Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ9092

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
201200957/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft de burgemeester de aan [wederpartij] verleende vergunning alcoholvrij bedrijf ten behoeve van de exploitatie van de [horeca-inrichting], gevestigd aan de [locatie 1] te Apeldoorn (hierna: de inrichting), ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200957/1/A3.

Datum uitspraak: 1 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Apeldoorn,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 december 2011 in zaak nr. 10/1955 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats],

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft de burgemeester de aan [wederpartij] verleende vergunning alcoholvrij bedrijf ten behoeve van de exploitatie van de [horeca-inrichting], gevestigd aan de [locatie 1] te Apeldoorn (hierna: de inrichting), ingetrokken.

Bij besluit van 12 november 2010 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2011 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 5 augustus 2010 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2013, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. W.M. van de Zedde, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], bijgestaan door mr. T. Karasu, advocaat te Apeldoorn, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.3.1.11, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Apeldoorn 2006 (hierna: de Apv) is het verboden zonder vergunning van de burgemeester in een horecabedrijf bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken.

Ingevolge artikel 2.3.1.16, tweede lid, aanhef en onder c, trekt de burgemeester de vergunning in, indien zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

2. Bij besluit van 3 november 2009 is het object [locatie 1] te Apeldoorn gesplitst in twee objecten, te weten [locatie 1] (theehuis) en [locatie 2] (magazijn). Bij besluit van 12 november 2009 is aan [wederpartij] een vergunning verleend voor het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholvrije drank voor gebruik in de inrichting.

3. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 5 augustus 2010 heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat zich in de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Hierbij heeft de burgemeester in aanmerking genomen dat uit een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 16 juli 2010 volgt dat illegale gokactiviteiten hebben plaatsvonden. Tijdens een controle op 7 juli 2010 hebben toezichthouders geconstateerd dat in het pand aan de [locatie 2] een volledig ingerichte pokertafel met munten en kaarten stond, evenals een in werking zijnde kansspelautomaat en twee internet gokzuilen. Voorts werd door hen geconstateerd dat in het toilet van de inrichting een doorgang is gemaakt naar het pand aan de [locatie 2].

4. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat illegale gokfaciliteiten in het pand aan de [locatie 2] zijn geconstateerd en de burgemeester deze onder toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft verwijderd en de doorgang van de inrichting naar dat pand heeft dichtgemaakt. Het enkele feit dat er een illegale situatie was, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat de hiervoor bedoelde gewettigde vrees bestaat. De rechtbank heeft niet aannemelijk geacht dat de burgemeester nog nieuwe feiten en omstandigheden zal kunnen aanvoeren om de gewettigde vrees als bedoeld in artikel 2.3.1.16, tweede lid, aanhef en onder c, van de Apv te motiveren.

5. De burgemeester betoogt dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan artikel 2.3.1.16, tweede lid, aanhef en onder c, van de Apv.

De rechtbank gaat er volgens de burgemeester ten onrechte van uit dat hij met de beƫindiging van de illegale situatie niet langer gehouden is op grond van voormelde bepaling de vergunning in te trekken. De burgemeester stelt dat hij verplicht is de vergunning in te trekken nadat zich een feit heeft voorgedaan dat gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid. Daar komt bij dat de doorgang van de inrichting naar het pand aan de [locatie 2] eenvoudig weer kon worden opengemaakt. Volgens de burgemeester is duidelijk dat de vergunning is gebruikt om illegaal gokken te faciliteren. Gokken heeft een negatief effect op de samenleving en de openbare orde en veiligheid, aldus de burgemeester.

6. In geschil is of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd dat de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de vergunning voor het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholvrije drank voor gebruik in de inrichting gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid.

7. Overwogen wordt dat in het proces-verbaal van bevindingen van 16 juli 2010 duidelijk is vastgelegd dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat zich in de inrichting een deur bevond die zodanig was gecamoufleerd dat deze niet als doorgang herkenbaar was. Voorts is in het proces-verbaal vastgelegd dat zich achter deze doorgang een ruimte bevond waar illegaal werd gegokt althans feiten zijn waargenomen die een ernstig vermoeden van illegale gokactiviteiten opleveren. In het proces-verbaal is op voldoende wijze te kennen gegeven waarop die constatering is gebaseerd. Op grond van de in het proces-verbaal opgenomen bevindingen is aannemelijk dat zich achter de doorgang een ruimte bevond ten behoeve van het publiek van de inrichting om daar te gokken. Naar het oordeel van de Afdeling mocht de burgemeester op grond van het proces-verbaal aannemen dat via de inrichting illegale gokactiviteiten hebben plaatsgevonden. Dat de betrokken ruimte slechts beperkt van omvang was en er geen alcohol werd geschonken, naar [wederpartij] stelt, leidt niet tot het oordeel dat de burgemeester niet mocht aannemen dat illegale gokactiviteiten hebben plaatsgevonden. De door [wederpartij] gestelde omstandigheid dat geen ongeregeldheden in en om de inrichting zijn geconstateerd leidt daar evenmin toe.

Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester op grond van de gedane constateringen zich op het standpunt mocht stellen dat de vrees gewettigd is dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar zou opleveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid. Gelet op het imperatieve karakter van artikel 2.3.1.16, tweede lid, aanhef en onder c, van de Apv was de burgemeester vervolgens gehouden de aan [wederpartij] verleende vergunning voor het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholvrije drank voor gebruik in de inrichting in te trekken en bestond geen ruimte om de financiƫle belangen van [wederpartij] mee te wegen. De burgemeester heeft niet ten onrechte de aan [wederpartij] verleende vergunning voor het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholvrije drank voor gebruik in de inrichting ingetrokken.

Het betoog slaagt.

8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou hebben behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 november 2010 alsnog ongegrond verklaren.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat in dat geval geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 14 december 2011 in zaak nr. 10/1955;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. Th.C. van Sloten en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Nell

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013

597.