Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:BZ9074

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
01-05-2013
Zaaknummer
201207414/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juni 2011 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning gelegen aan de [locatie] te Breda.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207414/1/A1.

Datum uitspraak: 1 mei 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Breda,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 juni 2012 in zaak nr. 12/696 in het geding tussen:

[persoon A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2011 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning gelegen aan de [locatie] te Breda.

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft het college de omgevingsvergunning ingetrokken voor zover deze ziet op de uitbreiding van de woning aan de achterzijde.

Bij besluit van 2 januari 2012 heeft het college het door [persoon A] en [persoon B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 21 juni 2011, zoals gewijzigd bij besluit van 21 oktober 2011 en onder wijziging van de rechtsgrond voor het deel aan de voorzijde, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 8 juni 2012 heeft de rechtbank het door [persoon A] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 januari 2012 vernietigd en het college opgedragen om binnen tien weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Bij besluit van 24 januari 2013 heeft het college, opnieuw beslissend, de bezwaren van [persoon A] tegen het besluit van 21 juni 2011 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de aanvraag om omgevingsvergunning van [appellant] alsnog geweigerd.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.M.J.F. Meeuwis, werkzaam bij het college, zijn verschenen. Ter zitting is voorts [persoon A] verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

c. het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, voor zover hier van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

2. Het bouwplan voorziet in de uitbreiding van de woning door middel van de bouw van een erker en van een luifel over de volle breedte van de voorgevel. In het besluit van 21 juni 2011 is overwogen dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat de verleende omgevingsvergunning zowel betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, als op artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Nadat de bezwaarschriftencommissie in het advies van 21 december 2011 constateerde dat het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan, heeft het college in het besluit van 2 januari 2012 de rechtsgrond van de omgevingsvergunning gewijzigd met dien verstande dat die nog slechts betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

3. Op het perceel waarop de woning is gesitueerd rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Brabantpark" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Gemengde doeleinden".

Ingevolge de aanhef van het tweede lid van artikel 11 van de planvoorschriften geldt dat op gronden met deze bestemming in danwel achter de voorgevelrooilijn moet worden gebouwd.

Ingevolge artikel 1, zestiende lid, is de voorgevelrooilijn:

a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing:

- de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande hoofdgebouwen, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg aangeeft.

- langs weggedeelten waaraan uitsluitend zijgevels zijn gelegen gelden de naar de weg gekeerde zijgevels als voorgevels.

b. langs een wegzijde, waarlangs geen bebouwing als bedoeld onder a. aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:

- bij een wegbreedte van tenminste 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg.

- bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan is strijd is met het bestemmingsplan, omdat het de voorgevelrooilijn overschrijdt. Daartoe voert hij aan dat de rechtbank van een onjuiste ligging van de voorgevelrooilijn is uitgegaan. Omdat de ligging van de voorgevels van de woningen aan de zijde van de Tilburgseweg waaraan de woning van [appellant] is gelegen niet regelmatig of nagenoeg regelmatig is en de Tilburgseweg tenminste 10 meter breed is, is de voorgevelrooilijn de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg, aldus [appellant]. Het bouwplan wordt volgens hem achter die lijn gerealiseerd.

4.1. Anders dan de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de ligging van de voorgevels aan de wegzijde van de Tilburgseweg waaraan de woning van [appellant] is gelegen niet regelmatig of nagenoeg regelmatig is. Op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart is zichtbaar dat een deel van de voorgevels van de aan de noordelijke zijde van de Tilburgseweg gelegen woningen direct aan de weg grenst, terwijl een aantal woningen verder van de weg af is gesitueerd, hetgeen leidt tot verschillen in de ligging van de voorgevels. In de ligging van de voorgevels is geen zich herhalend patroon herkenbaar. Voorts geeft het bestemmingsplan geen aanleiding voor het oordeel dat slechts een deel van het binnen de bestemmingsplangrenzen gelegen deel van de Tilburgseweg moet worden betrokken bij de bepaling van de ligging van de voorgevelrooilijn. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat artikel 1, zestiende lid, onder a, van de planvoorschriften van toepassing is. De voorgevelrooilijn ligt ingevolge artikel 1, zestiende lid, onder b, van de planvoorschriften op 15 meter uit de as van de Tilburgseweg. Niet in geschil is dat het bouwplan achter deze lijn wordt gerealiseerd, zodat het bouwplan niet in strijd met het bestemmingsplan is en uitsluitend betrekking heeft op bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Er bestond derhalve geen weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen.

6. [persoon A] betoogt tevergeefs dat het besluit van 2 januari 2012 niet in stand kan blijven, omdat het zeer kort na het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 21 december 2011 is genomen en onduidelijk is of de juiste procedure is gevolgd. Het besluit van 2 januari 2012, waarin wordt verwezen naar het door de Adviescommissie bezwaarschriften uitgebrachte advies, is blijkens de ondertekening daarvan genomen door het college en is voorzien van een handtekening van de burgemeester en de secretaris. Dat voor [persoon A] onduidelijk is of de juiste procedure is gevolgd, geeft onvoldoende grond voor het oordeel dat het besluit van 2 januari 2012 niet rechtmatig is genomen.

7. [persoon A] betoogt evenzeer tevergeefs dat het college ten onrechte vergunning heeft verleend voor het bouwplan, omdat de uitbouw inbreuk maakt op de door hem als gevolg van verjaring verkregen erfdienstbaarheid van licht en uitzicht. Gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo dient het college uitsluitend te beoordelen of zich voor de omgevingsvergunning een van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Indien zich geen van de genoemde weigeringsgronden voordoen, is het college gehouden de omgevingsvergunning te verlenen. Nu zich geen weigeringsgronden als bedoeld in voormeld artikel voordoen, was het college gehouden de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.

8. Het beroep van [persoon A] tegen het besluit van 2 januari 2012 is ongegrond.

9. Bij besluit van 24 januari 2013 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [persoon A] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

10. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat aan dit besluit, dat ter uitvoering van de vernietigde uitspraak is genomen, de grondslag is komen te ontvallen. Reeds hierom dient dit besluit te worden vernietigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

12. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, dat ingevolge het overgangsrecht van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog op het hoger beroep van toepassing is, brengt met zich dat het griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 juni 2012 in zaak nr. 12/696;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda van 24 januari 2013, kenmerk 1.2012.0170.001;

V. gelast dat de secretaris van de Raad van State aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013

270-724.