Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ9739

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
201209030/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een vleeskuikenstal aan de [locatie] te Markelo (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6706
TBR 2013/85 met annotatie van H.J. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209030/1/A1.

Datum uitspraak: 8 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D] (hierna: [appellant A] en anderen), allen wonend te Markelo, gemeente Hof van Twente,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 8 augustus 2012 in zaak nr. 11/1130 in het geding tussen:

[appellant A] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] ontheffing en reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een vleeskuikenstal aan de [locatie] te Markelo (hierna: het perceel).

Bij besluit van 6 september 2011 heeft het college het door [appellant A] en anderen daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, alsnog ontheffing verleend op grond van artikel 3, lid D, onderdeel 1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997 Markelo", en het besluit van 16 maart 2011 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 8 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], [appellant C] en [appellant D], niet-ontvankelijk verklaard en, voor zover ingesteld door [appellant A], ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 april 2013, waar [appellant A] en anderen, bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door P. Braamhaar en M.G.B. Kamst, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghouder], bijgestaan door mr. D. Pool en ing. R.B.M. Aagten, gehoord.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank hun beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], [appellant C] en [appellant D], ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.1. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van State (hierna: WRvS), zoals deze luidde ten tijde in geding, kan een belanghebbende bij de Afdeling hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank, als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht.

[appellant A] is bij de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep van [appellant B], [appellant C] en [appellant D] niet-ontvankelijk is verklaard, geen belanghebbende als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de WRvS. Het hoger beroep van [appellant A] dient, voor zover het is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep van [appellant B], [appellant C] en [appellant D], niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant B], [appellant C] en [appellant D] geen bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van 16 maart 2011, zodat de rechtbank hun beroep, gelet op artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog, voor zover aangevoerd door [appellant B], [appellant C] en [appellant D], faalt.

3. Het perceel is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997 Markelo, herziening Boswinkelsweg 4", ten aanzien waarvan de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997 Markelo" van toepassing zijn verklaard.

Ingevolge dit bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Agrarisch bouwblok" en, voor zover de gronden zijn gelegen buiten het bouwblok, de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde". Voorts rust ingevolge het ter plaats geldende bestemmingsplan "Thematische herziening buitengebied Hof van Twente 2008" op het perceel de bestemming "Verwevingsgebied".

Ingevolge artikel 3, lid A, onderdeel 1, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997 Markelo" (hierna: het bestemmingsplan) zijn de op de kaart voor "Agrarisch bouwblok" aangewezen gronden bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf, alsmede in beperkte mate voor de glastuinbouw ten behoeve van ondersteunende teelten, en met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte ten behoeve van niet-grondgebonden bedrijfsactiviteiten ten hoogste mag bedragen de oppervlakte zoals die bestond op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.

Ingevolge lid D, onderdeel 1, aanhef en onder a, zijn burgemeester en wethouders bevoegd, indien dit noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid A, onder 1, wat betreft de bebouwde oppervlakte ten behoeve van niet-grondgebonden bedrijfsactiviteiten, en toestaan dat deze oppervlakte wordt vergroot, met dien verstande dat de uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische uitvoerbaarheid en toelaatbaarheid en de landschappelijke inpasbaarheid, is aangetoond.

Ingevolge lid D, onderdeel 2, dient bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van het bepaalde onder 1 mede betrokken te worden de mate waarin de belangen van de gebruikers en/of eigenaren van de aangrenzende gronden en/of de nabijgelegen agrarische bedrijven, en, indien het agrarisch bouwperceel is gelegen in of grenst aan gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" de landschappelijke waarden kunnen worden geschaad.

Ingevolge artikel 5, lid A, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de kaart aangewezen voor "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf.

Ingevolge lid B, onderdeel 1, mogen op de tot "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd, andere bouwwerken ten dienste van de bestemming.

Ingevolge lid C, onderdeel 1, onder a, zijn burgemeester en wethouders bevoegd indien dit noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid B ten behoeve van overschrijding met bebouwing van de op de kaart aangegeven bestemming "Agrarisch bouwblok", met dien verstande dat:

1. Het bepaalde in artikel 39 (bebouwingsgrenzen) in acht wordt genomen;

2. Het bepaalde in artikel 3 van overeenkomstige toepassing is;

3. De overschrijding ten hoogste 25 m bedraagt;

4. De uitvoerbaarheid, waaronder begrepen de milieutechnische toelaatbaarheid en uitvoerbaarheid, is aangetoond;

5. De belangen van de eigenaren en/of gebruikers van de aangrenzende gronden en/of nabijgelegen agrarische bedrijven niet onevenredig worden geschaad.

Ingevolge lid C, onderdeel 2, dient bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van het bepaalde onder 1 mede betrokken te worden de mate waarin de landschappelijke waarden van de betrokken gronden, zoals weergegeven in lid A, kunnen worden geschaad. Indien de landschappelijke waarden onevenredig worden geschaad vinden de onder 1 genoemde vrijstellingsbevoegdheden geen toepassing.

4. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat het gedeeltelijk buiten het op de plankaart aangegeven agrarische bouwblok ligt. Om het bouwplan mogelijk te kunnen maken heeft het college met toepassing van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, in verbinding gelezen met artikel 3, lid D, onderdeel 1, aanhef en onder a en artikel 5, lid C, onderdeel 1, onder a, van de planvoorschriften ontheffing verleend, omdat volgens hem aan de daarin opgenomen voorwaarden is voldaan.

5. [appellant A] betoogt, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2005, in zaak nr. 200405504/1, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een vrijstellingsregeling er niet toe mag leiden dat in feite de bestemming van de grond wordt gewijzigd. Volgens [appellant A] heeft het verlenen van de ontheffing ingevolge artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de Wro in dit geval tot gevolg dat het deel van het perceel met de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" wordt gebruikt als bouwblok en de bestemming van de grond wijzigt. Dit geldt volgens [appellant A] ook voor het gedeelte waar de ondergrondse bodemwarmtewisselaar met een leidinglengte van 44 km betrekking op heeft. Hij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat vanwege de aard van het bouwplan niet met een binnenplanse ontheffing kon worden volstaan.

5.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen maakt de bodemwarmtewisselaar geen onderdeel uit van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. Voor de warmtewisselaar is blijkens de stukken een afzonderlijke omgevingsvergunning verleend bij besluit van 8 december 2011. Het betoog treft in zoverre geen doel.

5.2. De rechtbank heeft voorts terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het toepassen van de binnenplanse ontheffingsmogelijkheid in dit geval leidt tot een bestemmingswijziging, als gevolg waarvan de betrokken planvoorschriften buiten toepassing dienen te worden gelaten. Op de gronden waar het bouwplan is voorzien, is ingevolge de geldende bestemmingen "Agrarisch bouwblok" en "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" de uitoefening van een agrarisch bedrijf toegestaan, mits de oppervlakte daarvan het bouwblok niet overschrijdt. Artikel 3, lid D, onderdeel 1, aanhef en onder a en artikel 5, lid C, onderdeel 1, onder a, van de planvoorschriften voorzien in de mogelijkheid om, mits is voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden, de oppervlakte van het agrarisch bouwblok te vergroten. Het bouwplan voorziet in een vleeskuikenstal, zodat de gronden voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf zullen worden gebruikt. De ontheffingsregeling maakt gelet hierop geen wijziging van het gebruik mogelijk die leidt tot een planologisch relevante wijziging van de geldende bestemmingen. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van het verlenen van de ontheffing de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarde" wijzigt. De verwijzing van [appellant A] naar de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2005 (zaak nr. 200405504/1) treft geen doel.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het bestemmingsplan het college de bevoegdheid biedt om voor het bouwplan ontheffing te verlenen en geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college wegens de aard van het bouwplan daarvan geen gebruik heeft mogen maken.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is, voor zover dat door [appellant A] is ingesteld tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep van [appellant B], [appellant C] en [appellant D], niet-ontvankelijk. Het hoger beroep is voor het overige ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat door [appellant A] is ingesteld tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het beroep van [appellant B], [appellant C] en [appellant D];

II. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J. van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2013

651.