

Ingevolge het vierde lid is het CVZ belast met de administratie, voortvloeiend uit het eerste lid en de daar genoemde internationale regels, alsmede met de heffing en de inning van de bijdrage, bedoeld in het tweede lid.

2. [appellante sub 1] en haar echtgenoot wonen in Duitsland en ontvangen beiden pensioen uit Nederland. [appellante sub 1] is het hele jaar 2007 bij het CVZ ingeschreven en verzekerd op grond van artikel 69 van de Zvw. Haar echtgenoot is vanaf 1 april 2007 verzekerd op grond van deze bepaling.

Bij formulier van 23 september 2005 heeft [appellante sub 1] een aanvraag zorgtoeslag ingediend met ingang van 1 januari 2006.

Bij besluit van 10 juni 2010 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag over het jaar 2007 vastgesteld op € 588,00.

Bij het besluit van 6 juni 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag van [appellante sub 1] over 2007 alsnog op nihil gesteld en hieraan ten grondslag gelegd dat bij het besluit van 10 juni 2010 het niet in Nederland belastbaar inkomen van de echtgenoot van [appellante sub 1] niet was meegenomen in de berekening.

Het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen

Ontvankelijkheid

3. [appellante sub 1] betoogt in dit verband dat, gelet op de vermelding van het rechtsmiddel onder de uitspraak van de rechtbank en de voor het instellen van het hoger beroep geldende termijn, het hogerberoepschrift van de Belastingdienst/Toeslagen niet tijdig is ingediend en dat de Belastingdienst/Toeslagen niet in hoger beroep kan opkomen tegen het onderdeel van de uitspraak dat ziet op de vernietiging van het besluit, omdat de uitspraak bindend is tussen partijen bij het eventueel nemen van een nieuw besluit. Het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus [appellante sub 1].

3.1. Ingevolge artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), moet een hogerberoepschrift worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop de uitspraak van de rechtbank is verzonden.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een hogerberoepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

Ingevolge het tweede lid is een hogerberoepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

3.2. Een afschrift van de uitspraak van de rechtbank is verzonden op 1 november 2011, zodat de termijn voor het indienen van het hogerberoepschrift is begonnen op 2 november 2011 en geëindigd op 13 december 2011. De Belastingdienst/Toeslagen heeft bij brief van 12 december 2011 het hogerberoepschrift ingediend. Deze brief is op 14 december 2011, een dag na afloop van de termijn, bij de Afdeling per post ingekomen in een enveloppe zonder datumstempel. Gelet op de werkwijze van PostNL volgt hieruit dat het hogerberoepschrift uiterlijk op 13 december 2011, dus voor het einde van de termijn, ter post moet zijn bezorgd. Het hogerberoepschrift is dan ook overeenkomstig artikel 6:9, tweede lid, van de Awb tijdig ingediend.

3.3. Voorts geldt dat hoewel een uitspraak van de rechtbank in beginsel bindend is tussen partijen, dat niet wegneemt dat de uitspraak nog niet onaantastbaar is geworden. Er staat immers een rechtsmiddel open gedurende een termijn van zes weken, waarbinnen de Belastingdienst/Toeslagen tijdig tegen de uitspraak is opgekomen, omdat hij het met een deel van de beslissing van de rechtbank niet eens is. Niet valt in te zien dat de Belastingdienst/Toeslagen geen belang zou hebben bij het hoger beroep of dat dit anderszins niet-ontvankelijk zou zijn.

Het betoog faalt.

Inhoudelijke aspecten

4. De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen in beginsel bevoegd is om op grond van artikel 21, eerste lid, van de Awir een vastgestelde tegemoetkoming te herzien. De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval de herziening in beroep van de vastgestelde tegemoetkoming en de daarmee gepaard gaande verlaging van de zorgtoeslag tot nihil niet zorgvuldig en bovendien in strijd met het verbod van reformatio in peius en daarmee met het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel is te achten. De Belastingdienst/Toeslagen had ten tijde van het nemen van de besluiten van 10 juni 2010 en 21 februari 2011 ervan op de hoogte kunnen zijn dat [appellante sub 1] voor 2007 geen recht had op zorgtoeslag. De rechtbank is voorts van oordeel dat de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen te wensen overliet. Zij heeft het besluit van 6 juni 2011 vervolgens vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De Belastingdienst/Toeslagen komt niet op tegen de door de rechtbank geconstateerde strijd met artikel 3:2 van de Awb en de daaruit voortvloeiende vernietiging, maar stelt zich op het standpunt dat de rechtbank heeft miskend dat een reeds ingediend bezwaar- of beroepschrift niet in de weg staat aan de in artikel 21, eerste lid, van de Awir aan hem gegeven bevoegdheid om een vastgestelde tegemoetkoming te herzien. Nu in het besluit van 10 juni 2010 als toetsingsinkomen een bedrag van € 8.565,00 wordt vermeld terwijl bij een besluit van 16 februari 2010 door de belastinginspecteur het niet in Nederland belastbaar inkomen van de partner van [appellante sub 1] over 2007 is vastgesteld op € 30.923,00, wist of behoorde [appellante sub 1] te weten dat de zorgtoeslag over 2007 tot een te hoog bedrag was toegekend. De definitief vastgestelde tegemoetkoming kon dan ook op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awir worden herzien, aldus de Belastingdienst/Toeslagen. Hij stelt zich op het standpunt dat daarom de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 juni 2011 in stand moeten worden gelaten.

4.1. Het herziene besluit op bezwaar van 6 juni 2011 is hangende het beroep bij de rechtbank genomen en heeft ertoe geleid dat de zorgtoeslag is verlaagd tot nihil, waardoor [appellante sub 1] door het aanwenden van een rechtsmiddel in een ongunstiger positie is geraakt. Daarvoor is een afzonderlijke, los van bezwaar of beroep bestaande, wettelijke grondslag vereist.

4.2. Het recht op zorgtoeslag vindt zijn grondslag in de Wzt, die aanspraak geeft op een financiële bijdrage van het Rijk waarbij de hoogte van die financiële bijdrage afhankelijk is van de draagkracht van de begunstigde. De Wzt is daardoor een inkomensafhankelijke regeling waarop de Awir van toepassing is. Bij het besluit van 10 juni 2010 heeft de aan [appellante sub 1] toegekende zorgtoeslag over 2007 een definitief karakter gekregen. De mogelijkheden om een definitieve tegemoetkoming ten nadele van de belanghebbende te herzien, zoals hier aan de orde, zijn in de artikelen 20 en 21 van de Awir geregeld. Het oordeel van de rechtbank dat de Belastingdienst/Toeslagen ten tijde van het besluit van 10 juni 2010 tot vaststelling van de zorgtoeslag op de hoogte had kunnen zijn van de omstandigheid dat de partner van [appellante sub 1] niet in Nederland belastbaar inkomen had dat bij de vaststelling van de zorgtoeslag moest worden betrokken, waardoor niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir, is in hoger beroep niet bestreden. Dat neemt echter niet weg dat de Belastingdienst/Toeslagen alsnog tot herziening kan overgaan wanneer wordt voldaan aan hetgeen in artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, is bepaald (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 3 april 2013 in zaak nr. 201207556/1/A2 en van 24 april 2013 in zaak nr. 201200003/1/A2). Uit het besluit van 10 juni 2010 volgt dat de hoogte van de toeslag is gebaseerd op het toetsingsinkomen en dat de Belastingdienst/Toeslagen voor de berekening van de hoogte van de zorgtoeslag is uitgegaan van een toetsingsinkomen van € 8.565,00. In de toelichting bij dat besluit is voorts vermeld dat het toetsingsinkomen voor de zorgtoeslag uit het inkomen van de aanvrager en dat van de toeslagpartner bestaat, en dat het ook buitenlandse inkomsten die in Nederland niet belast zijn omvat. Gelet hierop en op het besluit van de inspecteur van 16 februari 2010 kon [appellante sub 1] dan ook weten dat het niet in Nederland belastbare inkomen van haar toeslagpartner ten onrechte niet bij de berekening van de toeslag was betrokken en had zij behoren te weten dat de tegemoetkoming lager zou zijn vastgesteld indien dat inkomen wel bij die berekening was betrokken.

4.3. Het betoog slaagt. Echter, weliswaar biedt artikel 21 van de Awir de Belastingdienst/Toeslagen op zichzelf de bevoegdheid om de eerder vastgestelde tegemoetkoming te herzien, maar daarmee is nog niet bepaald dat in dit geval de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 juni 2011 in stand kunnen worden gelaten. Dit dient beoordeeld te worden aan de hand van hetgeen [appellante sub 1] in beroep en in hoger beroep over de inhoud van de zaak heeft aangevoerd en de rechtbank inhoudelijk heeft geoordeeld.

Hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd

5. [appellante sub 1] voert aan dat de Belastingdienst/Toeslagen haar echtgenoot ten onrechte als toeslagpartner heeft aangemerkt. De Belastingdienst/Toeslagen dient als faciliterende instantie bij de beoordeling of er recht is op zorgtoeslag uit te gaan van de gegevens van het CVZ, waarbij in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals [appellante sub 1] zelf, zich ingevolge artikel 69 van de Zvw dienen te melden. Het CVZ is immers ingevolge artikel 69, vierde lid, van de Zvw belast met de administratie hiervan. Nu uit de gegevens van het CVZ volgt dat beiden een bijdrage ingevolge de Zvw verschuldigd zijn en bij het CVZ met een eigen recht zijn ingeschreven, omdat haar echtgenoot volgens de Duitse wetgeving niet met haar kon worden meeverzekerd, kan de Belastingdienst/Toeslagen niet op basis van de Wzt vaststellen dat zij en haar man partners zijn voor de berekening van de zorgtoeslag, aldus [appellante sub 1].

5.1. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Awir wordt ter bepaling van de draagkracht van de belanghebbende het toetsingsinkomen in aanmerking genomen, waarbij wordt uitgegaan van het inkomen van de belanghebbende en zijn partner. De verzekerde en zijn partner worden ingevolge artikel 2 van de Wzt voor de toepassing van die wet geacht gezamenlijk één aanspraak te hebben. [appellante sub 1] is gehuwd en zij leeft niet duurzaam gescheiden van haar echtgenoot. Gelet op artikel 3, aanhef en onder a, van de Awir moet de echtgenoot dan ook worden aangemerkt als partner in de zin van die wet en de Wzt, ook wel toeslagpartner genoemd. Uit artikel 5 van de Wzt volgt voorts dat de Belastingdienst/Toeslagen belast is met de uitvoering van de Wzt, waaronder de vaststelling van de hoogte van de zorgtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dan ook een zelfstandige bevoegdheid om, met inachtneming van de Awir en de Wzt, bij de bepaling van de aanspraak op zorgtoeslag een persoon als toeslagpartner aan te merken. Overigens heeft [appellante sub 1] bij haar aanvraag voor zorgtoeslag voor het jaar 2006, welke aanvraag ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Awir mede geacht wordt te zijn gedaan voor volgende berekeningsjaren, zelf ook haar echtgenoot als haar toeslagpartner aangemerkt en heeft deze de aanvraag als toeslagpartner medeondertekend.

Dat uit de gegevens van het CVZ zou blijken dat beiden hoofdaanvragers zijn en op een eigen recht zijn ingeschreven, doet aan het voorgaande niet af. Anders dan [appellante sub 1] betoogt staan de bevoegdheden van het CVZ op basis van de Zvw los van de bevoegdheden die de Belastingdienst/Toeslagen in het kader van de Wzt heeft. De Zvw voorziet in een wettelijk verzekeringsregime voor alle ingezetenen van Nederland en voor diegenen die in het buitenland wonen maar van wie de medische zorg voor rekening van het Nederlandse zorgstelsel komt, terwijl de Wzt voorziet in een bijdrage in de zorgverzekeringspremie indien de premielast ten opzichte van de draagkracht onaanvaardbaar wordt geacht. Dat artikel 69, eerste lid, van de Zvw uitgaat van de wetgeving over de verzekering voor zorg van het woonland, is in het kader van de Wzt dan ook niet relevant.

Het betoog faalt.

6. Voorts stelt [appellante sub 1] zich op het standpunt dat het Unierecht in haar geval voor de Wzt de toepassing van het partnerbegrip overeenkomstig de Awir uitsluit. Zij heeft daarbij gewezen op Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971 L 149), Verordening (EEG) nr. 574/72 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (PB 1972 L 74) en richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB 1973 L 228, hierna: richtlijn 73/239/EEG), en het in deze regelgeving neergelegde woonlandbeginsel.

6.1. Verordening (EEG) nr. 1408/71 is vervangen door Verordening (EG) 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004 L 166), die op 20 mei 2004 in werking is getreden en per 1 mei 2010 van toepassing is. Verordening (EEG) nr. 574/72 is vervangen door Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2009 L 284), die op 1 mei 2010 in werking is getreden.

6.2. De genoemde verordeningen voorzien in voorschriften ter coördinatie van de nationale wetgevingen inzake sociale zekerheid. In de verordeningen is onder meer bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de kosten van medische zorg. Het recht op zorgtoeslag viel en valt onder de reikwijdte ervan. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, onderscheidenlijk artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EG) nr. 883/2004, is die verordening van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende prestaties bij ziekte, en de zorgtoeslag moet als een uitkering voor prestaties bij ziekte worden aangemerkt. Dit betekent dat Nederlandse pensioengerechtigden die niet in Nederland woonachtig zijn in bepaalde gevallen een recht op Nederlandse zorgtoeslag hebben.

Anders dan [appellante sub 1] betoogt, staan de verordeningen niet in de weg aan de toepassing van het partnerbegrip in de zin van de Awir. Uit zowel artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EEG) nr. 1408/71, als artikel 29 van Verordening (EG) nr. 883/2004, volgt dat voor de toekenning van de zorgtoeslag de Nederlandse wetgeving leidend is, zodat de Belastingdienst/Toeslagen bij de beoordeling of recht bestond op zorgtoeslag, de bepalingen uit de Wzt en de Awir mocht en moest toepassen. Het CVZ is het orgaan dat de kosten voor de in het woonland - in dit geval Duitsland - verleende verstrekkingen voor zijn rekening neemt, terwijl het bevoegde orgaan voor de betaling van de zorgtoeslag de Belastingdienst/Toeslagen is.

6.3. Voor zover [appellante sub 1] een beroep doet op richtlijn 73/239/EEG, zoals vervangen door richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (PB 2009 L 335), kan hier worden volstaan met de constatering dat deze ziet op de toegang tot en de uitoefening van de genoemde vormen van het verzekeringsbedrijf, wat in deze zaak niet aan de orde is. De richtlijn is dan ook niet van toepassing op deze zaak.

7. [appellante sub 1] voert ten slotte aan dat de Belastingdienst/Toeslagen het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 26 januari 2010 betreffende premieheffing en de gevolgen van het arrest Nikula voor de berekening van ziektekostenpremies van dubbelgepensioneerden van 26 januari 2010 (Stcrt. 2010, 1525; hierna: het Nikula-besluit) had moeten toepassen en dientengevolge het inkomen van haar echtgenoot niet bij de berekening van de zorgtoeslag had mogen meenemen.

7.1. Het arrest van het Hof van Justitie van 18 juli 2006, C-50/05, Nikula (www.curia.europa.eu), heeft gevolgen voor de berekening van ziektekostenpremies van dubbelgepensioneerden. In dit arrest is bepaald dat artikel 33, eerste lid, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 meebrengt dat een lidstaat bij de grondslag voor heffing van bijdragen of premies voor de ziektekostenverzekering rekening mag houden met pensioenen uit een andere lidstaat, maar dat de bijdrage of premie niet hoger mag zijn dan de in de lidstaat, waar de betrokkene woont, uitgekeerde pensioenen. Het gaat in deze zaak echter om zorgtoeslag. De situatie die zich in het arrest Nikula voordeed en die aanleiding heeft gegeven tot vaststelling van het Nikula-besluit, doet zich hier dan ook niet voor. De zorgtoeslag is geen premie of equivalente daarvan die wordt ingehouden op de door de staat van de woonplaats uitgekeerde pensioenen of renten, maar een tegemoetkoming in de premie voor een zorgverzekering. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen geen rekening mocht houden met het niet in Nederland belastbaar inkomen van de toeslagpartner van [appellante sub 1].

Het betoog faalt.

8. Gelet op het voorgaande is de Belastingdienst/Toeslagen uitgegaan van een juiste wetstoepassing en was hij bevoegd met toepassing van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awir de vastgestelde zorgtoeslag van [appellante sub 1] over 2007 te herzien en op nihil te stellen. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de Belastingdienst/Toeslagen niet in redelijkheid van deze herzieningsbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen is gegrond en de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd voor zover zij daarbij niet de rechtsgevolgen van het besluit van 6 juni 2011 in stand heeft gelaten. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat de rechtsgevolgen van dit door de rechtbank vernietigde besluit geheel in stand blijven. Als gevolg hiervan blijft de intrekking van het besluit van 21 februari 2011 in stand. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante sub 1] tegen dat besluit niet-ontvankelijk verklaren, omdat door die intrekking haar belang daarbij is komen te vervallen. De uitspraak van de rechtbank dient dan ook te worden vernietigd voor zover zij het beroep tegen het besluit van 21 februari 2011 ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep van [appellante sub 1] dient daarom gegrond te worden verklaard.

8.1. Nu de rechtsgevolgen van het besluit van 6 juni 2011 in stand blijven, bestaat voor een proceskostenveroordeling ten gunste van [appellante sub 1] geen aanleiding. De Afdeling ziet wel aanleiding de Belastingdienst/Toeslagen te gelasten aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van de Belastingdienst/Toeslagen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 28 oktober 2011 in zaak nr. 11/1112, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 juni 2011 met kenmerk 0145.68.779 niet in stand zijn gelaten;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. verklaart het hoger beroep van [appellante sub 1] gegrond;

V. vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 21 februari 2011 ongegrond is verklaard;

VI. verklaart het beroep tegen dat besluit niet-ontvankelijk;

VII. gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013

18-756.