Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ9713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
08-05-2013
Zaaknummer
201211424/1/R2 en 201211424/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2012, kenmerk B12.001519, heeft de raad het bestemmingsplan "Dronten - Mechanisch Erfgoed Centrum (2031)" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211424/1/R2 en 201211424/2/R2.

Datum uitspraak: 1 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op de beroepen, in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te Dronten,

2. [appellant sub 2], wonend te Dronten,

en

de raad van de gemeente Dronten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2012, kenmerk B12.001519, heeft de raad het bestemmingsplan "Dronten - Mechanisch Erfgoed Centrum (2031)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [appellant sub 1] en anderen de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [appellant sub 2] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DOP Beheer B.V. heeft nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 20 februari 2013, waar [appellant sub 1] en anderen, van wie [gemachtigden], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en [appellant sub 2], bijgestaan door G.J. Hingstman, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.M. Hegger, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is DOP Beheer B.V., vertegenwoordigd door H.P. Hoekzema en bijgestaan door mr. M. Kuiper, advocaat te Harderwijk, als partij gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Het plan

2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het Mechanisch Erfgoed Centrum (hierna: het MEC) ten behoeve van de expositie en stalling van mechanisch erfgoed en de bevordering en instandhouding van oude ambachten. Het plangebied is gelegen tussen de Lage Vaart en de Dronterweg op het perceel Dronterweg 29 te Dronten en heeft de bestemmingen "Cultuur en ontspanning", "Natuur" en "Water". De bestemming "Cultuur en ontspanning" kent de nadere aanduidingen ‘bedrijfswoning’, ‘horeca’, ‘specifieke vorm van cultuur en ontspanning - expo terrein’, ‘parkeerterrein’ en de ‘specifieke bouwaanduiding - toren’. De bestemming "Water" kent de nadere aanduiding ‘ligplaats’. Het plangebied ligt in het buitengebied op een afstand van ongeveer 2 kilometer van de bebouwde kom van de kern Dronten. In de directe omgeving zijn landbouwgronden en enkele agrarische bedrijven gelegen. De dichtstbijgelegen burgerwoningen zijn de woningen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2].

Het Omgevingsplan Flevoland 2006

3. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat het plan in strijd is met het Omgevingsplan Flevoland 2006 (hierna: het Omgevingsplan) omdat door zowel provinciale staten en het college van gedeputeerde staten als de raad een onjuiste invulling is gegeven aan het provinciaal experimentenkader. Zij stellen in dit verband dat, door voorbij te gaan aan de invloed van de met het plan toegestane toren met een hoogte van 65 meter op hun op korte afstand hiervan gelegen woningen en door de in het MEC toegestane horecafunctie, niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat met het plan een kwaliteitsimpuls is aangetoond.

3.1. De raad erkent dat het plan niet past in het Omgevingsplan, maar wijst er op dat de voorziene ontwikkelingen een bijdrage leveren aan de vitaliteit van het landelijk gebied en dat dit is uiteengezet in een, aan de provincie overgelegd, zogeheten integraal plan, op basis waarvan toepassing kan worden gegeven aan het in het Omgevingsplan begrepen experimentenkader. In het integraal plan is volgens de raad voldoende gemotiveerd dat het plan een kwaliteitsimpuls voor het gebied betekent. Bij besluit van 28 augustus 2012 heeft het college van gedeputeerde staten vervolgens ten aanzien van het plan toepassing gegeven aan het experimentenkader. Volgens de raad blijkt hieruit dat het college van gedeputeerde staten positief staat tegenover het plan.

3.2. Wat betreft het Omgevingsplan overweegt de voorzitter dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

3.3. Niet in geschil is dat het plan niet past binnen het provinciaal ruimtelijk beleid zoals neergelegd in het Omgevingsplan. Het Omgevingsplan biedt de provincie de mogelijkheid om voor gewenste integrale ontwikkelingen met wonen, recreatie, natuur, water en bedrijvigheid op basis van een integraal plan planologische medewerking te verlenen met toepassing van het experimentenkader. In de Notitie toepassen experimentenkader Omgevingsplan Flevoland 2006 (hierna: de notitie), die als Bijlage 3 deel uitmaakt van de plantoelichting, is een vergelijking gemaakt van de met het plan beoogde inrichting van het plangebied met de voorheen bestaande inrichting van het gebied. Hieruit blijkt dat in de voorheen aanwezige situatie een groenvoerdrogerij aanwezig was die sinds 2002 niet meer in gebruik is. De aanwezige gebouwen staan sindsdien leeg en zijn vervallen, het terrein is verwilderd en de bodem is vervuild. Hierdoor heeft de voorheen aanwezige situatie zeer weinig ruimtelijke kwaliteit. Door het ontwerp van gebouwen en de inrichting van de buitenruimte in de met het plan voorziene situatie wordt de ruimtelijke kwaliteit in grote mate versterkt, aldus de notitie. In de notitie is nadrukkelijk aandacht besteed aan de mogelijkheden die een uitkijk door middel van een toren met een hoogte van 65 meter biedt op de beleving van het karakteristieke landschap van de Flevopolder, die de polder een extra dimensie geeft. De toren zal verder een herkenningspunt vormen vanuit het omliggende gebied, waarmee de attractie- en attentiewaarde van het MEC zullen worden vergroot, aldus de notitie.

Blijkens de brief van 15 augustus 2012 van het college van gedeputeerde staten heeft het college het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken, waaronder de notitie, getoetst aan de voor de toepassing van het experimentenkader geldende voorwaarden, waaronder het waarborgen en verbeteren van de kwaliteit van het landelijk gebied en de wijze waarop met de bestaande situatie en functies in het gebied wordt omgegaan. Het college van gedeputeerde staten heeft vervolgens op 28 augustus 2012 besloten dat het experimentenkader in dit geval kan worden toegepast.

De voorzitter stelt op grond van het vorenstaande vast dat de raad bij de vaststelling van het plan voldoende rekening heeft gehouden met het in het Omgevingsplan neergelegde beleid.

Het betoog faalt.

De Structuurvisie Dronten 2020

4. [appellant sub 2] betoogt dat de in het plan voorziene ontwikkelingen een ontoelaatbare inbreuk maken op de landschappelijke structuur en landschappelijke kwaliteiten, als gevolg waarvan het plan in strijd is met de Structuurvisie Dronten 2020 (hierna: de Structuurvisie). [appellant sub 2] wijst in dit verband op de mogelijkheid om bebouwing van 12 meter hoogte en een toren van 65 meter hoogte, een jachthaven met ligplaatsen en een bedrijfswoning te realiseren. [appellant sub 2] meent dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de in het plan voorziene bebouwing de groene hoofdlijn versterkt.

4.1. De raad betoogt dat de in het plan voorziene ontwikkelingen geen ontoelaatbare inbreuk maken op het aanwezige polderlandschap en daarmee niet in strijd zijn met de Structuurvisie. De raad neemt hierbij in aanmerking dat bij het ontwerp van de in het plan voorziene inrichting van het plangebied veel aandacht is besteed aan de inpassing van de bebouwing in het landschappelijke karakter van het gebied, waarbij de dragende groene hoofdlijn niet mag worden aangetast. Omdat is gekozen voor lineaire bebouwing ten opzichte van de groene hoofdlijn wordt deze hoofdlijn door de bebouwing niet onderbroken. Verder zorgt de aanwezigheid van de toren er voor dat de groene hoofdlijn meer wordt opgemerkt en daarmee meer zichtbaar is, aldus de raad. Ten slotte acht de raad hierbij van belang dat de voormalige op het perceel aanwezige groenvoerdrogerij met hoge schoorstenen een herkenbare en met het polderlandschap onlosmakelijk verbonden bebouwingslaag in de hoofdlijn van het polderlandschap vormde. Met het plan wordt, zij het op een architectonisch hoger niveau, deze verbondenheid van bebouwing met het polderlandschap behouden, aldus de raad.

4.2. Uit de plantoelichting blijkt dat de belangrijkste landschappelijke kenmerken van de omgeving de Lage Vaart, de boomstroken, de lineaire wegstructuur en de rationele verkaveling zijn. Bij het ontwerp voor de inrichting van het plangebied is er blijkens de toelichting voor gekozen de groenstructuur van de omgeving op het terrein te integreren, waarbij de lijnvormige bebouwing en beplanting op het terrein worden doorgetrokken. Vanaf de Lage Vaart blijft het terrein zichtbaar, maar gezien vanaf de Dronterweg wordt het plangebied volledig omsloten met dichte begroeiing. Om de plek in het open landschap herkenbaar te maken en een verwijzing te maken naar de hoge schoorstenen van de voormalige groenvoerdrogerij is in het plan voorzien in een toren van 65 meter hoogte. Verder is beoogd de gevelwand van de in het plan voorziene lineaire bebouwing strak en passend bij het polderlandschap uit te voeren. Hiermee zijn volgens de toelichting de karakteristieke aspecten van de polder met grote ruimten en maten, lijnen, weidsheid, open ruimte en groen in het plan verwerkt.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, bestaat in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in het plan voorziene ontwikkelingen geen ontoelaatbare inbreuk maken op de landschappelijke structuur en landschappelijke kwaliteiten en dat het plan derhalve niet in strijd is met de Structuurvisie.

Het betoog faalt.

Privacy en woon- en leefklimaat

5. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat het plan, door de bouw van een toren met een hoogte van 65 meter op korte afstand van hun woningen mogelijk te maken, hun privacy zal aantasten. Verder zal de aanwezigheid van de toren voor overlast door verlichting zorgen. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] wijzen er in dit verband op dat de afspraken over het treffen van maatregelen ter voorkoming van de aantasting van de privacy die in de tussen de gemeente Dronten en initiatiefnemer DOP Beheer B.V. gesloten overeenkomst zijn vastgelegd onvoldoende zijn. Ook de verwijzing door de raad naar de Welstandsnota 15e aanvulling, waarin met het oog op de privacy te treffen maatregelen zijn neergelegd, is volgens hen hiertoe onvoldoende. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] had de raad hun privacy en het voorkomen van overlast door verlichting dienen te waarborgen door de benodigde te treffen maatregelen in de planregels vast te leggen.

Verder zal de aanwezigheid van een toren volgens [appellant sub 2] ter plaatse van zijn woning voor schaduwhinder zorgen.

Met de in het plan toegestane hoogte van de bebouwing en het in het plan toegestane bouwvolume wordt afgeweken van het aanvankelijk beoogde plan en hetgeen op grond van het vorige planologische regime was toegestaan, hetgeen volgens [appellant sub 2] een onaanvaardbare aantasting van zijn woon- en leefklimaat en een substantiële waardedaling van zijn onroerende zaak betekent.

5.1. De raad betoogt dat de privacy van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en het voorkomen van hinder als gevolg van verlichting ter plaatse van hun woningen voldoende zijn gewaarborgd. De raad wijst in dit verband op de belangenafweging die in het kader van de totstandkoming van het plan is uitgevoerd, waarbij is gekeken naar de ligging van het bouwvlak waar een toren mogelijk wordt gemaakt en de ligging van de woningen. In aanmerking genomen de afstand tussen het bouwvlak waar een toren mogelijk wordt gemaakt en de woningen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en de afschermende werking van de tussengelegen begroeiing, is volgens de raad geen sprake van een onevenredige aantasting van hun privacy. Verder wordt hierbij door de raad gewezen op de afspraken die met initiatiefnemer DOP Beheer B.V. over de uitvoering van de toren en het gebruik van verlichting zijn gemaakt en de welstandseisen die voor de bebouwing gelden, waarmee de privacy van omwonenden verder wordt beschermd.

Wat de schaduwwerking van de toren betreft stelt de raad dat de bezonning ter plaatse van de woning van [appellant sub 2] niet tot nauwelijks zal afnemen, aangezien de woning ten westen van het bouwvlak waar de toren is beoogd staat. Dit heeft tot gevolg dat alleen in de zomer in de vroege ochtend er enig nadeel zal zijn. Dit is volgens de raad niet onevenredig.

Ook wat de in het plan toegestane bouwhoogte van de bebouwing betreft stelt de raad dat, gelet op de afstanden van de woning en het perceel van [appellant sub 2] tot de bouwvlakken waarop bebouwing is toegestaan en de aanwezige begroeiing, van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat niet kan worden gesproken. Verder wijst de raad in dit verband en wat het toegestane bouwvolume betreft op hetgeen onder het vorige bestemmingsplan ter plaatse mogelijk en aanwezig was, in het bijzonder de twee schoorstenen van de groenvoerdrogerij met een hoogte van ongeveer 75 meter.

5.2. De raad komt beleidsvrijheid toe bij het vaststellen van bestemmingen en regels voor gronden. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad bestemmingen en regels voor gronden vast kan stellen die in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd zijn met het recht.

5.3. Uit de verbeelding blijkt dat de afstand van de woning van [appellant sub 2] tot het bouwvlak dat voorziet in de bouw van de toren ongeveer 91 meter bedraagt. Tot de perceelgrens van de woning van [appellant sub 2] bedraagt deze afstand ongeveer 81 meter. De woningen van [appellant sub 1] en anderen liggen op een afstand van ongeveer 98 en 112 meter van bedoeld bouwvlak.

Hoewel, in aanmerking genomen de hoogte van de met het plan beoogde toren van maximaal 65 meter, niet op voorhand kan worden uitgesloten dat als gevolg van het plan voor [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] enig verlies van privacy zal optreden en dat zij hiervan uitstraling van verlichting zullen ervaren, heeft de raad daaraan bij de afweging van het belang van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] bij het behoud van hun privacy enerzijds en het belang van het realiseren van het plan anderzijds, geen doorslaggevend gewicht hoeven toe te kennen. Hierbij heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat de afstand tussen de beoogde toren en de woningen zodanig is dat de aantasting van hun privacy en mogelijke hinder door uitstraling van verlichting niet onevenredig zal zijn.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad geen aanleiding hoeven zien maatregelen ter beperking van de aantasting van de privacy en ter beperking van mogelijke hinder van verlichting in de planregels op te nemen.

5.4. Bovendien blijkt uit de plantoelichting en de hiervan deel uitmakende inrichtingsschets dat de raad beoogt de bestaande begroeiing met bomen tussen de woningen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] en het bouwvlak dat voorziet in de bouw van de toren, grotendeels te handhaven. Hiertoe voorziet het plan blijkens de verbeelding in de bestemming "Natuur", welke gronden onder andere bestemd zijn voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke en de natuurwaarden van de natuurgebieden. In artikel 4.5, lid 4.5.1, aanhef en onder b, van de planregels is, voor zover hier van belang, hiertoe voorzien in een vergunningvereiste voor het verwijderen van bomen en/of houtgewas. De omgevingsvergunning kan ingevolge lid 4.5.3 van dit artikel slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en de natuurwaarden van de natuurgebieden.

Overigens heeft initiatiefnemer DOP Beheer B.V. zich in de met de gemeente Dronten gesloten overeenkomst van 27 augustus 2012 verplicht om nader daarin beschreven maatregelen te treffen ten einde de privacy van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] verder te beschermen en mogelijke hinder door verlichting buiten de begrenzing van het plangebied verder te beperken. De maatregelen die zien op de uitvoering van bouwwerken betreffen met name eisen die als welstandsnormen door de raad kennelijk zijn neergelegd in de door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] genoemde Welstandsnota 15e aanvulling. De voorzitter merkt op dat welstandsnormen in beginsel niet in een bestemmingsplan kunnen worden opgenomen, omdat dit een uitvoeringsaspect van het plan betreft. Op dit uitgangspunt kan een uitzondering worden gemaakt indien de welstandseisen dienen ter bescherming van een beschermd stadsgezicht. Dit is in het voorliggende geval niet aan de orde. Ingevolge de Woningwet dienen concrete bouwplannen getoetst te worden aan redelijke eisen van welstand, zodat bedoelde aspecten langs die weg aan de orde kunnen komen.

De betogen falen.

5.5. Wat mogelijke hinder als gevolg van schaduwwerking van de toren betreft heeft de raad, gezien de ligging van de woning van [appellant sub 2] en de afstand tot het bouwvlak waar de bouw van de toren is voorzien, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beperking van de bezonning ter plaatse van zijn woning en perceel niet zodanig onevenredig is dat hieraan doorslaggevende betekenis had moeten worden toegekend.

Het betoog faalt.

5.6. De voorzitter stelt vast dat de raad bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de in het plan toegestane hoogte van de toren en overige bebouwing en het toegestane bouwvolume heeft betrokken dat het vorige bestemmingsplan ter plaatse voorzag in een bedrijfsbestemming, op grond waarvan het plangebied nagenoeg geheel verhard was en van bedrijfsgebouwen met twee schoorstenen met een hoogte van ongeveer 75 meter was voorzien. Verder heeft de raad hierbij in aanmerking genomen dat beoogd wordt de aanwezige begroeiing met bomen tussen het perceel van [appellant sub 2] en de bouwvlakken waar de toren en aangrenzende bebouwing is toegestaan grotendeels te handhaven. De voorzitter acht dit niet onredelijk.

Wat de met het plan mogelijk gemaakte bouwhoogte van gebouwen betreft blijkt uit de verbeelding dat het dichtst bij de woning van [appellant sub 2] gelegen bouwvlak binnen het plan, dat op ongeveer 74 meter van zijn perceelgrens is gelegen, voorziet in de bouw van een bedrijfswoning met een maximale bouwhoogte van 12 meter. De afstand tot het bouwvlak waar in de bouw van een toren met een maximale hoogte van 65 meter is voorzien en het aangrenzende bouwvlak waar bouwwerken met een hoogte van maximaal 20 meter hoogte zijn toegestaan, bedragen tot de perceelgrens van [appellant sub 2] ongeveer 81 respectievelijk 100 meter en de afstand tot de overige met het plan mogelijk gemaakte bebouwing met een bouwhoogte van maximaal 12 meter bedraagt tot de perceelgrens van [appellant sub 2] ongeveer 130 meter.

Gelet op hetgeen de raad dienaangaande in zijn beoordeling heeft betrokken en in aanmerking genomen de afstanden van de met het plan toegestane bebouwing tot de perceelgrens van [appellant sub 2] en de voor deze bebouwing toegestane maximale bouwhoogte alsmede de aanwezige begroeiing met bomen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toegestane hoogte van de bebouwing en het toegestane bouwvolume geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] vormen.

Het betoog faalt.

5.7. Wat de gestelde nadelige invloed van het plan op de waarde van de onroerende zaak van [appellant sub 2] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het bestemmingsplan aan de orde zijn.

Het betoog faalt.

Geluid

6. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat in het plan en op de daarbij behorende verbeelding onvoldoende is verzekerd dat het in het akoestisch onderzoek genoemde geluidscherm op de juiste wijze en locatie zal worden geplaatst. De in dit verband in het plan opgenomen regels geven hiertoe onvoldoende rechtszekerheid, ook wat betreft de termijn waarbinnen het geluidscherm gerealiseerd moet zijn. [appellant sub 1] en anderen wijzen wat de termijn van de realisering van het geluidscherm en de hoogte hiervan betreft op hetgeen hierover in de tussen de gemeente Dronten en initiatiefnemer DOP Beheer B.V. gesloten overeenkomst is vermeld. Verder achten zij het onjuist dat in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.4, van de planregels voor het benodigde geluidscherm van 3 meter een bouwhoogte van ten hoogste 5 meter wordt toegestaan.

[appellant sub 2] betoogt dat in het plan en het hieraan ten grondslag liggende rapport van het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met geluid afkomstig van de met het plan beoogde toren, waarin onder meer horeca is toegestaan.

6.1. De raad betoogt dat de realisering van het volgens het rapport van het akoestisch onderzoek noodzakelijk geachte geluidscherm, waarnaar in artikel 3, lid 3.5, van de planregels is verwezen en welk rapport deel uitmaakt van de plantoelichting, op voldoende wijze in het plan is verzekerd. Hetgeen in de met initiatiefnemer DOP Beheer B.V. gesloten overeenkomst met betrekking tot het geluidscherm is vermeld, is bedoeld als een extra waarborg naast hetgeen in genoemd artikel van de planregels hierover is bepaald.

De in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.4, van de planregels opgenomen maximale bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen is volgens de raad gebaseerd op hetgeen voor de voorgeschreven geluidwerende voorziening, afhankelijk van de uitvoering van het hiervoor gekozen materiaal, maximaal nodig wordt geacht en in zijn algemeenheid voor dergelijke voorzieningen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in het plangebied aanvaardbaar wordt geacht.

Wat het mogelijke geluid afkomstig van het gebruik van de in het plan voorziene toren betreft, waarin volgens het plan horeca is toegestaan, betoogt de raad dat onaanvaardbare hinder daarvan ter plaatse van de woningen van derden niet aannemelijk is. Hiervoor verwijst de raad naar de in de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: de VNG-brochure) voor horeca genoemde richtafstanden tot woningen. Omdat bij geen van de genoemde horeca-activiteiten grotere minimale afstanden dan 30 meter worden genoemd en de kortste afstand van de in het plan voorziene toren tot de dichtstbijgelegen woning van derden ongeveer 91 meter bedraagt, wordt ruimschoots aan de richtafstanden van de VNG-brochure voldaan.

6.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e en n, van de planregels zijn de voor "Cultuur en ontspanning" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ bestemd voor al dan niet ondergronds een parkeergelegenheid met daaraan ondergeschikt geluidwerende voorzieningen.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.4, geldt voor het bouwen van geluidwerende voorzieningen een bouwhoogte van ten hoogste 5 meter.

Ingevolge artikel 3, lid 3.5, wordt tot een gebruik strijdig met deze bestemming in ieder geval gerekend het in gebruik nemen van de gronden en bouwwerken zonder realisatie en instandhouding van een geluidscherm, waarbij de volgende voorwaarden gelden:

a. aanleg en instandhouding van een geluidwerende voorziening moet plaatsvinden ter hoogte van de aanduiding ‘parkeerterrein’;

b. de onder a genoemde geluidwerende maatregel voldoet aan de voorwaarden welke zijn omschreven in het als Bijlage 6 bij dit bestemmingsplan opgenomen akoestisch onderzoek.

6.3. Voor de beoordeling van de geluidbelasting van het MEC dat met het plan mogelijk wordt gemaakt is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport ‘Mechanisch Erfgoed Centrum, Dronten’ van Milcura van 11 juli 2011 (hierna: het rapport). Het rapport maakt als Bijlage 6 deel uit van de plantoelichting. In het rapport is geconcludeerd dat de geluidbelasting ter plaatse van de dichtstbijgelegen woningen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] gedurende de dagperiode voor het langtijdgemiddelde geluidniveau, zonder het treffen van geluidwerende maatregelen, 44 dB(A) bedraagt. Blijkens het rapport resulteert het plaatsen van een afscherming met een hoogte van minimaal 3 meter tussen de toegangsweg van het plangebied en de woningen gedurende de dagperiode voor het langtijdgemiddelde geluidniveau in een geluidbelasting van 40 dB(A), waarmee wordt voldaan aan een voor de omgeving waarin de woningen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] zijn gelegen aanvaardbare geluidbelasting. Uit het rapport blijkt dat in het geval de te plaatsen geluidwerende voorziening een hoogte heeft van ten minste 3 meter, deze dient te bestaan uit een gesloten scherm met een oppervlaktegewicht van minimaal 10 kg/m2. Volgens het rapport kan wat de uitvoering van materialen van geluidwerende voorzieningen betreft in de praktijk worden gekozen voor verschillende opties, onder andere kokosschermen, korven met stenen of een dijklichaam, waarbij afhankelijk van de gestelde randvoorwaarde van een oppervlaktegewicht van minimaal 10 kg/m2, de hoogte van de geluidwerende voorziening hoger dan 3 meter dient te zijn.

De voorzitter stelt vast dat [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] de uitgangspunten en conclusies van het akoestisch onderzoek niet hebben betwist.

6.4. Uit de figuren 4 en 5 van het rapport blijkt duidelijk wat de situering van de benodigde geluidwerende voorziening is. De geluidwerende voorziening is blijkens het rapport gesitueerd tussen de toegangsweg van het plangebied en de woningen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] op de gronden waar de aanduiding ‘parkeerterrein’ binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning" geldt. Nu uit artikel 3, lid 3.5, onder b, van de planregels volgt dat de onder a genoemde geluidwerende maatregel dient te voldoen aan de voorwaarden welke zijn omschreven in het als Bijlage 6 bij het plan opgenomen akoestisch onderzoek, bestaat geen grond voor het oordeel dat de realisering van de geluidwerende voorziening niet op voldoende wijze in het plan is verzekerd.

Wat de termijn van realisering betreft volgt uit artikel 3, lid 3.5, aanhef, van de planregels dat de geluidwerende voorziening dient te zijn gerealiseerd voordat de gronden en bouwwerken in gebruik worden genomen. Hetgeen in de met initiatiefnemer DOP Beheer B.V. gesloten overeenkomst met betrekking tot de geluidwerende voorziening is vermeld, doet niet af aan hetgeen hieromtrent in de planregels is bepaald.

Het betoog faalt.

6.5. Over de in artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.4, van de planregels toegestane bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen wordt het volgende overwogen. Uit de bewoordingen van bedoeld artikel volgt dat dit betrekking heeft op de maximaal toegestane bouwhoogte van de in het plangebied te bouwen geluidwerende voorzieningen in het algemeen en niet uitsluitend op de tussen de toegangsweg van het plangebied en de woningen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] te realiseren benodigde geluidwerende voorziening. De raad heeft in dit verband ter zitting verklaard dat voor de toegestane bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen rekening is gehouden met mogelijke toekomstige ontwikkelingen binnen het plangebied, zoals een toename van het aantal bezoekers van het MEC. Verder blijkt uit het rapport dat de in artikel 3, lid 3.5, onder a en b, van de planregels genoemde geluidwerende voorziening, afhankelijk van de uitvoering van de hiervoor gebruikte materialen, ten minste een hoogte van 3 meter dient te hebben.

Het betoog faalt.

6.6. Wat het mogelijke geluid afkomstig van het gebruik van de in het plan voorziene toren betreft, waarin volgens het plan horeca is toegestaan, heeft de raad onder verwijzing naar de in de VNG-brochure hiervoor opgenomen richtafstanden, waaraan in dit geval ruimschoots wordt voldaan, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor onaanvaardbare geluidhinder hiervan ter plaatse van woningen van derden niet behoeft te worden gevreesd.

Dit standpunt van de raad is bevestigd in het bij het verweerschrift gevoegde rapport van Spaingenieurs "Beoordeling geluid horeca, uitkijktoren MEC Dronten" van 13 februari 2013, waarin wordt geconcludeerd dat het geluid als gevolg van het gebruik van horeca in de in het plan voorziene toren ter plaatse van de ten westen van het plangebied gelegen woningen van derden niet wordt waargenomen. [appellant sub 2] heeft de uitgangspunten en conclusies van het rapport van 13 februari 2013 niet betwist.

Het betoog faalt.

Evenementen en omvang horeca

7. [appellant sub 1] en anderen betogen dat onvoldoende inzicht bestaat in het in het plan toegestane soort en de duur van de evenementen en dat de regulering daarvan in de planregels onvoldoende is. Grote bezoekersaantallen tijdens evenementen kunnen volgens hen nadelige gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid op de Dronterweg. Verder vragen zij zich af hoe het in dat geval staat met de toereikendheid van de parkeerfaciliteiten.

[appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben verder bezwaren tegen de in het plan toegestane horeca tot een vloeroppervlak van ten hoogste 500 m2. In dit verband kan niet worden gesproken van ondergeschikte horeca, maar wordt tevens een van de activiteiten binnen het MEC losstaande horecafunctie toegestaan. Dit zal door de mogelijkheid tot het op commerciële wijze organiseren van recepties en bruiloften in de avond en nacht overlast tot gevolg kunnen hebben. [appellant sub 1] en anderen betwisten het nut en de noodzaak van het opnemen van een horecafunctie binnen het plangebied, aangezien binnen Dronten een andere locatie hiervoor beschikbaar is.

7.1. De raad betoogt dat de in de planregels opgenomen beperkingen van het aantal, de duur en de omvang van de evenementen een voldoende waarborg bieden dat er geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] zal plaatsvinden. Er bestaat geen noodzaak om naast de definiëring van wat onder een evenement moet worden verstaan in de planregels een nadere omschrijving van het toegestane soort evenementen op te nemen.

Wat de verkeersveiligheid tijdens evenementen betreft verwijst de raad naar de conclusies van het in dit verband uitgevoerde onderzoek naar de verkeerseffecten, dat er bij evenementen geen belemmering zal optreden voor de bestaande verkeersstroom op de Dronterweg en dat er voldoende parkeerruimte op het terrein zal zijn.

Wat de toegestane horecafunctie betreft bestaat volgens de raad geen noodzaak deze ondergeschikt te doen zijn aan de overige functies binnen het MEC. Het MEC en het horecabedrijf vormen een positieve aanvulling op elkaar en de horecafunctie wordt door de raad ruimtelijk inpasbaar geacht, gelet op de bestaande recreatieve functies in de omgeving van het plangebied.

7.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Cultuur en ontspanning" aangewezen gronden bestemd voor evenementen, waarvoor geldt:

1. maximaal 10 evenementen per jaar;

2. evenementen mogen maximaal 20 dagen per jaar gehouden worden;

3. het aantal bezoekers per evenement bedraagt maximaal 700;

4. parkeren vindt uitsluitend op eigen terrein plaats;

5. wanneer er te weinig parkeerfaciliteiten aanwezig zijn voor de evenementen welke plaatsvinden naast de andere hoofdactiviteiten, kan een evenement geen doorgang hebben.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder f, zijn de voor "Cultuur en ontspanning" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding ‘horeca’ tevens bestemd voor een horecabedrijf met een vloeroppervlak van ten hoogste 500 m2.

Ingevolge artikel 1, lid 1.20, wordt in de planregels onder evenement verstaan een voor publiek toegankelijke verrichting van kunst, ontwikkeling, ontspanning of vermaak, feesten en muziekvoorstellingen daaronder begrepen, waarvoor ingevolge regelgeving een melding moet worden gedaan dan wel vergunning of ontheffing moet worden aangevraagd en verleend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.27, wordt in de planregels onder horecabedrijf verstaan het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van voedsel en dranken en/of het exploiteren van een zaalaccommodatie (uitsluitend ondergeschikt karakter) met uitzondering van erotisch getinte bedrijven, nachtclub, discotheken en hiermee vergelijkbare uitgaansgelegenheden.

7.3. Gelet op hetgeen in de planregels met betrekking tot het toegestane aantal evenementen, het aantal bezoekers dat hierbij maximaal aanwezig mag zijn en de duur van de evenementen is bepaald, is de voorzitter van oordeel dat de planregeling in dit opzicht niet ontoereikend is. In aanmerking genomen hetgeen blijkens artikel 1, lid 1.20, van de planregels onder evenementen dient te worden verstaan en de daarvoor vereiste melding, vergunning of ontheffing, ziet de voorzitter, mede gelet op de maximering van het aantal evenementen en evenementsdagen per jaar en van het aantal bezoekers per evenement, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid in de planregels nader had moeten vastleggen welk soort evenementen in het MEC zijn toegestaan en wat de aanvangs- en sluitingstijden van deze evenementen zijn. Hierbij heeft de raad van belang mogen achten dat de kortste afstand van het terrein van het MEC waarop evenementen kunnen plaatsvinden tot de woningen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] ten minste 85 meter bedraagt en dat in het plan wordt voorzien in een afscherming tussen het terrein en de woningen door middel van het voorziene geluidscherm en dat beoogd wordt de tussengelegen begroeiing met bomen grotendeels te handhaven.

Voor de beoordeling van de gevolgen van het verkeer ten behoeve van het MEC dat met het plan mogelijk wordt gemaakt, is een verkeerskundig onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Verkeerseffecten MEC - verkeersonderbouwing bij bestemmingsplan - Gemeente Dronten" van BVA Verkeersadviezen van 18 april 2012 (hierna: het verkeersrapport), dat als Bijlage 14 deel uitmaakt van de plantoelichting. In het verkeersrapport is geconcludeerd dat zowel bij een piekdag van bezoekers voor het MEC zelf als op de dagen dat in het MEC evenementen worden gehouden, het verkeersaanbod zodanig zal zijn dat er geen enkele belemmering is voor de bestaande verkeersstroom op de Dronterweg. Verder is in het verkeersrapport geconcludeerd dat op het parkeerterrein voldoende parkeergelegenheid aanwezig is om het verkeersaanbod te kunnen verwerken. De voorzitter stelt vast dat [appellant sub 1] en anderen de uitgangspunten en conclusies van het verkeerskundig onderzoek niet hebben betwist.

Gelet op de conclusie van het verkeersrapport heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen nadelige gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid op de Dronterweg.

Deze betogen falen.

7.4. In het plan heeft de raad een zelfstandige horecafunctie mogelijk willen maken, welke losstaat van de overige functies binnen het MEC. Deze horecafunctie is in het plan beperkt tot een oppervlakte van 500 m2. De raad heeft in artikel 1, lid 1.27, van de planregels het exploiteren van een zaalaccommodatie beperkt door dit uitsluitend toe te staan wanneer dit een ondergeschikt karakter heeft.

In de niet nader gemotiveerde stelling van [appellant sub 1] en anderen dat het opnemen van een horecafunctie binnen het plangebied niet nuttig en nodig is, aangezien binnen Dronten een andere locatie hiervoor beschikbaar is, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een zelfstandige horecafunctie binnen het plangebied uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.

Gelet op de beperkte omvang van de in het plan toegestane horecafunctie en in aanmerking genomen dat uit het hiervoor onder 6.6 genoemde akoestisch rapport van 13 februari 2013 blijkt dat het geluid als gevolg van het gebruik als horeca ter plaatse van de woningen van derden niet wordt waargenomen, ziet de voorzitter in hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad in redelijkheid geen zelfstandige horecafunctie van deze omvang heeft kunnen toestaan.

Deze betogen falen.

Ligplaatsen

8. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de voor aanlegsteigers en aanlegplaatsen voor dagrecreatie gekozen plaats in het plangebied onzorgvuldig is. Gelet op artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder i, van de planregels is het mogelijk op de voor "Water" aangewezen gronden steigers en dagrecreatieve aanlegplaatsen te realiseren. Dit betekent volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dat dit eveneens mogelijk is in de zwaaikom die zich bevindt tussen de Lage Vaart en de Roodbeentocht. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben hiertegen bezwaren omdat de aanwezigheid van aanlegplaatsen ter plaatse zorgt voor een opeenhoping van vuil met als gevolg stankoverlast en zal leiden tot onaanvaardbare geluidoverlast veroorzaakt door de gebruikers van de aanlegplaatsen. Tussen hun percelen en de plaats waar de aanlegplaatsen mogelijk zijn bevindt zich weliswaar een strook grond van 10 meter breed, maar de vrees bestaat dat de gebruikers van de aanlegplaatsen deze strook grond mede voor recreatieve doeleinden zullen gebruiken. De raad heeft ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de gevolgen van de aanlegplaatsen voor hun woon- en leefklimaat.

8.1. De raad betoogt dat de zwaaikom en de strook van 5 meter vanaf de beschoeiing in eigendom zijn van de provincie Flevoland. De provincie, die het bevoegd gezag is voor het verlenen van een vergunning voor de aanleg van de aanlegsteigers, heeft volgens de raad verklaard dat aanlegsteigers voor passanten in de zwaaikom in principe mogelijk zijn. Het schoonhouden van het water in de zwaaikom is volgens de raad primair de verantwoordelijkheid van de waterbeheerder. Wat de door [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] gestelde aantasting van de privacy en geluidoverlast als gevolg van de aanlegplaatsen betreft betoogt de raad dat er in de zwaaikom al aanlegplaatsen aanwezig zijn die door omwonenden kunnen worden gebruikt en dat de eigendommen van omwonenden niet direct aan het water grenzen. Mede gelet op de tussen de percelen van omwonenden en het water aanwezige strook grond van 10 meter breed, acht de raad de eventuele aantasting van de privacy en geluidoverlast voor omwonenden niet onaanvaardbaar.

8.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, van de planregels zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor:

a. waterlopen en waterpartijen;

b. oevers en wallen;

c. bermen en beplanting;

d. ter plaatse van de aanduiding ‘ligplaats’, tevens twee ligplaatsen voor vaartuigen, woonschepen daar niet onder begrepen;

en mede bestemd voor:

e. het tegengaan van een te hoge geluidbelasting op geluidgevoelige objecten, ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘geluidzone - industrie’;

en daaraan ondergeschikt:

f. een pontverbinding zonder kabel;

g. (dag)recreatief medegebruik;

h. groenvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

i. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, waaronder steigers, dagrecreatieve aanlegplaatsen, bruggen, duikers en/of dammen.

8.3. Uit de verbeelding blijkt dat de voor "Water" aangewezen gronden met het aanduidingsvlak ‘ligplaats’ is gelegen in het gedeelte van de Lage Vaart ten noorden van het bouwvlak in het plan dat voorziet in de bouw van een bedrijfswoning. Dit aanduidingsvlak is ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder d, van de planregels bestemd voor twee ligplaatsen voor vaartuigen. Verder volgt uit artikel 5, lid 5.1, onder b, c, g en i, dat de voor "Water" aangewezen gronden, voor zover hier van belang, zijn bestemd voor oevers, wallen, bermen en beplanting en daaraan ondergeschikt (dag)recreatief medegebruik met de daarbij behorende steigers en dagrecreatieve aanlegplaatsen. Uit de verbeelding blijkt verder dat de voor "Water" aangewezen gronden aan de zuidwestelijke zijde nagenoeg grenzen aan het perceel behorende bij de woning van [appellant sub 2]. Uit het voorgaande volgt dat met het plan in de directe nabijheid van het perceel van [appellant sub 2] en daarmee eveneens in de nabijheid van de percelen van [appellant sub 1] en anderen (dag)recreatief medegebruik met de daarbij behorende steigers en dagrecreatieve aanlegplaatsen mogelijk worden gemaakt. Nu het plan het in artikel 5, lid 5.1, onder b, c, g en i, toegestane gebruik binnen de gehele bestemming "Water" mogelijk maakt, heeft de raad naar het oordeel van de voorzitter de mogelijke intensivering van (dag)recreatief medegebruik met de daarbij behorende steigers en dagrecreatieve aanlegplaatsen ten opzichte van het reeds bestaande gebruik van aanwezige ligplaatsen onvoldoende in zijn belangenafweging betrokken.

Het vorenstaande klemt temeer nu de raad zich in zijn verweerschrift op het standpunt stelt dat de dagrecreatieve aanlegplaatsen zijn geprojecteerd aan de noordwestelijke oever van het terrein van het MEC en niet aan de oever aan de kant van de woningen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2]. Het plan maakt het volgens de raad dus niet mogelijk om achter die woningen aan te meren, zodat hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hieromtrent hebben gesteld volgens de raad geen grondslag vindt in het plan. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de voorzitter dit standpunt van de raad onjuist. Het plan voorziet, anders dan ter plaatse van het eerder genoemde aanduidingsvlak ‘ligplaats’, niet in een nadere aanduiding van de plaats waar (dag)recreatief medegebruik met de daarbij behorende steigers en dagrecreatieve aanlegplaatsen binnen de bestemming "Water" mogelijk zijn. Het plan bevat in dit verband, anders dan de raad kennelijk betoogt, derhalve geen beperking ten aanzien van de situering van zodanige steigers en dagrecreatieve aanlegplaatsen. Voor zover de raad voor het geprojecteerd zijn van de dagrecreatieve aanlegplaatsen verwijst naar het inrichtingsplan van het MEC, overweegt de voorzitter dat het inrichtingsplan als zodanig geen deel uitmaakt van het plan en daarom geen juridisch bindend instrumentarium bevat.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad wat artikel 5, lid 5.1, onder i, van de planregels, waarin bedoelde steigers en dagrecreatieve aanlegplaatsen mogelijk worden gemaakt, betreft in zoverre gehandeld in strijd met de bij het nemen van het besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt.

Ecologie

9. [appellant sub 2] betoogt dat het plan ondeugdelijk is gemotiveerd voor zover onduidelijk is of er in verband met de aanwezigheid van vliegroutes en foerageergebieden voor water- en meervleermuizen een ontheffing van de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) is vereist. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] vinden het onaanvaardbaar dat de in verband met de aanwezigheid van de vleermuizen benodigde mitigerende maatregelen ten onrechte niet zijn neergelegd in de planregels, maar uitsluitend zijn opgenomen in de tussen initiatiefnemer DOP Beheer B.V. en de gemeente Dronten gesloten overeenkomst. Nu het plangebied in de nabijheid van de EHS is gelegen, achten [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] dit onzorgvuldig. [appellant sub 2] wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 in zaak nr. 201008514/1/M3. Artikel 3, lid 3.3, van de planregels acht [appellant sub 2] in dit verband onvoldoende, aangezien de mogelijkheid van het college van burgemeester en wethouders om nadere eisen te stellen ter bescherming van de ecologische en natuurwaarden van aangrenzende gronden geen enkele waarborg biedt.

9.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Ffw niet in de weg zal staan aan de uitvoerbaarheid van het plan en wijst hierbij op de uitgevoerde ecologische onderzoeken. De raad betoogt dat de opzet van het plan met stille randen goed past bij de ligging in ecologisch waardevol gebied. De verstoring van aanwezige waardevolle diersoorten is hierdoor beperkt. De raad wijst verder op het in verband met het ecologisch onderzoek opgestelde mitigatieplan, waarin mitigerende maatregelen voor onder andere verlichting en vliegroutes van vleermuizen zijn opgenomen. Door middel van de met initiatiefnemer DOP Beheer B.V. gesloten overeenkomst van 27 augustus 2012 bindt de initiatiefnemer zich volgens de raad aan het treffen van de genoemde maatregelen en worden er sancties opgelegd wanneer de maatregelen niet correct worden uitgevoerd.

Wat de door [appellant sub 2] genoemde uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011 betreft betoogt de raad dat het in die situatie een toetsing aan de Natuurbeschermingswet 1998 betrof, aangezien het in dat geval ging om een Natura 2000-gebied. Nu het plangebied op een afstand van ruim 8 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen, gaat een vergelijking met de door [appellant sub 2] genoemde uitspraak volgens de raad niet op.

9.2. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is, en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, alsmede de vraag of mitigerende of compenserende maatregelen ter voorkoming van overtreding van de in de Ffw opgenomen verboden dienen te worden getroffen, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

9.3. Niet in geschil is dat in en in de nabijheid van het plangebied dier- en plantensoorten voorkomen die op grond van de Ffw worden beschermd. Ten behoeve van het plan is onderzoek verricht naar de aanwezigheid van planten- en diersoorten in het plangebied en in de omgeving van het plangebied. Verder is onderzoek verricht naar de effecten van het plan op de wezenlijke kenmerken en waarden van de in de nabijheid van het plangebied gelegen EHS. De resultaten van deze onderzoeken zijn neergelegd in de rapporten "Quick Scan Natuurwetgeving MEC Dronten" van Arcadis Nederland B.V. van 29 augustus 2011, "Aanvullend onderzoek MEC Dronten" van Ecogroen advies B.V van 22 maart 2012 en "Mechanisch Erfgoedcentrum Dronten Toetsing EHS" van Arcadis Nederland B.V. van 18 april 2012. In deze onderzoeken wordt geconcludeerd dat de in het plangebied voorkomende beschermde soorten zowel algemene soorten als strikt beschermde (broed)vogels met en zonder jaarrond beschermd nest en vleermuizen betreffen. Voor de algemene soorten geldt dat negatieve effecten niet uitgesloten worden, maar dat voor deze soorten een algemene vrijstelling van de in de Ffw genoemde verbodsbepaling geldt. Voor de (broed)vogels geldt eveneens dat negatieve effecten niet uitgesloten worden, maar dat uit nader onderzoek moet blijken of in of nabij het plangebied jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Voor de vleermuizen geldt ook dat effecten niet uitgesloten worden, maar dat die voorkomen kunnen worden door het treffen van mitigerende maatregelen. Uit het rapport van het aanvullend onderzoek van 22 maart 2012 blijkt dat tijdens verricht veldonderzoek geen jaarrond beschermde broedvogelnesten of andere aanwijzingen voor dergelijke nesten zijn aangetroffen. Wat de verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in het plangebied betreft is in dit rapport de aanbeveling gedaan om duurzame voorzieningen in de nieuwbouw aan te brengen, die ervoor zorgen dat de functionele leefomgeving van de gewone dwergvleermuis ook op de langere termijn is gegarandeerd. Ten aanzien van water- en meervleermuizen is vastgesteld dat de aan het plangebied grenzende Lage Vaart voor een beperkt aantal fungeert als vliegroute. Ten aanzien van de vleermuizen wordt in het rapport van het aanvullend onderzoek geconcludeerd dat dusdanige in het rapport beschreven mitigerende maatregelen zijn te treffen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Wat de ligging in de nabijheid van de EHS betreft wordt in het rapport van 18 april 2012 geconcludeerd dat het plan niet tot aantasting van wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS leidt en dat het treffen van mitigerende maatregelen daarvoor niet nodig is.

[appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat voornoemde onderzoeken zodanige gebreken of leemten in kennis vertonen dat de raad zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet had mogen baseren. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet op voorhand in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Anders dan in zaak nr. 201008514/1/M3 door de Afdeling is geoordeeld, behoeven mitigerende maatregelen in verband met de aanwezigheid van vleermuizen, zoals deze in dit geval in het rapport van het aanvullend onderzoek van 22 maart 2012 zijn beschreven en in de tussen initiatiefnemer DOP Beheer B.V. en de gemeente Dronten gesloten overeenkomst zijn neergelegd, niet in het thans aan de orde zijnde plan te worden opgenomen. Daarbij betrekt de voorzitter dat deze maatregelen aan de orde kunnen komen in het kader van de ontheffing ingevolge de Ffw.

De betogen falen.

Discrepantie inrichtingsschets en verbeelding en feitelijke situatie

10. [appellant sub 1] en anderen betogen dat er een discrepantie lijkt te bestaan tussen de inrichtingsschets en de verbeelding en de feitelijke situatie. Zij noemen in dit verband de aanwezige zwaaikom en de naastgelegen strook grond die in eigendom zijn van de provincie en vrij moeten worden gehouden voor onderhoudswerkzaamheden. In verband hiermee is onduidelijk of de beoogde geluidwerende voorziening en de parkeerplaatsen aan het begin van de toegangsweg van het MEC overeenkomstig de inrichtingsschets gerealiseerd kunnen worden.

10.1. De voorzitter overweegt dat de inrichtingsschets geen deel uitmaakt van het plan en daarom geen juridisch bindend instrumentarium bevat. Hieruit volgt dat hetgeen in de inrichtingsschets is vermeld niet van invloed kan zijn op de vraag of het plan uitvoerbaar is. Ook de omstandigheid dat de verbeelding niet overeen zou komen met de thans aanwezige situatie kan hierop niet van invloed zijn. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de verbeelding aan de uitvoerbaarheid van het plan op het door hen bedoelde punt in de weg staat.

Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

11. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan voorshands niet is gegarandeerd, aangezien in het plan de resultaten van een planschaderisicoanalyse ontbreken.

11.1. De raad betoogt dat de enkele stelling van [appellant sub 1] en anderen dat een planschaderisicoanalyse ontbreekt onvoldoende is voor de conclusie dat het plan economisch niet uitvoerbaar is. De raad stelt dat op grond van het door initiatiefnemer DOP Beheer B.V. overgelegde ondernemersplan, waarin een uitgebreide cijfermatige prognose van de exploitatieopzet is opgenomen, geen gegronde reden bestaat om aan de economische uitvoerbaarheid van het plan te twijfelen. Verder is het planschaderisico door middel van een planschadeovereenkomst afgewenteld op de initiatiefnemer, aldus de raad.

11.2. Over het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat een planschaderisicoanalyse had moeten worden opgesteld overweegt de voorzitter dat daartoe geen wettelijke verplichting bestaat. Wel dient de raad, gelet op artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening inzicht te bieden in de financiële uitvoerbaarheid van het plan; daarbij kunnen eventueel te betalen tegemoetkomingen in planschade en een mogelijk verhaal van deze kosten een rol spelen. De voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd. De raad heeft hierbij in aanmerking mogen nemen dat de gemeente Dronten op 9 december 2011 met initiatiefnemer DOP Beheer B.V. een planschadeovereenkomst heeft gesloten, waarin is bepaald dat de planschade kan worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Ter zitting heeft DOP Beheer B.V. desgevraagd verklaard de eventueel uit de planschadeovereenkomst voortvloeiende financiële gevolgen te kunnen dragen.

Het betoog faalt.

Parkeergarage

12. [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] betogen dat in artikel 3, lid 3.4, van de planregels ten onrechte is voorzien in een afwijkingsbevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om binnen de aanduiding ‘parkeerterrein’ te voorzien in een parkeergarage met een maximale bouwhoogte van 12 meter. Het opnemen van deze bevoegdheid houdt volgens hen in dat de planologische aanvaardbaarheid van de parkeergarage als een gegeven moet worden beschouwd. Zij stellen in dit verband dat het onredelijk is een zo omvangrijk en invloedrijk bouwwerk door middel van een afwijkingsbevoegdheid in het plan op te nemen, zonder op voorhand te onderzoeken of deze mogelijkheid reëel is en zonder dat duidelijk is wat de gevolgen hiervan voor de akoestische situatie ten opzichte van hun woningen betreft.

[appellant sub 1] en anderen stellen voorts dat in artikel 3, lid 3.4, ten onrechte niet is bepaald welke procedure bij toepassing van deze bepaling dient te worden gevolgd.

12.1. Nu in dit geval zowel binnen dezelfde bestemming wordt gebleven als beperkingen aan de afwijkingsbevoegdheid worden gesteld, acht de raad het in het plan opnemen van de afwijkingsbevoegdheid voor een parkeergarage toegestaan. De raad betoogt verder dat het plan niet in een procedure voor de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid behoeft te voorzien, aangezien de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) hierin voorziet.

12.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder a en c, van de planregels geldt voor het bouwen van gebouwen en overkappingen dat er uitsluitend binnen een bouwvlak wordt gebouwd en dat ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’ gebouwen buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd tot een verticale diepte van ten hoogste 3,5 meter en een bouwhoogte van ten hoogste 2 meter.

Ingevolge artikel 3, lid 3.4, kan het college van burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in 3.2.1 a en c voor het bouwen buiten een bouwvlak, maar binnen de aanduiding ‘parkeerterrein’ tot een maximale bouwhoogte van 12 meter, mits:

a. het gebouw ten behoeve van de parkeerfunctie wordt gerealiseerd:

b. er wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot geluidhinder ten opzichte van de naastgelegen burgerwoningen.

12.3. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat, met inachtneming van de bij het plan te geven regels, bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een afwijkingsbevoegdheid in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro berustende afwijkingsbevoegdheid dient dus door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een afwijkingsbevoegdheid door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de afwijking, de omvang van het gebied waarop de afwijkingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de afwijkingsbevoegdheid.

12.4. In de plantoelichting is vermeld dat rekening wordt gehouden met een groeiend aantal bezoekers van het MEC op de langere termijn. Indien daardoor meer parkeerplaatsen nodig zijn, kan het parkeerterrein ten zuiden van de in het plan voorziene bedrijfswoning worden omgezet in een parkeergarage van drie lagen. Artikel 3, lid 3.4, van de planregels voorziet voor het college van burgemeester en wethouders in de bevoegdheid om teneinde het bouwen van een parkeergarage op de bedoelde locatie mogelijk te maken onder de daarbij gestelde voorwaarden af te wijken van het bepaalde in 3.2.1 a en c voor het bouwen buiten een bouwvlak. Uit artikel 3, lid 3.4, blijkt naar het oordeel van de voorzitter voldoende duidelijk in welk geval en onder welke voorwaarden van de afwijkingsbevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. In de bezwaren van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] ziet de voorzitter dan ook geen grond voor het oordeel dat deze afwijkingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd.

De procedure van totstandkoming van een omgevingsvergunning waarbij toepassing wordt gegeven aan de op artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro berustende afwijkingsbevoegdheid is geregeld in artikel 3.9 van de Wabo. Gelet hierop voorziet het plan terecht niet in een procedure voor het toepassing geven aan artikel 3, lid 3.4, van de planregels.

Deze betogen falen.

12.5. Uit de verbeelding blijkt dat de afstand van de gronden met de functieaanduiding ‘parkeerterrein’, waar artikel 3, lid 3.4, van de planregels met toepassing van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro voorziet in de mogelijkheid tot de bouw van een parkeergarage met een maximale hoogte van 12 meter, tot de perceelgrens van de dichtstbijgelegen woning, zijnde de woning van [appellant sub 2], ongeveer 28 meter en tot deze woning ongeveer 37 meter bedraagt. Uit de eerder genoemde rapporten van het akoestisch onderzoek van 11 juli 2011 en het verkeerskundig onderzoek van 18 april 2012, die als Bijlagen 6 en 14 deel uitmaken van de plantoelichting, blijkt dat in het MEC is voorzien in ongeveer 170 parkeerplaatsen. Het gedeelte van de gronden met de aanduiding ‘parkeerterrein’ zou volgens het inrichtingsplan van het MEC, dat in beide rapporten is gevoegd, de plaats zijn voor de toekomstige uitbreiding met een parkeergarage met drie lagen. In de als Bijlage 3 van de plantoelichting deel uitmakende Notitie toepassen experimentenkader Omgevingsplan Flevoland 2006 is vermeld dat na uitbreiding van het MEC met een parkeergarage wordt voorzien in ongeveer 400 parkeerplaatsen. De in- en uitrit van het parkeren bevindt zich blijkens genoemde rapporten en de verbeelding aan de westzijde van het plangebied op een afstand van ongeveer 28 meter van de perceelgrens van de dichtstbijgelegen woning.

12.6. Uit het vorenstaande volgt dat artikel 3, lid 3.4, van de planregels met toepassing van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro voorziet in de mogelijkheid om het aantal in het plangebied aanwezige parkeerplaatsen, met het daarmee gepaard gaande aan- en afrijden van auto’s, meer dan te verdubbelen. Onder verwijzing naar de uitspraken van 18 juli 2012 in zaak nr. 201109200/1/R3 en van 5 december 2012 in zaak nr. 201200904/1/R1 overweegt de voorzitter dat het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid met zich brengt dat voldoende inzicht bestaat in de gevolgen van toepassing van de bevoegdheid. Uit het akoestisch rapport van 11 juli 2011, het verkeerskundig onderzoek van 18 april 2012 en de overige stukken kan niet worden opgemaakt dat de raad inzicht heeft in de gevolgen van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 3, lid 3.4, van de planregels voor de geluidbelasting binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Ook heeft de raad in het plan niet toegelicht dat de maximale bouwhoogte van de parkeergarage, mede in aanmerking genomen de afstand tot de woningen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2], uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Evenmin heeft de raad dit ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt.

Nu inzicht ontbreekt in de gevolgen van het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid, heeft de raad gehandeld in strijd met de bij het nemen van het besluit te betrachten zorgvuldigheid.

Dit betoog slaagt.

Conclusie

13. Gelet op hetgeen is overwogen onder 8.3 en 12.6 geeft hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan, voor zover dat ziet op artikel 3, lid 3.4, en artikel 5, lid 5.1, onder i, van de planregels, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen zijn in zoverre gegrond.

13.1. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de voorzitter aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

13.2. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voor het overige hebben aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

14. Gelet op deze beslissing in de hoofdzaak bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Proceskostenveroordeling

15. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dronten van 27 september 2012, kenmerk B12.001519, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Dronten - Mechanisch Erfgoed Centrum (2031)" voor zover het betreft artikel 3, lid 3.4, en artikel 5, lid 5.1, onder i, van de planregels;

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IV. draagt de raad van de gemeente Dronten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. wijst de verzoeken af;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Dronten tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 986,88 (zegge: negenhonderdzesentachtig euro en achtentachtig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

veroordeelt de raad van de gemeente Dronten tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Dronten aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 312,00 (zegge: driehonderdtwaalf euro) voor [appellant sub 1] en anderen voor de behandeling van het beroep en het verzoek, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen, en € 312,00 (zegge: driehonderdtwaalf euro) voor [appellant sub 2] voor de behandeling van het beroep en het verzoek vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013

159.