Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA0127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-05-2013
Datum publicatie
15-05-2013
Zaaknummer
201203430/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven het wijzigingsplan "Wijzigingsplan 1e wijziging Blixembosch Noordoost (entreegebied)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203430/1/R2.

Datum uitspraak: 15 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Eindhoven,

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven het wijzigingsplan "Wijzigingsplan 1e wijziging Blixembosch Noordoost (entreegebied)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2013, waar het college, vertegenwoordigd door I. Verbunt en H.M.P.J. van Hoof, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

Bestemmingsplan en wijzigingsplan

1. Het wijzigingsplan voorziet in de aanleg van een ontsluitingsweg ten behoeve van de nieuwe woonwijk Blixembosch Noordoost. Het betreft een wijziging van het op 15 maart 2011 door de raad van de gemeente Eindhoven en op 31 maart 2011 door de raad van de gemeente Son en Breugel vastgestelde bestemmingsplan "Blixembosch Noordoost".

Bij uitspraak van 2 mei 2012 in zaak nr. 201105566/1/R3, heeft de Afdeling de beroepen van onder anderen [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan, voor zover het betreft de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied", ongegrond verklaard.

2. Ingevolge artikel 17, lid 17.1, van de planregels van het bestemmingsplan, is het college bevoegd het plan, voor zover de gronden uitsluitend zijn gelegen binnen de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied" alsmede binnen de bestemmingen "Bedrijf", "Groen",

"Verkeer - Verblijfsgebied" en "Water", te wijzigen in de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied", mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. na wijziging kunnen maximaal twee rijstroken worden aangelegd;

b. (…)

3. Aan het in het wijzigingsplan opgenomen plangebied is binnen het bestemmingsplan grotendeels de bestemming "Groen", met de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied", toegekend. Op grond van artikel 17, lid 17.1, van de planregels, is in het wijzigingsplan aan een gedeelte van dit gebied de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend, om de aanleg van de ontsluitingsweg mogelijk te maken.

4. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Aansluiting ontsluitingsweg

5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat een goede onderbouwing ontbreekt van de aansluiting van de ontsluitingsweg op de Tempellaan en de gevolgen voor de bestaande kruisingen, zodat het wijzigingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Dit betoog is gelijk aan hetgeen Ras en Vermeulen in de door hen ingediende zienswijze op dit punt hebben aangevoerd. Het college is hierop in de Nota zienswijzen inhoudelijk ingegaan. [appellant A] en [appellant B] hebben in beroep geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Het betoog faalt.

Leefbaarheid

6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat geen rekening is gehouden met het aspect leefbaarheid, door naast het aanwezige fietspad een ontsluitingsweg mogelijk te maken voor 2.000 motorvoertuigen per etmaal. Daarbij ontbreekt volgens [appellant A] en [appellant B] een onderbouwing van het aangenomen aantal motorvoertuigen. Verder is volgens [appellant A] en [appellant B] een onjuist verkeersmodel gebruikt, hetgeen de gemeentelijke verkeersplanoloog volgens hen beaamt.

6.1. Uit de plantoelichting van het wijzigingsplan volgt dat de verwachte etmaalintensiteit van de ontsluitingsweg ruim 2.000 motorvoertuigen per werkdag bedraagt. De onderbouwing voor dit gehanteerde aantal volgt reeds uit de plantoelichting van het bestemmingsplan en is vervolgens nader uitgewerkt in de beantwoording van de zienswijzen op het ontwerpwijzigingsplan en in de plantoelichting van het wijzigingsplan. Hierbij is tevens aangegeven waarom auto’s van ouders die kinderen naar basisschool de Vuurvlinder brengen niet in de berekeningen zijn betrokken. [appellant A] en [appellant B] hebben niet gemotiveerd waarom deze toelichting onduidelijk of de berekeningen onjuist zouden zijn. Ook het standpunt dat een te globaal verkeersmodel is gehanteerd, hebben zij niet nader onderbouwd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsplan vanuit het oogpunt van mogelijke verkeershinder in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht.

7. Het in het plan opgenomen onderzoek naar lichthinder gaat volgens [appellant A] en [appellant B] ten onrechte voorbij aan het feit dat er in de huidige situatie geen verlichting aanwezig is. Verder zou volgens hen als maximale hoogte van de lichtmasten 3 meter aangehouden moeten worden.

7.1. Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen heeft het college alsnog onderzoek laten uitvoeren naar eventuele lichthinder als gevolg van de voorziene lichtmasten. Uit dit onderzoek volgt dat, uitgaande van lichtmasten langs de weg van 6 meter hoog en lichtmasten langs het - buiten het plangebied gelegen - fietspad van 3,5 meter hoog, de berekende waarde in de tuinen 0,2 Lux bedraagt en in de groene strook tussen de tuinen en het fietspad gemiddeld 0,8 Lux. Binnen een straal van 10 meter rondom de lichtmasten geldt een berekende waarde van maximaal 12 Lux. Volgens het college heeft in dit onderzoek de bestaande situatie zonder verlichting geen rol gespeeld, maar is hier in de belangenafweging wel rekening mee gehouden. Mede gezien het feit dat de berekende waarde in de tuinen van [appellant A] en [appellant B] onder de waarde ligt die zich bij heldere maan zonder verlichting voordoet, acht het college het lichtniveau aanvaardbaar.

7.2. Niet valt uit te sluiten dat door realisering van de voorziene ontsluitingsweg het woon- en leefklimaat van [appellant A] en [appellant B] in enige mate zal worden aangetast, in de vorm van lichthinder. De Afdeling ziet echter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze vermindering zodanig zal zijn dat het college daaraan doorslaggevend gewicht heeft moeten toekennen. Daarbij betrekt de Afdeling de uitkomst van het onderzoek naar mogelijke lichthinder, alsmede de afstand tussen de woningen van [appellant A] en [appellant B] en de voorziene ontsluitingsweg, die volgens de verbeelding ten minste 50 meter bedraagt. Het voorgaande in aanmerking nemende, heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hoogte van de lichtmasten ter plaatse passend is. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het wijzigingsplan vanuit het oogpunt van mogelijke lichthinder in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Het betoog faalt.

Ontheffing flora en fauna

8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het flora- en faunaonderzoek nog niet voldoende is uitgewerkt om de werkelijke aantasting van het leefgebied voor vleermuizen te beoordelen. Derhalve kan volgens hen nog niet bepaald worden of een ontheffing noodzakelijk is.

8.1. De vraag of voor de uitvoering van het wijzigingsplan een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een mogelijke procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college het wijzigingsplan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover het op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan het wijzigingsplan in de weg staat.

Met het oog op de gevolgen van het bestemmingsplan en het wijzigingsplan voor de aanwezige flora en fauna is door ecologisch onderzoeks- en adviesbureau Ecologica onderzocht of wordt verwacht dat de vereisten uit de Ffw aan de uitvoerbaarheid van de plannen in de weg zullen staan. De conclusie van dit onderzoek is neergelegd in de "Notitie vleermuisonderzoek Blixembosch Noordoost te Eindhoven" van 12 november 2010. In deze notitie wordt geconcludeerd dat de plannen op dat moment nog niet voldoende uitgekristalliseerd zijn, zodat mogelijke negatieve effecten niet volledig ingeschat kunnen worden. Verder is gebleken dat de afstand tussen de bomen aan weerszijden van de Kennedylaan hetzelfde zal blijven en ook de in het onderzoek genoemde eikenlaan in stand blijft, zodat er in zoverre geen sprake zal zijn van negatieve effecten. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten tijde van de vaststelling van het wijzigingsplan in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zou staan. Het betoog faalt.

Plangrens Esperheide

9. Verder betogen [appellant A] en [appellant B] dat de Esperheide ten onrechte niet in het wijzigingsplan is opgenomen.

9.1. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. Er is geen grond om aan te nemen dat het college in beginsel niet vrij is binnen de in het bestemmingsplan opgenomen regels de grenzen van het wijzigingsplan te bepalen. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat het college een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

9.2. In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde begrenzing van het wijzigingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. [appellant A] en [appellant B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat er tussen het plangebied van het wijzigingsplan en de daaraan grenzende Esperheide een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat dat deze om die reden in het wijzigingsplan opgenomen had moeten worden. Dat op de verbeelding bij het bestemmingsplan een ruimer gebied staat ingetekend, waarop de wijzigingsmogelijkheid ziet, doet hier niet aan af. Het betoog faalt.

Onvolledigheid planregels

10. De plantoelichting is volgens [appellant A] en [appellant B] niet volledig in de planregels vertaald, nu geen onderscheid wordt gemaakt tussen 30 km/uur-wegen en 50 km/uur-wegen, en de hoogte van het maaiveld en het peil van de weg niet zijn vastgelegd.

10.1. Het bestemmingsplan en het wijzigingsplan maken de ontwikkeling van een ontsluitingsweg mogelijk, die, ingevolge artikel 17, lid 17.1, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan, maximaal twee rijstroken kan hebben. De ter plaatse geldende maximumsnelheid en daarbij behorende inrichting van de weg betreffen uitvoeringsaspecten die in een afzonderlijk verkeersbesluit dienen te worden neergelegd. Ten aanzien van het betoog dat de hoogte van het maaiveld en het peil van de weg niet zijn vastgelegd, overweegt de Afdeling dat er, gelet op artikel 1, lid 1.40, van de regels van het bestemmingsplan in samenhang bezien met artikel 2, aanhef en lid 2.4, van de regels van het bestemmingsplan, geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de regels van het bestemmingsplan en het wijzigingsplan onvoldoende duidelijkheid bieden over de wijze waarop de bouwhoogte van de voorziene bebouwing moet worden gemeten. Het betoog faalt.

Verwijzing beroepschrift

11. Voor zover [appellant A] en [appellant B] voor het overige verwijzen naar de door hen ingediende beroepschriften in zaak nr. 201105566/1/R3, overweegt de Afdeling dat in de rechtsoverwegingen van die uitspraak van 2 mei 2012 reeds op de in deze beroepschriften genoemde beroepsgronden is ingegaan. Er is in deze zaak geen reden tot een ander oordeel te komen. Het betoog faalt.

Conclusie

12. In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wijzigingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2013

12-706.