Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ9750

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
201208182/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Veghel-Zuid" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2013/89 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208182/1/R3.

Datum uitspraak: 8 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de vereniging Heemkundekring Vehchele, gevestigd te Veghel,

2. [appellante sub 2 A], gevestigd te Veghel en [appellant sub 2 B], wonend te Veghel,

3. [appellanten sub 3], wonend te Veghel,

en

de raad van de gemeente Veghel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Veghel-Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de Heemkundekring, [appellanten sub 2], en [appellanten sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2013, waar de Heemkundekring, vertegenwoordigd door J.H.G. van Erp, [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellanten sub 3], vertegenwoordigd door mr. A.A.P.M. Theunen, advocaat te Deurne, en de raad, vertegenwoordigd door A. Munster en G. Verhoeven, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het plan voorziet in een actualisatie van de bestemmingsplannen in de Veghelse wijken Veghel-Zuid, De Leest en De Scheifelaar.

Het beroep van de Heemkundekring

2. De Heemkundekring richt zich tegen artikel 16, lid 16.2, onder c, lid 16.4, onder 16.4.1, onder f, en lid 16.4, onder 16.4.2, laatste zinsnede, van de planregels behorend bij de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie", voor zover daarin is opgenomen dat zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd tot een diepte van 0,5 m.

Zij voert hiertoe aan dat deze bepalingen een wijziging inhouden ten opzichte van de planregels bij het ontwerpplan, waarin een vergunningvrije diepte van maximaal 0,3 m was opgenomen. Deze wijzigingen zijn echter niet door de raad vastgesteld, aangezien deze wijzigingen niet zijn opgenomen in de lijst van wijzigingen in het vaststellingsbesluit.

2.1. Het bestreden besluit omvat een opsomming van de wijzigingen die de raad in het plan heeft aangebracht. Blijkens dit vaststellingsbesluit heeft de raad ingestemd met deze wijzingen. In het verweerschrift is door de raad erkend dat het gepubliceerde plan, naast de in het vaststellingsbesluit opgenomen wijzigingen, abusievelijk is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan door de aanpassing van voornoemde bepalingen. Deze aanpassing is volgens de raad een redactionele fout. Nu voornoemde wijziging niet is opgenomen in het vaststellingsbesluit, stemmen de gepubliceerde planregels niet overeen met het besluit van de raad tot vaststelling ervan. Het bestreden besluit en de planregels in onderlinge samenhang bezien zijn in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

2.2. Het beroep van de Heemkundekring is gegrond. Het bestreden besluit dient, voor zover het betreft de diepte van 0,5 m in artikel 16, lid 16.2, onder c, lid 16.4, onder 16.4.1, onder f, en lid 16.4, onder 16.4.2, laatste zinsnede, van de planregels wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd.

2.3. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), zoals dit luidde ten tijde van belang, zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de vergunningvrije diepte in artikel 16, lid 16.2, onder c, lid 16.4, onder 16.4.1, onder f, en lid 16.4, onder 16.4.2, laatste zinsnede, van de planregels 0,3 m is.

De Afdeling acht niet aannemelijk dat eventuele andere belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad. Hiertoe wordt overwogen dat tegen de in het ontwerpplan opgenomen maximale diepte voor grondbewerking van 0,3 m geen zienswijzen naar voren zijn gebracht.

3. De raad dient ten aanzien van het beroep van de Heemkundekring op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellanten sub 2]

4. [appellanten sub 2] betogen dat de raad ten onrechte de bestemming "Dienstverlening" en de aanduiding "bedrijfswoning" heeft toegekend aan haar perceel [locatie 1].

Zij voeren aan dat zij hierdoor worden beperkt in hun gebruiksmogelijkheden ten opzichte van het vorige plan en dat hiermee een onjuiste uitvoering wordt gegeven aan het raadsbesluit.

4.1. In het bestreden besluit staat dat de raad de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden op het perceel, zoals opgenomen in het ontwerp, in overeenstemming wil brengen met het vorige plan. Ingevolge dat plan was het perceel naast dienstverlening ook bestemd voor woondoeleinden. In het verweerschrift heeft de raad erkend dat per abuis een bestemming met aanduiding aan het perceel is toegekend die naast dienstverlening alleen een bedrijfswoning toelaat. Aan het perceel dient volgens de raad een woonbestemming te worden toegekend met de functieaanduiding "dienstverlening".

4.2. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Dienstverlening" en de aanduiding "bedrijfswoning" voor het perceel [locatie 1], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellanten sub 2] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

5. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellanten sub 3]

6. [appellanten sub 3] betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld, voor zover daarin niet langer is voorzien in een bestemming voor vier woonwagenstandplaatsen aan de Nederboekt, grenzend aan hun eigen standplaatsen.

[appellanten sub 3] voeren aan dat de vier woonwagenstandplaatsen weliswaar zijn verlaten door hun familie, maar dat dit tegen hun wil is gebeurd en zij daar in de nabije toekomst weer gebruik van willen maken. Er is dan ook behoefte aan. Gelet hierop had een bestemming voor de vier woonwagenstandplaatsen volgens [appellanten sub 3] in de rede gelegen. Bovendien is het niet langer bestemmen van de woonwagenstandplaatsen in strijd met de conserverende aard van het plan. Subsidiair had de raad de mogelijkheden van persoonsgebonden overgangsrecht moeten bezien. Bij zijn afweging heeft de raad ten onrechte het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2004 in zaak nr. C03/033HR (LJN: AO3861) en hetgeen daarin is bepaald over standplaatsen als bedoeld in de Huisvestingswet, buiten toepassing gelaten, aldus [appellanten sub 3].

6.1. Het bestreden plandeel heeft de bestemming "Groen". De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

Uit het bestreden besluit volgt dat op basis van het vorige bestemmingsplan zes woonwagenstandplaatsen waren aangelegd om te voldoen aan de verplichtingen die voortkwamen uit de destijds geldende regeling "Woonwagenschap ’s-Hertogenbosch 1979" en het daarvan afgeleide "Aktieplan 1988". Met de intrekking van de Woonwagenwet in 1999 is die verplichting komen te vervallen. Vier van de zes standplaatsen worden al ruim vijf jaar niet meer voor woondoeleinden gebruikt. Daarom zijn zij blijkens het bestreden besluit in opdracht van de woningstichting, zijnde eigenaar en verhuurder, ontmanteld.

[appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat er concrete plannen zijn om met medewerking van de woningstichting de vier ontmantelde standplaatsen weer in gebruik te nemen. Gelet hierop is het bestemmen van deze gronden overeenkomstig de feitelijke situatie niet onredelijk en in overeenstemming met het conserverende karakter van het plan. Nu de vier standplaatsen ten tijde van de vaststelling van het plan niet in gebruik waren bestond er ook geen aanleiding het gebruik onder het overgangsrecht te brengen. Voor zover [appellanten sub 3] verwijzen naar het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2004, overweegt de Afdeling dat dit arrest betrekking had op de vraag of de gemeente krachtens de haar toekomende bevoegdheden als eigenaar van een woonwagencentrum in kort geding verwijdering van een daar zonder recht of titel geplaatste woonwagen kon vorderen. In de voorliggende situatie is de gemeente geen eigenaar van de standplaatsen en betreft het de vaststelling van een bestemmingsplan. Reeds daarom is geen sprake van een vergelijkbare situatie.

Het betoog faalt.

7. [appellanten sub 3] betogen voorts dat de raad artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, van de planregels bij de bestemming "Groen" ten onrechte heeft vastgesteld. De raad heeft volgens hen ten onrechte niet gemotiveerd waarom de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheid om de aanduidingen van twee woonwagenstandplaatsen te verwijderen noodzakelijk is.

7.1. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder h, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduidingen "specifieke vorm van wonen - woonwagenstandplaats 5" en "specifieke vorm van wonen - woonwagenstandplaats 6", bestemd voor maximaal 1 woonwagenstandplaats per aanduiding

Ingevolge lid 6.5, onder 6.5.2, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd een aanduiding als bedoeld onder 6.1, onder h, te verwijderen indien de activiteit ter plaatse gedurende een half jaar is beëindigd en er geen redenen zijn om aan te nemen dat deze activiteit op korte termijn wordt voortgezet.

7.2. Uit het bestreden besluit volgt dat de rechten van de bewoners van de huidige standplaatsen worden gewaarborgd en dat artikel 6, lid 6.5, onder 6.5.2, van de planregels is opgenomen voor de situatie dat de huidige bewoners de woonactiviteit beëindigen en er geen andere woningzoekenden in aanmerking komen om de woonactiviteit voort te zetten. Voorts kan, indien van de wijzigingsbevoegdheid gebruik wordt gemaakt, tegen de wijziging in rechte worden opgekomen. Dat het gebruik van de wijzigingsbevoegdheid volgens [appellanten sub 3] is gekoppeld aan het beëindigen van het gebruik van de woonwagenstandplaatsen door de huidige bewoners, volgt niet uit de planregels.

Gelet op het voorgaande heeft de raad de opname van de wijzigingsbevoegdheid voldoende gemotiveerd.

Het betoog faalt.

8. In hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 3] is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van het beroep van [appellanten sub 3] bestaat geen aanleiding.

Slot

10. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van de vereniging Heemkundekring Vehchele en [appellanten sub 2] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Veghel van 28 juni 2012 voor zover het betreft:

a. de diepte van 0,5 m in artikel 16, lid 16.2, onder c, lid 16.4, onder 16.4.1, onder f, en lid 16.4, onder 16.4.2, laatste zinsnede, van de planregels;

b. het plandeel met de bestemming "Dienstverlening" met de aanduiding "bedrijfswoning" op het perceel [locatie 1];

III. bepaalt dat in artikel 16, lid 16.2, onder c, lid 16.4, onder 16.4.1, onder f, en lid 16.4, onder 16.4.2, laatste zinsnede, van de planregels de maximale diepte voor grondbewerking 0,3 m is;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit, voor zover vernietigd, voor zover het betreft het bepaalde onder III;

V. verklaart het beroep van [appellanten sub 3] ongegrond;

VI. draagt de raad van de gemeente Veghel op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II a en b en III worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Veghel tot veroordeling van:

a. bij de vereniging Heemkundekring Vehchele in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 38,28 (zegge: achtendertig euro en achtentwintig cent);

b. bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 510,28 (zegge: vijfhonderdtien euro en achtentwintig cent), waarvan € 472,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Veghel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor de vereniging Heemkundekring Vehchele;

b. € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro) voor [appellanten sub 2], met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2013

429-605.