Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0130

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
201208073/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 februari 2011 heeft het college aan [belanghebbende] onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het geheel overkappen van bestaande dierenverblijven op het perceel [locatie] te Venhorst (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208073/1/A1.

Datum uitspraak: 15 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Venhorst, gemeente Boekel,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 juli 2012 in zaak nr. 12/372 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Boekel.

Procesverloop

Bij besluit van 17 februari 2011 heeft het college aan [belanghebbende] onder vrijstelling van het bestemmingsplan bouwvergunning verleend voor het geheel overkappen van bestaande dierenverblijven op het perceel [locatie] te Venhorst (hierna: het perceel).

Bij besluit van 22 december 2011 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A. van der Vleuten, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2005, eerste herziening d.d. 2 oktober 2008" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch bouwblok" met de nadere aanduiding "intensieve veehouderij (iv)".

Ingevolge artikel 9.2.4, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, dient de afstand van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot de perceelsgrenzen minimaal 5 meter te zijn.

Ingevolge artikel 33.2 kan het college daarvan vrijstelling verlenen en toestaan dat van de voorgeschreven afstandsmaat ten opzichte van zijdelingse en achterste perceelsgrens wordt afgeweken ten behoeve van het bouwen tot op de perceelsgrens, mits zich op het desbetreffende perceel geen andere reële mogelijkheden voordoen en de belangen van derden er niet door worden geschaad.

2. Het bouwplan strekt tot overkapping van op het perceel staande zogenoemde nertsensheds en is in strijd met het bestemmingsplan, omdat de overkapping op minder dan 5 meter van de perceelsgrens zal worden geplaatst. Om voor de verwezenlijking ervan toch bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college krachtens artikel 33.2 van de planvoorschriften vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat niet is voldaan aan de daarvoor gestelde eisen, nu met een vergroting van het agrarisch bouwblok op het perceel andere reële bouwmogelijkheden voorhanden zijn. Voorts zal hij weliswaar geen onevenredig nadeel, als bedoeld in artikel 33.2 van de planvoorschriften, ondervinden, maar zijn de belangen van [belanghebbende] bij realisering van het bouwplan minder zwaarwegend dan het zijne bij het in acht nemen van de in het bestemmingsplan opgenomen afstandsmaten.

3.1. De bouwmogelijkheden op het perceel beperken zich tot de gronden, waarop de bestemming "Agrarisch bouwblok" rust. De rechtbank heeft overwogen dat ter zitting zijdens het college onweersproken is gesteld dat - zo dit ruimtelijk al mogelijk zou zijn - inpassing van het bouwplan binnen het bestaande bouwblok tot destructie van elders op het perceel aanwezige bebouwing zal leiden. [appellant] heeft die overweging in hoger beroep niet betwist. Onder die omstandigheden geeft het in hoger beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat herinrichting van de bedrijfsvoering van [belanghebbende] niet verlangd kan worden.

Artikel 33.2 voorziet in de mogelijkheid om van de voorgeschreven afstandsmaat ten opzichte van de perceelsgrens af te wijken, indien zich binnen de planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan op het perceel geen andere reële mogelijkheden voordoen. Redelijke lezing van het planvoorschrift brengt mee dat mogelijkheden buiten het bestemmingsplan daarbij niet betrokken worden. De rechtbank is [appellant] terecht niet gevolgd in het betoog dat de vrijstellingsbevoegdheid eerst bestaat, indien de benodigde bouwmogelijkheden niet met een bestemmingsplanwijziging kunnen worden gecreëerd.

3.2. Niet in geschil is dat de overkapping tot enige schaduwwerking op de naastgelegen akkerbouwgrond van [appellant] zal leiden. In aanmerking genomen dat [belanghebbende] in het kader van de bedrijfsvoering belang heeft bij het aanbrengen van de overkapping, heeft de rechtbank in hetgeen [appellant] in beroep heeft aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebruik van de akkerbouwgronden door realisering van de overkapping niet onevenredig zal worden geschaad.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Deen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013

604.